Bijdrage Wassenberg AO Dier­ziekten en Anti­bi­otica


10 maart 2016

Voorzitter, zet dieren met zijn allen op een kluitje bij elkaar, zonder de mogelijkheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen, mèt chronische stress en je kunt erop wachten tot ziekten uitbreken. Sommige van die ziekten kunnen overspringen naar mensen. Met soms dodelijke gevolgen. Doordat wij hier in Nederland jaarlijks meer dan 500 miljoen landbouwdieren produceren zijn de risico’s voor ernstige epidemieën buitengewoon groot. De vee-industrie vormt een tikkende tijdbom voor de gezondheid van dieren en mensen.

Hans Zaaijer, hoofd van bloedbank Sanquin en specialist op het gebied van infectieziekten, zegt dat er met de gezondheid van mens en dier Russische roulette wordt gespeeld. Jos van de Sande, regiodirecteur van GGD Hart voor Brabant, stelt - en ik citeer: “Dat er nog eens een rampzalig gezondheidsprobleem gaat ontstaan door de intensieve veehouderij, met mogelijk doden, is honderd procent zeker. Het is alleen de vraag wanneer.”

Die doden zijn helaas al gevallen. Enkele jaren geleden hadden we in Nederland een Q-koortsuitbraak. In Amerika en Brazilië werden toeristen gewaarschuwd om uit de buurt van de intensieve veehouderij te blijven. In Nederland bleef de overheid muisstil. Niet de volksgezondheid stond centraal voor de regering, maar de economie. Dat concludeerde de commissie Van Dijk en de Nationale Ombudsman. Volgens het RIVM stierven er 26 mensen als gevolg van een Q-koortsinfectie. Duizenden patiënten werden ziek en nog steeds ondervinden honderden mensen dagelijks de problemen van chronische Q-koorts.

Voorzitter, nu naar het heden. Dan zien we dezelfde gevaren. Het Hepatitis E-virus komt veel voor bij varkens, maar kan overspringen naar mensen en hen ziek maken. In Frankrijk en Engeland is gevonden dat het eten van worsten en lever hepatitisinfecties kan veroorzaken. In Duitsland zit het virus in 21% van de worst. In Duitse worst zit vaak Nederlands varkensvlees.In de helft van de Nederlandse varkensstallen komt het hepatitis E virus voor. In 2014 had al één op de 1000 bloeddonoren het virus in het bloed.

Voorzitter, ik heb een deja vu gevoel. Net als ten tijde van de Q-koorts blijven maatregelen uit. Wéér horen we dat er geen goede tests zijn, dat gegevens ontbreken, dat er onderzoek wordt gedaan naar besmettingsroutes en dat er geen ernstig gevaar is voor de volksgezondheid. Graag een reactie. En hoe kan het dat Frankrijk en Engeland kennelijk wel standaardtesten hebben voor het hepatitis E-virus? Is het kabinet bereid een plan van aanpak naar de Kamer te sturen? Is zij bereid om consumenten actief te informeren?

Het kabinet negeert de adviezen van deskundigen tot het laten inkrimpen van de veestapel, voldoende afstand te creëren tussen woonkernen en stallen, stoppen met het gesleep met dieren, voorlichting te geven aan burgers en het voorzorgbeginsel voorop stellen. Integendeel, het aantal megastallen neemt toe, tikkende tijdbommen voor dierziektenuitbraken. Nog stééds worden burgers niet actief geïnformeerd via de voedseletiketten over de gevaren van hepatitis E, campylobacter, salmonella, ESBL, en MRSA in vlees.

Kwalijk daarbij is dat de minister de mogelijke gevaren voor de volksgezondheid bagatelliseert. “Het vlees gewoon goed doorbakken, we zien geen reden om de risico’s op de verpakking te zetten.” Voorzitter, welke belang behartigt het kabinet? Dat van de volksgezondheid? Of van de vleesindustrie?

De vee-industrie is er verantwoordelijk voor dat er anderhalf miljoen kalfjes opgefokt worden. Meer dan de helft hiervan komt uit het buitenland. Uit onderzoek van de Dierenbescherming en Eyes on Animals blijkt dat deze transporten met veel leed gepaard gaan. Voorzitter, gelukkig heeft de staatssecretaris de certificering van kalvertransporten langer dan 8 uur stopgezet. Maar er dient een importverbod te komen. De leeftijd van de kalveren moet bovendien omhoog. De kalfjes worden te jong op transport gezet en vormen daardoor niet alleen een risico voor de kalveren zelf maar zijn ook een besmettingsbron van ziekten. Ik overweeg een motie, dus ik vraag hierbij al een VAO aan.

Dan het antibioticabeleid. Colistine is een antibioticum dat wordt gebruikt als alle andere antibiotica falen. Een laatste redmiddel dus voor veel mensen. In november bleek dat in Nederland colistineresistente bacteriën zijn aangetroffen bij kip, kalkoen en kalveren. Ik verbaas mij erover dat de minister het gevaar op colistineresistentie zo licht opneemt door te zeggen dat het slechts incidenteel in de veehouderij voorkomt. Uit de beantwoording blijkt dat ze wacht op Europa. Dat er niet extra op colistine gecontroleerd of gehandhaafd wordt en consumenten niet extra worden gewaarschuwd voor colistineresistentie bij het consumeren van vlees. Dat er voorlopig geen meldplicht komt. Mijn fractie vindt dat het Kabinet hiermee onverantwoorde risico’s neemt. Op basis van het voorzorgsbeginsel overweeg ik een motie om het veterinair gebruik van colistine te verbieden.

Nog een allerlaatste woord over antibiotica. Maandag heeft de staatssecretaris het rapport van de RDA over antibioticagebruik in de dierhouderij ontvangen. De RDA adviseert onder meer om meer aandacht te schenken aan dierenwelzijn. Gaat het kabinet dit advies opvolgen? Zo ja, dan hoor ik graag hoe. En neemt het kabinet de ontwikkeling van SPF- en HyCare stallen hierin mee? Deze stallen worden inmiddels geëxporteerd naar het Verenigd Koninkrijk en Spanje en dit lijkt me een ongewenste ontwikkeling. Graag een reactie.

Beantwoording staatssecretaris:

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. Ik deel mijn bijdrage in in de volgende blokjes: het antibioticabeleid en -gebruik, diergezondheid en dierziekten, dierenwelzijn en tot slot de vogelgriep, omdat daarover specifieke vragen zijn gesteld.

Laat ik beginnen met de antibiotica en het terugdringen van antibioticaresistentie. Antibioticaresistentie is een belangrijke bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de diergezondheid. De minister van VWS zal zo direct natuurlijk nog veel meer daarover zeggen. Zij weet er ook veel meer van. Een van de voor mij meest in het oog springende feiten die naar voren kwamen op de conferentie die wij gezamenlijk hebben georganiseerd, is dat in Europa nu al jaarlijks 25.000 mensen het leven verliezen door besmetting met een bacterie die resistent is tegen antibiotica. Dat is ook de reden dat we gezamenlijk inzetten op een "one health"-aanpak, zowel nationaal als internationaal. Resistentie houdt zich niet aan grenzen, niet aan de landsgrenzen maar ook niet altijd aan de grens tussen mens en dier.

In veel andere landen gaat het minder goed met het terugdringen van antibioticaresistentie dan in Nederland. Dat was een reden om gezamenlijk een conferentie te organiseren in het kader van het EU-voorzitterschap. Ik heb het over de AMR (antimicrobial resistance)-conferentie van vorige maand in Amsterdam voor de collega's uit alle lidstaten, zowel op het gebied van volksgezondheid als op het gebied van landbouw. Dat was nog niet eerder gedaan. Daarmee was het al een unieke gebeurtenis, waarmee wij het belang konden benadrukken van een gezamenlijke aanpak. Minister Schippers zal daar straks wat meer over zeggen. Laat ik van mijn kant opmerken dat Nederland tijdens deze conferentie heel veel complimenten kreeg voor de geslaagde aanpak in de veehouderij. Ik wil dat hier benadrukken, want er was wat discussie over en weer in de Kamer. Ik denk dat het goed is om te zeggen dat ook internationaal wordt gezien dat Nederland grote stappen heeft gerealiseerd.

Er zijn zeer forse inspanningen gepleegd met zeer goede resultaten door sectoren en dierenartsen. Er was in eerste termijn onderling wat discussie: komt dat nu door de sector, door de dierenartsen of door de overheid? Het mooie hiervan is dat het resultaat is geboekt door een gezamenlijke aanpak en dat we er gezamenlijk verantwoordelijkheid voor hebben genomen. Het gaat ook niet zozeer om "de" sector, want net zoals in elke sector zijn er bedrijven die het heel goed doen, maar zijn er ook nog steeds bedrijven die het niet goed doen. Dat is heel relevant voor het vervolgbeleid, omdat de grootste winst natuurlijk nog valt te halen bij bedrijven die deze slagen nog niet hebben gemaakt en deze stappen nog niet hebben gezet. Er zijn grote groepen bedrijven die een grote ontwikkeling hebben doorgemaakt en het gebruik van antibiotica fors hebben weten terug te dringen. Ik prijs ze daar zeer voor.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Mag ik een vraag stellen, voorzitter?

De voorzitter:

Jazeker. Ik zat even te wachten totdat dit blokje was afgerond. Dan hebt u ook het hele antwoord van de staatssecretaris gehoord.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik zal dan nog één zin zeggen. In vijf jaar tijd is het antibioticagebruik in de veehouderij met ruim 58% gereduceerd. Zo direct meld ik nog wat meer gedetailleerde resultaten, want de heer Van Dekken en anderen hebben daarnaar gevraagd.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik heb uiteraard alle bewondering voor bedrijven, zelfs ook voor Kamerleden, voor dierenartsen en voor iedereen die werkt aan het terugdringen van dat gebruik, maar ik wil waken voor een te rooskleurig beeld. Ik begrijp namelijk, ook uit de woorden van de staatssecretaris, dat er sectoraal gezien nogal wat verschillen zijn. We hebben toch moeten constateren dat er in 2014 in bijvoorbeeld de vleeskuikensector een stijging van het antibioticagebruik was van 21%. Mag ik de staatssecretaris vragen om daarop te reflecteren?

Staatssecretaris Van Dam:

Er zijn inderdaad verschillen op sectorniveau. Daarnaast hebben we weliswaar een grote reductie gerealiseerd, maar zien we de afgelopen twee jaar dat die reductie behoorlijk afvlakt, terwijl we nog steeds veel te doen hebben. Mevrouw Gesthuizen zegt terecht dat we nu niet achterover moeten leunen en niet moeten denken: kijk eens, wat hebben we dat fantastisch gedaan, we zijn klaar. We zijn niet klaar. Het is belangrijk om te benadrukken dat we hebben laten zien dat het werkt. Er zijn ook individuele bedrijven die hebben laten zien dat het kan, maar het is nu een kwestie van doorzetten en daarbij sectorspecifiek en zelfs bedrijfspecifiek zoeken naar verbetermogelijkheden. Dus: ja, er zijn verschillen tussen de verschillende sectoren. Ik zal zo direct ook aangeven dat we juist daarom in het vervolgbeleid heel gericht inzetten op sectoren en ook gericht zullen inzetten op bedrijven.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Als de staatssecretaris duidelijk ingaat op de wijze waarop hij dat gaat realiseren, dan wacht ik dat antwoord graag af.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik beloofde net al nog een paar resultaten te noemen. Het gebruik van de voor de volksgezondheid kritische antibiotica is vrijwel tot nul gereduceerd in de meeste gemonitorde veehouderijsectoren. Vooraf bestond twijfel hierover: gaan we daadwerkelijk zien dat het aantal resistente bacteriën afneemt? Dat was natuurlijk het doel van de inzet. Door de reductie van antibioticagebruik zijn de resistentieniveaus van bacteriën bij voedselproducerende dieren in de vijf jaar tussen 2009 en 2014 echt aanzienlijk gedaald. In de kalversector is sprake van 26% minder resistente bacteriën, in de varkenssector van 22% en in de pluimveesector van 8%. De recente cijfers over 2015 laten zien dat ook vorig jaar de resistentieniveaus verder zijn gedaald. We zitten dus op de goede weg, maar zoals gezegd zijn we er nog niet. Het doel was een reductie van 70% in 2015 ten opzichte van 2009. In mei komen de SDa-cijfers over 2015. Dan weten we waar we staan. Ik durf niet te zeggen dat we de 70% al hebben gerealiseerd. Ik zei al dat de daling van het gebruik in 2014 sterk is afgevlakt en de daling nog maar 4% per jaar bedroeg. Dat was volgens de SDa ook wel te verwachten, omdat de grote reducties te realiseren waren met relatief eenvoudige maatregelen en je nu toch komt bij veel gerichtere maatregelen.

Mevrouw Lodders en anderen vroegen hoe het nu verdergaat en of we sectorspecifiek beleid gaan voeren. Mijn antwoord op die laatste vraag is: ja. We zijn in 2015 al begonnen aan een traject met de verschillende sectoren, de dierenartsen en de ketenpartners om te bezien welke aanvullende inspanningen nodig zijn om een verdere reductie en resistentievermindering te bereiken. Het belangrijkste daarbij is de specifieke inzet op de bedrijven die nog relatief veel antibiotica gebruiken: de rode en oranje bedrijven. Juist daar moeten verbeteringen worden gerealiseerd. Er zijn gewoon bedrijven die zijn achtergebleven. Alle sectoren en dierenartsen werken daaraan. De pluimveesector bijvoorbeeld heeft in 2015 de aanpak en sanctionering van de rode en oranje bedrijven aangescherpt. Alle dierenartsen in het rode gebied zijn via hun kwaliteitssysteem vanaf 1 januari 2016 verplicht om verbetermaatregelen te treffen. Voor de komende jaren ontwikkelen de verschillende sectoren en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (KNMvD) sectorspecifieke plannen, gericht op resistentievermindering, reductie van gebruik en verbetering van de diergezondheid. Het doel is om juist bij de rode en oranje bedrijven voortgang te boeken.

In het verlengde daarvan vroeg mevrouw Lodders of er overleg is geweest met de verschillende sectoren over het UDD-beleid. Ik heb de Kamer recent geïnformeerd over het vervolg van het UDD-beleid. Die brief staat vandaag ook op de agenda. Dit komt juist ook voort uit overleg met de sectoren en de dierenartsen. Het beleid dat in de brief is verantwoord, moet juridisch worden uitgewerkt. Ook dat doen we in gezamenlijkheid. De verschillende sectoren en de dierenartsen zijn dus nauw betrokken bij deze verbeteringen.

De voorzitter:

Ik geef gelegenheid tot het plaatsen van interrupties. Voordat ik dat doe, zeg ik omwille van de tijd het volgende. Er zijn veel onderwerpen aan bod gekomen en er zijn twee bewindspersonen aanwezig. Ik sta maximaal drie interrupties per fractie toe.

Mevrouw Lodders (VVD):

Mijn vraag gaat over de praktische invulling van de UDD-regeling. Ik dank de staatssecretaris voor zijn reactie, want ik denk dat het heel belangrijk is om dit met de sector vorm te geven. Misschien komt de staatssecretaris er nog op, maar de huidige regeling is verlengd en ik vraag me af hoe het in het overgangsjaar gaat met de handhaving door de NVWA. De huidige regeling mag niet multi-uitlegbaar zijn. Komt de staatssecretaris daar nog op? Kan hij daar iets over zeggen?

Staatssecretaris Van Dam:

Ja, ik kom nog specifiek terug op die vraag. Ook de heer Geurts heeft gevraagd naar de handhaving en wees daarbij op de discussie die er soms is over de uitleg van de regels.

De voorzitter:

Dan bewaren we dat voor later.

Staatssecretaris Van Dam:

Ja, want ik was nog bezig met mijn verhaal over de wijze waarop we verdergaan. Ik heb al aangekondigd dat ik de Kamer nog voor de zomer -- ik verwacht dat in mei te kunnen doen -- een brief stuur over het vervolgbeleid voor de komende periode van vijf jaar. Dat beleid zal meer specifiek gericht zijn op sectoren en op specifieke diersoorten. Ook zal het heel erg op bedrijfsniveau zijn gericht. Hoe zorgen we ervoor dat de rode en oranje bedrijven groene bedrijven worden? Er zijn overigens ook rode dierenartsen. Nee, dat zijn geen partijgenoten van de heer Van Dekken en mijzelf! Ook daar is het de zoektocht hoe we dierenartsen die nog wat achterblijven, in de categorie "groen" kunnen krijgen. Daarmee bedoel ik dat ze minder antibiotica voorschrijven.

Mevrouw Lodders vroeg of er ook gekeken wordt naar honden, katten, paarden en konijnen. We kijken expliciet ook daarnaar. De SDa houdt op dit moment een survey naar het gebruik in die sectoren. De resultaten daarvan verschijnen binnen een maand. Dan zullen we een beter beeld hebben van het gebruik van antibiotica in die sectoren. Op basis daarvan moeten ook daar plannen worden gemaakt voor het reduceren van het gebruik. Ik neem dit mee in de brief die in mei naar de Kamer komt. Dan zal de Kamer er meer over kunnen vernemen.

Ik maak het sprongetje naar de NVWA. De NVWA ziet toe op het antibioticagebruik en de afspraken daarover. Dat is geëvalueerd in het kader van de UDD-regeling. Ik heb de Kamer over deze evaluatie bericht. Uit de resultaten bleek dat er in een deel van het veld de nodige onduidelijkheid is over de specifieke uitleg van de regelgeving. In de eerste implementatiefase van nieuwe regels komen wel vaker onduidelijkheden naar boven die vragen om uitleg en nadere duiding. Die moeten dan zo snel mogelijk verhelderd worden. Een aanbeveling van de evaluatie was om te komen met een duidelijk interpretatie- en handhavingskader en om dat goed te communiceren. Dat is opgepakt. De NVWA is structureel in overleg met de betrokken veehouderijsectoren en de beroepsgroep dierenartsen over de uitleg van de regels en de communicatie daarover aan het veld. Een concreet voorbeeld is dat de NVWA binnenkort een aanvullende lijst publiceert met Q&A's, dus vragen en antwoorden, over de UDD-regeling die is afgestemd met de sectoren en de beroepsgroep dierenartsen. Ik heb de Kamer ook geïnformeerd over een aanstaande wijziging van de UDD-regeling, waarmee een aantal veterinaire knelpunten wordt opgelost en die dus ook de duidelijkheid van de regels ten goede komt. Dat zou moeten leiden tot meer helderheid bij de veehouderij en daarmee tot minder discussie tussen de NVWA en de sectoren over de uitleg van de regels en de wijze van handhaving. Ik zei al dat hierover structureel overleg wordt gepleegd, dus het houdt hier niet mee op.

De heer Graus (PVV):

Mogelijk kan ik het de staatssecretaris niet kwalijk nemen, maar dit antwoord is natuurlijk wel heel algemeen. Ik ben me aan het beraden op het indienen van een motie. Ik heb gewezen op de koppelbehandeling en op de mogelijke vergroting van de epidemiologische eenheid onder veterinaire regie van een dierenarts. Kan de staatssecretaris daar nog iets specifieks over zeggen? Als hij hierover iets kan toezeggen, bespaart hij zichzelf mogelijk een motie. Wordt datgene wat ik heb gevraagd ook meegenomen?

Staatssecretaris Van Dam:

Ook mevrouw Gesthuizen vroeg naar de koppelbehandeling. Die is niet verboden. We hebben afgesproken dat preventief gebruik al sinds 2011 niet meer is toegestaan. Een koppelbehandeling mag dus alleen als de dierenarts op basis van inspectie en diagnose aantoont dat een aantal dieren in het koppel ziek zijn. Hij kan kiezen om over te gaan tot koppelbehandeling als dat nodig is om de verspreiding van de besmettelijke ziekte binnen een koppel tegen te gaan. Dat voorkomt natuurlijk ook onnodig leed bij de overige dieren in de stal. Het uitgangspunt van de richtlijnen van de KNMvD is dat zieke dieren zo veel mogelijk individueel moeten worden behandeld, tenzij een ziekte zich snel verspreidt. De NVWA ziet er ook scherp op toe dat de koppelbehandelingen plaatsvinden conform de bestaande voorschriften en richtlijnen. Bij overtreding wordt handhavend opgetreden. Bij twijfel wordt de zaak voorgelegd aan het Veterinair Tuchtcollege (VTC). Daarnaast is er inzet op preventieve maatregelen in het kader van diergezondheid. Er bestond misschien een lichte vrees of het sturen op reductie van antibioticagebruik niet zou leiden tot minder dierenwelzijn, omdat dieren vaker ziek zouden worden en minder goed behandeld zouden kunnen worden. Het tegendeel blijkt het geval. Dat zien we ook in de praktijk. De RDA heeft dat ook aangegeven in zijn advies. Er wordt juist geconstateerd dat het dierenwelzijn alles behalve te lijden heeft gehad onder de reductie van het antibioticagebruik. Sterker nog, we zien dat bedrijven die heel bewust zijn gaan sturen op reductie van antibioticagebruik vaak ook beter zijn gaan sturen op dierenwelzijn, omdat dierenwelzijn een belangrijke preventie is voor het ziek worden van dieren. Ik hoop dat hiermee de vraag van de heer Graus is beantwoord.

De heer Graus (PVV):

Is de staatssecretaris er dan niet net als ik bezorgd over waar de grens wordt gelegd? Er zijn de wat hardere dierenartsen die denken "bekijk het maar eens even", maar er zijn ook dierenartsen die wat voorzichtiger zijn en misschien iets breder gaan behandelen of eerder gaan nabehandelen. Zo'n goede dierenarts, die het eigenlijk goed bedoelt, zou dadelijk kunnen worden gestraft. Dat zit mij eerlijk gezegd niet zo lekker. Hoe gaat de staatssecretaris die grens bepalen?

Staatssecretaris Van Dam:

Het is niet aan mij om die grens te bepalen. Een dierenarts moet de situatie wegen. Dat is zijn vak. In principe moet hij dieren individueel behandelen. Alleen als sprake is van een snelle verspreiding kan hij overgaan tot koppelbehandeling. Als er evident sprake is van een overtreding, dus als er veel te snel is overgegaan tot koppelbehandeling of als er überhaupt geen sprake is geweest van individuele behandeling, kan de NVWA beboeten. Bij twijfel of de dierenarts het goed heeft aangepakt, kan de zaak worden voorgelegd aan het tuchtcollege. Dat zijn vakgenoten die kunnen beoordelen of de dierenarts in kwestie zich goed aan de richtlijnen heeft gehouden of dat hij over de schreef is gegaan. Dit is echt een vakinhoudelijke beoordeling. De heer Graus zegt terecht dat het grote probleem is dat er nog steeds dierenartsen zijn -- dat is wel een kleine groep -- die structureel veel antibiotica voorschrijven in vergelijking met hun collega's. Ik noemde dat de rode dierenartsen. Je kunt die natuurlijk aanspreken op hun gedrag. Dat kan ook vanuit de beroepsgroep zelf. Men kan met elkaar in gesprek gaan en zeggen: "Er zijn heel veel collega's die erin slagen het antibioticagebruik te reduceren. Waarom lukt het bij jou niet? Zullen we daar eens met elkaar over praten en bekijken welke stappen je kunt zetten om ook die mooie resultaten te boeken?". In de brief van mei zullen we verder ingaan op de vraag hoe we ook aan de kant van de dierenartsen proberen om veranderingen te realiseren.

De heer Wassenberg (PvdD):

Als ik goed ben geïnformeerd, heeft de voorganger van de staatssecretaris een onderzoek aangekondigd naar de relatie tussen antibioticagebruik en dierenleed, ook naar aanleiding van een onderzoek van Wakker Dier. Kan de staatssecretaris zeggen hoe het staat met dat onderzoek?

Staatssecretaris Van Dam:

Met die vraag overvalt de heer Wassenberg mij een beetje. Ik moet dit laten nagaan, omdat het specifiek gaat over iets wat mijn voorgangster zou hebben toegezegd. Ik ga dit dus na. Ik wijs er wel even op -- daarmee kom ik ook bij een vraag van de heer Wassenberg -- dat ik afgelopen maandag een advies van de RDA aangeboden heb gekregen over de verdere reductie van het antibioticagebruik. Daarin gaat het ook over dierenwelzijn en de relatie tussen dierenwelzijn en antibioticagebruik. De RDA wijst ook op die relatie. De heer Wassenberg heeft gevraagd of ik dat advies ga opvolgen. Er zit een aantal zinvolle aanbevelingen in dat advies over de wijze waarop we verder kunnen gaan met de reductie en met de verbetering van zowel diergezondheid als dierenwelzijn. We nemen die adviezen mee in de gesprekken met de sectoren en de KNMvD. We nemen ze zeer ter harte en zullen ze verwerken in het vervolgbeleid voor de komende jaren dat de Kamer in mei krijgt. De aanbevelingen vormen daarbij een belangrijke input.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik had nog een vraag over de koppelbehandeling, dus niet over de individuele behandeling. Wordt de koppelbehandeling ook toegestaan bij de zwaarste soorten antibiotica?

Staatssecretaris Van Dam:

Mevrouw Gesthuizen moet dan even aangeven wat zij bedoelt met de "zwaarste soorten" antibiotica.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Medicijnen die laatste redmiddelen zijn voor de mens.

Staatssecretaris Van Dam:

Medicijnen die een laatste redmiddel zijn voor de mens zijn …

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Sorry, staatssecretaris, ik kan u niet verstaan, want ik krijg van collega's allerlei dingen gesouffleerd.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat kan op zich ook heel behulpzaam zijn! Antibiotica die een laatste redmiddel zijn voor de mens zijn sowieso niet toegestaan. Het gaat hier wel om kritische antibiotica, dus die kritisch zijn voor de volksgezondheid. Daarbij wordt gestuurd op reductie. Ik kom zo direct nog specifiek te spreken over bijvoorbeeld colistine. Er is niet in alle gevallen een alternatief. In het geval van colistine is er op dit moment nog geen goed alternatief. Desondanks wordt geprobeerd om het gebruik daarvan zo veel mogelijk te reduceren en op termijn uit te faseren. In het kader van de diergezondheid kan het soms voorkomen dat het middel wordt gebruikt. Als het het enige middel is dat kan worden gebruikt om een koppel dieren gezond te maken, dan is dat nodig.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Volgens mij heeft de Gezondheidsraad zich uitdrukkelijk uitgesproken voor een verbod op bètalactam. Mag ik daarop een reactie van de staatssecretaris? Gaat hij dat advies opvolgen?

Staatssecretaris Van Dam:

Ik hoop dat mevrouw Gesthuizen mij toestaat om op een dergelijke specifieke vraag in tweede termijn terug te komen. Ik noteer de vraag. Intussen heb ik al even kunnen nagaan hoe het zit met datgene waarnaar de heer Wassenberg vroeg. Het RDA-advies is juist bedoeld als de invulling van de toezegging van mijn voorgangster. Daarom heeft de RDA ook specifiek gekeken naar dierenwelzijn en de relatie met diergezondheid. Ik zei al dat de RDA aangeeft dat er een relatie is en dat het nadrukkelijk sturen op dierenwelzijn vaak gepaard gaat met een reductie van het antibioticagebruik. Als goed voorbeeld kan ik geven dat in de pluimveehouderij, waar wordt gewerkt volgens het 1 ster-Beter Leven Keurmerk, het antibioticagebruik een heel stuk lager is. Dat laat zien dat die relatie er is.

De heer Van Dekken vroeg in dat kader of ik iets kan zeggen over de hoeveelheid antibiotica in kippenvlees. Of hij 1 ster-vlees bedoelde of vlees zonder een ster, was niet helemaal duidelijk. Dat maakt echter niet zo heel veel uit, want in vlees zit geen antibiotica. Dieren kunnen antibiotica toegediend krijgen, maar daarna is er een wachttijd voordat ze geslacht mogen worden. De antibiotica moet in die tijd het dier hebben verlaten, zodat je niet onbedoeld antibiotica binnenkrijgt als je vlees eet. In het kader van de bestrijding van resistentie zou dat natuurlijk contraproductief werken. Vlees bevat dus geen antibiotica. Die vrees hoeft de heer Van Dekken niet te hebben.

De fracties van het CDA en de VVD zeiden dat het belangrijk is om dit Europees om te pakken, omdat ze een Europees level playing field willen. Dat willen wij natuurlijk ook; daarom is dit ook een belangrijke prioriteit voor het EU-voorzitterschap. Wij zijn daarin zeer ambitieus. Daarom hebben we bijvoorbeeld de AMR-conferentie georganiseerd. Ik ben wel positief over de uitkomsten. De minister van VWS zal hier straks nog uitvoeriger op ingaan. Mevrouw Lodders had daar wat vraagtekens bij. Het is belangrijk dat alle aanwezige delegaties -- de EU, Zwitserland, Noorwegen, de Europese Commissie, de WHO, de FAO -- hebben benadrukt hoe belangrijk het is om te werken aan de bestrijding van resistentie. Men heeft benadrukt hoe sterk de dreiging is. Ook heeft men benadrukt dat we dit internationaal moeten aanpakken, zowel op landsniveau en EU-niveau als op mondiaal niveau. De delegaties hebben hun commitment uitgesproken aan een stevige aanpak, zowel in de humane gezondheidszorg als in de veehouderij. We hebben afgesproken dat we onszelf concrete, ambitieuze en afrekenbare doelen moeten stellen om echt resultaten te kunnen boeken. Een groot deel van de veterinaire maatregelen moet natuurlijk zijn beslag krijgen in de verordening diergeneesmiddelen, die op dit moment nog in onderhandeling is. Die verordening moet leiden tot het level playing field waarnaar beide leden van de Kamer vroegen. Wij steunen dit voorstel. Dat hebben we hier eerder met elkaar besproken.

Wel zou ik vanuit Nederland een stap verder willen gaan dan wat er nu op tafel ligt. Ik heb de conferentie dus ook benut om mijn collega's op te roepen om maatregelen te treffen om op EU-niveau het gebruik van voor de volksgezondheid kritische antibiotica bij dieren sterk te beperken en in de verordening een verbod op te nemen op preventief gebruik van antibiotica zoals we dat in Nederland al kennen. Het zou goed zijn als ook de andere Europese lidstaten die stap zetten. De komende maanden werken we op basis van de uitkomsten van de conferentie aan Raadsconclusies. Het vaststellen daarvan gebeurt aan het einde van ons voorzitterschap in de raden voor volksgezondheid en landbouw, dus vlak voor de zomer. Tegelijkertijd behandelen we de verordening diergeneesmiddelen, waarin we ook een volgende stap hopen te zetten. Het is nog de vraag of dat lukt tijdens ons voorzitterschap, maar wij proberen de vaart erin te houden en vooral ook het ambitieniveau hoog te houden.

Ik kom bij de vragen over colistineresistentie. Colistine is een last resort antibioticum dat belangrijk is voor de volksgezondheid. Er zijn recente berichten uit het buitenland over het vóórkomen van een nieuwe vorm van colistineresistente bacterie. Die zijn zeer zorgelijk. Wel belangrijk is dat uit gezamenlijk onderzoek van CVI, NVWA en RIVM blijkt dat deze resistentie bij melkkoeien en varkens tot nu toe niet is aangetroffen en bij pluimvee en vleeskalveren zeer incidenteel. Bij pluimvee was dat tussen 2010 en 2013 in minder dan 1% van de monsters en bij kalveren in 4 tot 5% van de monsters. Bij pluimvee is het sinds 2014 niet meer gevonden en bij kalveren sinds 2012 niet meer. Het CVI doet dit jaar verder onderzoek bij dieren. Nederland heeft het altijd serieus genomen. De Gezondheidsraad heeft in 2011 gezegd dat er maatregelen moesten volgen, maar er is geen goed alternatief. Er wordt nu gezocht naar een alternatief, zodat op termijn mogelijk kan worden uitgefaseerd. In de tussentijd zijn we er bijvoorbeeld al in geslaagd om het gebruik van colistine in de veehouderij met 67% te reduceren. Dat laat zien dat maatregelen ook daar effect hebben.

De heer Wassenberg (PvdD):

In het vorige blokje had de staatssecretaris het ook heel even over colistine. Hij zei toen dat het nu vooral incidenteel wordt gebruikt. Uit de antwoorden van de minister blijkt echter dat er in 2014 toch nog 1.600 kilo colistine is voorgeschreven. Dat is gigantisch veel. Het is een reductie van twee derde in vergelijking met een paar jaar eerder, maar 1.600 kilo is toch veel meer dan incidenteel? Het wordt dus nog steeds gebruikt, weliswaar op iets minder grote schaal maar nog steeds op grote schaal. Ik krijg graag een reactie hierop.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat is in lijn met wat ik net zei, namelijk dat het nog steeds wordt gebruikt. Dat komt ook doordat er geen goede alternatieven zijn. In het kader van de diergezondheid is het essentieel dat het nog beschikbaar is. Het is zoeken naar een alternatief. Het gebruik is echter al fors gereduceerd. Ik gaf ook al aan dat er in Nederland eigenlijk nauwelijks colistineresistentie wordt aangetroffen. De laatste jaren was dat helemaal niet meer het geval. Daar gaat het uiteindelijk natuurlijk om. Dat houden we ook scherp in de gaten en we werken verder aan de reductie van het gebruik.

De heer Graus heeft gesproken over zijn oude werk, waarbij hij letterlijk de boer opging met probiotica en preparaten, in ieder geval met alternatieven voor de antibiotica. Hij vroeg om dat te stimuleren. Dat doen we ook. Er zijn middelen beschikbaar die helaas nog weinig worden toegepast door veehouders, maar ze zijn beschikbaar. Wageningen UR (WUR) maakt informatie over dergelijke middelen toegankelijk en verspreidt die via internet, boekjes en sectorbijeenkomsten. De overheid investeert in onderzoek en innovatie ten behoeve van alternatieve middelen via het onderzoeksprogramma ALTANT (alternatieven voor antibiotica). Daar wordt dus op ingezet.

Inmiddels ben ik in staat om de vraag van mevrouw Gesthuizen over het uitfaseren van bètalactam te beantwoorden. De Gezondheidsraad zei dat het goed was om derde- en vierdegeneratiecefalosporines en fluo- … Spreek ik dat zo goed uit? Ik hoor dat dit niet het geval is; daar was ik al bang voor. Ik zeg het dus zo: de Gezondheidsraad zei dat het goed was om een tweetal derde- en vierdegeneratiemiddelen meteen terug te dringen. Dat is ook gebeurd; het is tot bijna nul gereduceerd. Andere bètalactamantibiotica zoals penicilline …

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Zou de staatssecretaris zijn antwoord kunnen herhalen? Ik heb het niet helemaal meegekregen, sorry.

Staatssecretaris Van Dam:

We kunnen dit ook op papier doen.

De voorzitter:

Ik verzoek de collega's om wat stiller te zijn. Dan is het beter te verstaan.

Staatssecretaris Van Dam:

Het ging om de derde- en vierdegeneratiemiddelen waarvan de Gezondheidsraad zei dat het gebruik meteen moest worden teruggedrongen. Dat is ook gebeurd. Het is tot bijna nul gereduceerd. Ten aanzien van andere bètalactamantibiotica, zoals penicilline, werd geadviseerd om die op langere termijn uit te faseren. Ook hiervoor geldt dat dit nu nog niet mogelijk is, omdat er geen alternatieven zijn. De Gezondheidsraad heeft dat ook erkend in zijn advies destijds. Daarom adviseerde de Gezondheidsraad ook om het op langere termijn uit te faseren, zodat er tijd is voor het ontwikkelen van alternatieven. In het recente advies van de Gezondheidsraad van december 2015 is die lijn weer bevestigd.

Daarmee ben ik aan het einde gekomen van het blokje over antibioticabeleid en kom ik bij de vragen die zijn gesteld over diergezondheid.

De voorzitter:

Voordat we daaraan beginnen, is er nog een interruptie van de heer Graus.

De heer Graus (PVV):

Ik haalde in mijn termijn al aan dat ik samen met de fracties van het CDA en de PvdA een motie heb ingediend voor een wettelijk kader voor de alternatieven voor antibiotica en dat daar eigenlijk niets mee is gedaan. Wij vroegen daarin om onnodige (juridische) belemmeringen weg te halen. Ik moet daar toch een voorbeeld bij noemen, mevrouw de voorzitter, …

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Graus.

De heer Graus (PVV):

… om het duidelijk te maken. Op een gegeven moment hadden bullterriërs last van tussenteeneczeem. Dat was een heel groot probleem. Lokaal, dus tussen de tenen van de dieren, en oraal werd antibiotica ingezet. Dat werkte voor geen meter en de dieren werden ook resistent. Toen kwam er een soil-based organism, een micro-organisme, uit Japan dat er wel tegen werkte. We konden dat nergens laten afvullen hier in Nederland. Daar gaat het om. Dat kan natuurlijk niet. Er zijn alternatieven, maar die worden hier geweerd. Dan krijg je te maken met de GVP-norm (Good Veterinary Practices-norm), alsmede met de Good Manufacturing Practices-norm. Je krijgt die dingen niet eens afgevuld! Er was dus iets waarmee de dieren konden worden geholpen, maar vervolgens liep men tien jaar lang gewoon tegen muren aan. Dat kan natuurlijk niet. Ik vraag de staatssecretaris dus om samen met de regering die onnodige juridische belemmeringen weg te halen.

Staatssecretaris Van Dam:

Dan moet de heer Graus iets nadrukkelijker aangeven wat die onnodige juridische belemmeringen zijn die ik dan zou moeten weghalen.

De heer Graus (PVV):

Op een gegeven moment hadden we een SBO, dus een soil-based organism uit Japan -- dat heette destijds Mifloran -- dat wel heel goed werkte tegen het eczeem van die bullterriërs, maar we kregen het hier gewoon niet in de flesjes. Dat mocht allemaal niet, want je mocht geen probiotica verwerken in een farmaceutische fabriek. Dat is gewoon onzin, want het zijn goedaardige bacteriën. Het is gewoon grote onzin allemaal. Je kunt er ook een aparte hal voor bouwen of het in een aparte hal doen, maar dat mocht gewoon niet. Er zijn altijd belemmeringen geweest, ofwel vanuit Wageningen, ofwel vanuit wet- en regelgeving. Dat kan gewoon niet, dus daar moet de regering wat aan gaan doen. Die preparaten lopen vaak tegen belemmeringen op. Dan wordt er gezegd dat er geen wetenschappelijke onderzoeken zijn, terwijl uit de veldonderzoeken van de dierenartsen -- de enige ervaringsdeskundigen die er zijn -- blijkt dat het wel werkt. We krijgen het er niet doorheen en dat kan natuurlijk niet.

Staatssecretaris Van Dam:

Voor alle helderheid: er is geen regelgeving die de toepassing van alternatieven belemmert. Op het moment dat je een middel toegelaten wilt hebben als diergeneesmiddel in Europa, moet je het echter laten toetsen. Dan moet worden aangetoond dat het middel werkzaam is en veilig is voor mens, dier en milieu. Het lijkt mij niet dat we daaraan iets moeten veranderen. Ik weet niet of de heer Graus daarop doelt. Het zou kunnen dat het specifieke middel waarop hij doelt niet door de toelating is gekomen, maar dat weet ik niet. Die toelating is echter wel een belangrijke toets. Het is belangrijk dat wordt getoetst op de veiligheid voor mens, dier en milieu.

De heer Graus (PVV):

Als je ziet hoelang erover is gedaan om de melkzuurbacteriën erdoorheen te krijgen, terwijl nu iedereen weet wat dat zijn! Voor een farmaceutisch bedrijf is het niet mogelijk om iets te doen met bacteriën, ook niet in een fabriek. Daar is ook niemand voor te vinden, want er zijn belemmeringen vanuit wet- en regelgeving zodat er niet mag worden gefabriceerd of afgevuld bij een farmaceutische fabriek, ook al zou je het in een andere hal doen. Dat kan natuurlijk niet. Bovendien lopen we continu aan -- dat heb ik destijds ook meegemaakt -- tegen de uitspraak dat er geen wetenschappelijk onderzoek is. Ja, het is logisch dat er geen wetenschappelijke onderzoeken zijn! Er zijn wel veldonderzoeken die erop wijzen dat het werkt. Kijk, dieren kunnen niet suggestief denken. Als het bij een dier werkt, komt dat dus niet door het Jomanda-effect. Bij mensen treedt het Jomanda-effect op: ze denken dat het werkt en dan gaat het ook werken. Dieren kunnen echter niet suggestief denken, dus als het bij een dier werkt, dan werkt het. Daar moeten we eens wat meer van uitgaan. Ik vraag de staatssecretaris dus om de belemmeringen weg te halen voor de mensen die daarmee bezig zijn. Het is logisch dat er geen gevaar mag zijn voor de dier- en volksgezondheid, maar dit is toch om dieren te helpen?

Staatssecretaris Van Dam:

Nogmaals, er wordt getoetst op werkzaamheid en veiligheid. Als een middel werkzaam en veilig is, kan het gewoon worden toegelaten in de EU. Aan die praktijk zou ik niet zo veel willen veranderen. Als de heer Graus met een aantal heel specifieke voorbeelden komt waarbij de regelgeving in de weg staat, vraag ik hem om die voor ons op papier te zetten. We zullen dan heel precies uitzoeken hoe het zit. Ik denk dat we dan een inhoudelijker uitwisseling kunnen hebben dan nu mogelijk is op basis van de algemene opmerkingen van de heer Graus.

De heer Van Dekken (PvdA):

Mijn vraag heeft te maken met de tweede termijn die wel wat in de verdrukking zou kunnen komen. Ik neem aan dat de staatssecretaris in de brief die in mei komt, ook zal ingaan op de 70%-reductie? Ik doel op het vervolgbeleid en de stappen in dat kader.

Staatssecretaris Van Dam:

In die brief komt iets te staan over waar we in 2015 op uitgekomen zijn. Het doel was natuurlijk een reductie van 70% in 2015. Dat was ambitieus, zeg ik erbij, maar je moet de lat hier hoog leggen. Voor het vervolgbeleid zullen we aangeven welke verdere stappen we denken te kunnen zetten en welke we willen zetten.

De heer Van Dekken heeft in zijn termijn gevraagd waarom het wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid nog niet naar de Tweede Kamer is gestuurd. Ik ben nu vijf maanden staatssecretaris. Ik meen dat ik bijna elke maand dezelfde vraag van de PvdA-fractie heb gehad, maar elke keer van iemand anders. Ik heb wel elke keer hetzelfde antwoord gegeven, dus het is misschien handig als dat antwoord ook met elkaar gedeeld wordt binnen de fractie.

De heer Van Dekken (PvdA):

Dat heet uitlokking, voorzitter! Als verschillende PvdA-Kamerleden dit vragen en de staatssecretaris telkens hetzelfde antwoord geeft, is het misschien een suggestie dat hij eens moet nadenken over een ander antwoord.

Staatssecretaris Van Dam:

Nee, ik denk niet dat dat het probleem is! Ik zal het nog eens herhalen. De eerste keer dat ik dit zei, was bij de begrotingsbehandeling in de Kamer. Bij de behandeling van de Omgevingswet is er, mede door de PvdA-fractie, een amendement ingediend om het aspect van de volksgezondheid te laten meewegen in het toekennen van een omgevingsvergunning. Daarmee is een belangrijk doel dat mogelijk met het wetsvoorstel gerealiseerd zou kunnen worden, al langs die weg gerealiseerd. Ik heb toen aangegeven dat wij nu aan het bekijken zijn of wij met een dergelijk wetsvoorstel nog een meerwaarde kunnen creëren. Ik verwacht de Kamer in mei te kunnen informeren of wij daartoe in staat zijn en zo ja, op welke manier.

De heer Van Dekken (PvdA):

Ik weet niet of de staatssecretaris eerder al had gezegd dat het in mei allemaal zou gebeuren, maar dat zou kunnen. Dan zijn we daar blij mee en wachten we dat gewoon even af. Dat willen we echter niet te lang meer doen, want we willen in deze kabinetsperiode wel graag het nodige geregeld zien. Na tweeënhalf jaar wachten mag dat ook wel.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat is mij meer dan helder.

De voorzitter:

Dan gaan we nu over naar blok twee.

Staatssecretaris Van Dam:

Dit was al blok twee, voorzitter, te weten over de diergezondheid. In het kader van de diergezondheid vroeg mevrouw Lodders of de extra monitoring bij de IKB-kip leidt tot extra risico op de insleep van ziektes. Dat heeft ermee te maken dat bedrijven extra vaak worden bezocht in het kader van de monitoring. Het is natuurlijk cruciaal dat bij bedrijfsbezoeken de uiterste hygiëne in acht wordt genomen. De IKB-inspecteurs werken dus ook volgens de geldende hygiënevoorschriften. Daarmee wordt de kans op insleep van dierziekten geminimaliseerd.

Mevrouw Lodders (VVD):

Mijn vraag was niet of dit zo is. Nee, het is een gegeven: welke maatregelen je ook neemt, als er inloop is in een stal is er een verhoogd risico op insleep van ziekten. Natuurlijk moet er fysiek worden gecontroleerd, maar je moet dit juist tijdens zo'n periode niet extra versterken. Mijn oproep is dus meer om dit eens te bespreken met de instantie die deze controles plant en uitvoert.

Staatssecretaris Van Dam:

Er wordt natuurlijk altijd gecontroleerd op de bedrijven. Dat zegt mevrouw Lodders zelf ook. Cruciaal daarbij is dat je je houdt aan de hygiënevoorschriften. Als je dat nauwgezet doet, wordt het risico op insleep van ziekten geminimaliseerd. Dat is waar het om gaat. Het doel is niet zozeer dat er vaak iemand op bezoek komt bij een bedrijf. Het belangrijkste is dat de hygiënevoorschriften in acht worden als er iemand op bezoek komt om te voorkomen dat het risico ontstaat dat mevrouw Lodders schetst.

In het verlengde daarvan stelde mevrouw Lodders een andere vraag. Ik zou die ook in het blokje over de vogelgriep kunnen beantwoorden, maar ik doe het nu maar. Mevrouw Lodders vroeg om een verplicht dak boven de buitenuitloop van kippen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat een vrij sterke ingreep op de ondernemersvrijheid vind, omdat een ondernemer natuurlijk zelf kiest welk bedrijfsmodel hij wil en ook welk deel van de markt hij wil bedienen. Vrije uitlopen of zelfs buitenlevende kippen kunnen natuurlijk onderdeel uitmaken van dat zelfgekozen ondernemersmodel. Ik vind dus niet dat de overheid zover zou moeten gaan om bedrijven te verplichten om kippen altijd onder een dak te laten lopen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik constateer dat mijn vraag anders wordt uitgelegd. Ik heb net zoals collega Geurts gevraagd naar de concrete maatregelen die worden genomen. We weten allemaal dat vrije-uitloopkippen een hoger risico op besmetting hebben tijdens de vogeltrekperiode. Namens mijn fractie heb ik eerder aangegeven dat wij vinden dat daarvoor maatregelen moeten worden getroffen. Iets van een afschermend dak -- het kan mij niet schelen hoe we het noemen -- tijdens die periode is van cruciaal belang. Ik pleit dus helemaal niet voor ingrijpen in het ondernemerschap. Natuurlijk heeft iedereen een vrije keuze. Mij gaat het erom, het risico van overdracht van vogelgriep en de besmetting van vogelgriep zo veel mogelijk terug te dringen. Tijdens de vogeltrekperiode kun je zo'n maatregel relatief eenvoudig nemen. Ook vanuit de sector is dit met enige regelmaat voorgesteld. De VVD vraagt dus niet om ingrepen in bedrijfsmanagement of anderszins. Het gaat ons erom dat we dat risico minimaliseren.

Staatssecretaris Van Dam:

Laten we daar dan op terugkomen in het blokje over de vogelgriep. Ik had het begrepen als een verplichting om een dak te plaatsen. Ik begrijp nu dat het om een tijdelijk dak gaat, dus alleen tijdens de vogeltrek. Dat is nog steeds een vrij vergaande verplichting, maar laten we er straks verder over spreken.

Ik kom bij de vragen over de wilde zwijnen, gesteld door de heer Geurts en mevrouw Lodders. Het gaat hier om populatiebeheer. Populatiebeheer is nu een verantwoordelijkheid van de provincies, die het dierziekterisico daarin meenemen. Met de desbetreffende provincies wordt hierover gesproken.

De heer Geurts (CDA):

Dit antwoord vind ik iets te gemakkelijk. Er is een convenant Diergezondheidsfonds gesloten tussen het kabinet en het bedrijfsleven. Daar ligt dus de verantwoordelijkheid. In artikel 23 van dat convenant staat dat binnen zes maanden na ondertekening van het convenant een plan van aanpak opgesteld wordt om de risico's van introductie en verspreiding van besmettelijke dierziekten door wilde zwijnen te minimaliseren et cetera. Wanneer wordt dit artikel daadwerkelijk uitgevoerd?

Staatssecretaris Van Dam:

Wij hebben het toch nog steeds over de nulstand wilde zwijnen? Doelt de heer Geurts daarop?

De heer Geurts (CDA):

Uiteraard, want de nulstand hoort hierbij. Je kunt dit niet uitvoeren als je geen nulstand realiseert.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik gaf al aan dat de provincies dit moeten uitvoeren en dat het populatiebeheer hun verantwoordelijkheid is. Er zal overleg plaatsvinden met de betrokken provincies -- Gelderland, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg -- over de vraag hoe er gezamenlijk zo'n risicogebaseerd beleid kan worden gemaakt. Vervolgens zal er in tripartiet overleg tussen het ministerie, de provincies en de sector nadere afstemming plaatsvinden. De heer Geurts vraagt specifiek om het populatiebeheer. Ik wijs er niet voor niets nadrukkelijk op dat het de verantwoordelijkheid van de provincies is om dat uit te voeren. Zij hebben ook de verantwoordelijkheid om, juist in het kader van het beperken van het dierziekterisico, daarin maatregelen te nemen.

De heer Geurts (CDA):

Ik snap dat de staatssecretaris na net vijf maanden in functie te zijn, nog niet alle dossiers beheerst. Het convenant Diergezondheidsfonds is al een stuk langer dan zes maanden geleden getekend. Ik zou graag het plan van aanpak naar de Kamer willen hebben.

Staatssecretaris Van Dam:

Zodra het er is.

De heer Geurts (CDA):

Nee, de zes maanden zijn voorbij. Het moet er nu zijn, anders is de staatssecretaris gewoon in gebreke.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik gaf aan dat er overleg met de provincies zal worden gevoerd over de vraag hoe er gezamenlijk een risicogebaseerd beleid kan worden gemaakt. Ik kan daar straks nog nader op terugkomen, maar bij mijn weten is het in elk geval nog niet zover dat het plan waarnaar de heer Geurts nu vraagt, er al in die concreetheid ligt. Ik kan daar eventueel in tweede termijn op terugkomen.

De heer Geurts vroeg naar de inzet om de afzet van vlees van gevaccineerde dieren te vergroten. Wij zijn op dit punt langs een paar sporen bezig. Een daarvan is dat we onder andere samen met Duitsland bekijken of we het initiatief kunnen nemen om deze afzet te vergroten en om vlees van gevaccineerde dieren meer geaccepteerd te krijgen. Een ander spoor is de inzet op het versoepelen of wegnemen van de bestaande beperkingen voor vaccinatie en voor de handel in vlees en zuivel van gevaccineerde dieren in de EU-regelgeving en in de internationale standaarden van de Wereldorganisatie voor diergezondheid, de OIE. Een derde spoor betreft de inzet om de toepassingsmogelijkheden van vaccinatie afdoende te borgen binnen de nieuwe Europese diergezondheidswetgeving, die op dit moment al bijna is afgerond. Langs die drie sporen proberen we daaraan invulling te geven.

De fractie van de Partij voor de Dieren vroeg naar de high-carestallen, die gericht zijn op het tegengaan van ziektekiemen en dierziekten. Dat is op zich een goede ontwikkeling. Iedereen streeft naar verhoging van de diergezondheidstatus. De heer Wassenberg vroeg er echter ook naar omdat hij vindt dat dit wel in balans moet blijven met het dierenwelzijn. Dat is natuurlijk zo. Stallen moeten sowieso voldoen aan de minimumeisen op het gebied van dierenwelzijn. Er zijn verschillende wegen om verhoging van de diergezondheidstatus te bereiken. Dat gaat over het stalklimaat en over betere voeding, maar ook over beter management en een betere hygiëne. Ik heb eerder al gezegd dat ook dierenwelzijn een positieve invloed heeft op diergezondheid. Ik deel dus de opvatting van de heer Wassenberg en vind dat de balans met het dierenwelzijn goed in het oog moet worden gehouden.

De voorzitter:

Mijnheer Wassenberg, dit is uw derde interruptie.

De heer Wassenberg (PvdD):

Ja. Ik stelde die vraag vooral omdat met name de specifiek pathogeenvrije stallen (SPF-stallen) op geen enkele manier het normale, natuurlijke dierengedrag toelaten. SPF is een term die uit de laboratoriumwereld komt. Je hebt het dus eigenlijk over laboratoriumstallen. Dat is natuurlijk heel erg in strijd met het dierenwelzijn, omdat in die laboratoriumstallen dieren op geen enkele manier hun normale, natuurlijke gedrag kunnen vertonen.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik snap deze zorg van de heer Wassenberg. Ik geef daarbij wel aan dat Nederland sowieso minimumeisen stelt als het gaat om het dierenwelzijn in de stal. Ook deze stallen moeten daar gewoon aan voldoen. Ik weet dat de ambities van de heer Wassenberg hoger liggen. Dat begrijp ik op zich best, maar het is niet zo dat deze stallen niet zouden voldoen aan de minimumeisen voor dierenwelzijn. Die gelden namelijk voor elke stal. Ik heb ook aangegeven dat we de balans met het dierenwelzijn wel in het oog moeten houden. Ja, je kunt het risico op dierziekten sterk verminderen in een zo klinisch mogelijke omgeving als het gaat om het stalklimaat, de hygiëne et cetera. Het blijft echter ook van belang dat het dier een zo prettig mogelijk leven kan leiden. De ambitie die vaker in deze Kamer naar voren is gebracht, is natuurlijk om daarin verder te gaan dan het wettelijk minimum. Ook bij dit type stallen is dit zeker iets wat we in het oog zullen moeten houden.

De voorzitter:

Ik kijk ook even naar de tijd. De minister van Volksgezondheid wil ook nog antwoorden. Kunnen we een beetje versneld door de vragen heen?

Staatssecretaris Van Dam:

Ik kan er altijd versneld doorheen, maar of de Kamer dan tevreden is, is aan de Kamer.

Mevrouw Lodders vroeg naar de entstofverplichting in Nederland. Mevrouw Lodders zei dat ik daar eventueel schriftelijk op kan ingaan. Laat ik dat doen, want dat scheelt in de tijd.

De heer Geurts vroeg naar de controle bij Q-koortsvrije geitenbedrijven. Op dit moment is er nog één bedrijf besmet met Q-koorts. Met de sector is afgesproken dat er als alle bedrijven vrij zijn, gesproken kan worden over het maatregelenpakket. De monitoring, waar de heer Geurts naar vroeg, zal dan ook onderdeel zijn van de analyse van die gesprekken. Vaccinatie is de basis van het beleid en zal ook in de toekomst preventief nodig blijven om de volksgezondheid te borgen.

Mevrouw Lodders gaf aan dat ze niet helemaal tevreden was over de beantwoording van de vragen over paardenmarkten. Ik doe haar de suggestie om een vervolgvraag in te dienen. Dan is voor mij ook meteen duidelijk waar haar ontevredenheid over de vragen precies zit en welke antwoorden zij nog meer verwacht.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb een procedurele vraag aan de voorzitter. Dit was een schriftelijke ronde. Ik wilde daar niet gelijk een VSO over aanvragen, maar dan zal ik daar Kamervragen over stellen.

Staatssecretaris Van Dam:

Ja.

De voorzitter:

Schriftelijke vragen "in vervolg op". Dat is prima.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat spreken we af.

De heer Geurts vroeg of het convenant Diergezondheidsfonds alle ziektes beslaat en of de overheid dan nog wel kan ingrijpen. Het convenant betreft alleen de wettelijk aangewezen dierziektes; dus niet alle dierziektes maar alleen de wettelijk aangewezen dierziektes. Als die uitbreken en er ingegrepen moet worden, en het Diergezondheidsfonds en de betreffende sector onvoldoende reserves hebben, dan kan de overheid nog altijd ingrijpen. Via de diergezondheidsheffing worden de gelden bij de betreffende sector vervolgens teruggehaald.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd naar het doden van te lichte kalveren. Het is natuurlijk belangrijk dat alle kalveren een nuttige bestemming krijgen binnen de wettelijke kaders voor dierenwelzijn van de overheid, maar ook binnen de morele verantwoordelijkheid van een veehouder, ongeacht de bestemming die het dier uiteindelijk krijgt. Dieren moeten dus goed leven en als ze vervolgens gedood moeten worden, moet dat op een verantwoorde wijze gebeuren. De kalversector, de melkveesector en de veehandel zijn nu met elkaar in overleg over de vraag hoe om te gaan met lichte kalveren. De eerste verkennende gesprekken zijn gevoerd en men komt met plannen. Als die er zijn, zal ik de Kamer daarover informeren. Ik zal ook zo spoedig mogelijk de vragen over dat onderwerp van de leden Van Dekken en mevrouw Thieme beantwoorden.

De heer Graus vroeg of we het leger kunnen inzetten, dit keer voor het afgrendelen van gebieden waar dierziekten zijn. De gebieden worden nu afgezet door de RVO en de NVWA. De handhaving gebeurt door de NVWA in nauw overleg met de politie. Naar mijn mening is het niet nodig om daarbij de krijgsmacht in te zetten.

De voorzitter:

Mijnheer Graus, dit is uw derde en dus laatste interruptie.

De heer Graus (PVV):

Dat is jammer, maar mevrouw Schippers geeft toch altijd de antwoorden die ik wil horen. Ik ben het er niet mee eens. De voorganger van mevrouw Dijksma en de heer Verdaas heeft het mij een keer heel kwalijk genomen dat ik die gebieden ben ingegaan om te controleren hoe dat gaat. Er wordt helemaal niets afgezet. Bij een van de laatste uitbraken, in Grathem, ben ik er 's nachts naartoe gereden. We hebben daar uren kunnen rondrijden, zonder dat iemand ons tegenhield. Op een gegeven moment zagen we 's nachts om 3.00 uur een autootje van de NVWA staan. Men begon mij aan te vallen over de dierenpolitie die niets zou worden, en vervolgens is er helemaal niets gebeurd. Je kon gewoon in- en uitrijden. Je kon daar gewoon dieren weghalen, wat mensen in paniek vaak ook gaan doen. Mensen halen vaak in paniek dieren weg en brengen ze over de grens. Dat is daar in Midden-Limburg ook al gebeurd. Ik ken ook mensen die dat gedaan hebben. Zo'n gebied moet dus gewoon direct worden afgesloten. De NVWA heeft nu al mensen tekort met al die voedselschandalen en al dat dierenleed. Die hebben de capaciteit niet om zo'n gebied af te zetten. Er zijn tientallen uitvalswegen. Mensen raken in paniek; die gaan …

De voorzitter:

Mijnheer Graus, uw vraag.

De heer Graus (PVV):

Daar moet echt het leger of de politie worden ingezet, om zo'n gebied hermetisch af te kunnen sluiten om verdere uitbraken en verder dieren- en mensenleed te voorkomen.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik realiseer me dat goed. De heer Graus is daar ook eerder over begonnen. Hij heeft ook suggesties gedaan voor de manier waarop we de handhavingsmogelijkheden van de NVWA daarin zouden kunnen versterken. De heer Graus zegt nu: leger of politie. Dan komen we alweer bij elkaar, want de hulp van de politie wordt wel degelijk ingeroepen. De NVWA is verantwoordelijk, maar zij kan de hulp van de politie inroepen als het nodig is om een gebied af te grendelen en daarop toezicht te houden. Het signaal van de heer Graus dat dat dan ook goed moet gebeuren, is helder.

De heer Graus (PVV):

De politie is ook onderbezet. Het leger heeft hier veel meer tijd voor dan de politie en de NVWA. Daarom vroeg ik dat. Ik zeg ook: desnoods de krijgsmacht. "Desnoods" stond toen ook in mijn verzoek. Als er weer een uitbraak is, ben ik overigens best bereid om er samen met de staatssecretaris 's nachts ter plaatse te gaan kijken. Ik ben zelfs bereid om hem op te halen; dan rijden we er samen naartoe en dan zal hij zien dat het klopt wat ik nu zeg. Ik kan het gewoon aantonen.

Staatssecretaris Van Dam:

Ik hoop dat we die situatie in deze periode in elk geval niet meer meemaken.

De heer Graus (PVV):

Dat deel ik met u.

Staatssecretaris Van Dam:

Dat lijkt mij het beste. Mocht de situatie zich echter voordoen, dan is uw signaal helder dat die afgrendeling goed moet zijn om te voorkomen dat dieren uit het gebied kunnen worden vervoerd.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd naar de vaccinatie tegen MKZ, in het bijzonder of dat punt wordt meegenomen in de onderhandelingen over TTIP. Dat is niet het geval, want TTIP gaat over de voorwaarden waaronder veterinaire onderhandelingen plaatsvinden. MKZ-vaccinatie maakt geen onderdeel uit van die onderhandelingen. We hebben hier eerder wel met elkaar gesproken over de dierenwelzijnsstandaarden, waarbij het natuurlijk ook gaat over standaarden die wij eventueel hanteren op het gebied van antibioticagebruik. In dat verband moeten we het belang van een level playing field in het kader van TTIP in het oog houden.

Ook zijn er vragen gesteld over het tijdpad ten aanzien van het algemeen verbindend verklaren ten behoeve van onderzoek naar dierziekten. Ik onderschrijf het belang daarvan. We moeten een formele aanvraag van verschillende erkende producenten- of brancheorganisaties in de dierlijke sectoren hebben; die is er nog niet. Mijn streven is om binnen acht weken de procedure te doorlopen, waaronder internetconsultatie, waarna er een voorgenomen besluit kan komen waarover de Kamer wordt geïnformeerd.

Dierenwelzijn is het derde blokje. Er werd gevraagd naar het transport van kalveren door de heer Wassenberg, mevrouw Gesthuizen en de heer Van Dekken. Het langeafstandstransport kan risico's met zich meebrengen voor het welzijn en de gezondheid van kalveren. Helaas worden bij controles door de NVWA verschillende zaken geconstateerd die niet in de haak zijn, zoals te lange reistijden, geen goede mogelijkheden tot drinken, onvoldoende duidelijkheid over de herkomst van dieren. De NVWA treedt daar ook tegen op. Bij controles voorafgaand aan vertrek constateerden dierenartsen van de NVWA dat de huidige transportsystemen, met name op het gebied van de drinkvoorziening, ook niet voldeden aan de vereisten van de Europese Transportverordening. In antwoord op een vraag van de heer Wassenberg kan ik zeggen dat de NVWA ook meer gaat letten op de import van kalveren, waarbij transporteurs worden gewaarschuwd of beboet als de drinkinstallaties bij controle niet voldoen of als de dieren in slechte conditie verkeren.

In het kader van de kwaliteitssystemen voor het transport is er binnen de kalversector inmiddels meer aandacht gekomen voor de inrichting van verzamelplaatsen met voldoende nippelemmers voor drinken en voedering. Binnen het kwaliteitssysteem worden de ingerichte verzamelcentra ook verplicht voor transport dat de termijn van twaalf uur overschrijdt. Zoals de Kamer weet, zetten we ons er niet alleen hier maar ook Europees voor in dat eenmalig transport de acht uur niet overschrijdt.

De heer Van Dekken vroeg nog een keer naar de inzet van supermarkten op het gebied van dierenwelzijn. In mijn persoonlijke contacten met de verschillende supermarkten is voor mij overduidelijk gebleken dat zij de zeer serieuze ambitie hebben om het dierenwelzijnsniveau te verhogen van de dieren die gehouden worden om vlees te produceren. Eén ster is voor verschillende supermarkten de standaard aan het worden. Lidl heeft grote ambities op dat vlak, Albert Heijn gaat daar binnenkort concrete stappen in zetten, Jumbo zit op dat pad. Ik deel zijn scepsis dus niet. Ik denk het bij supermarkten wel degelijk op de radar staat en dat ze er ook concrete stappen in zullen gaan zetten.

Het laatste blokje gaat over vogelgriep. Mevrouw Lodders vroeg niet alleen naar die ene maatregel maar ook in zijn algemeenheid welke maatregelen ik ga nemen om de besmettingskans te minimaliseren. Bedrijven zijn er primair zelf verantwoordelijk voor om de diergezondheid te bewaken en om daarop maatregelen te nemen. Daarbij gaat het natuurlijk niet in de laatste plaats om hygiënemaatregelen. Wat doen wij? Wij voeren continu een strikte monitoring uit op vogelgriep. Daarnaast wordt er ook gemonitord en getest op het risico van insleep door wilde vogels. Als er een duidelijke veterinaire reden is, kan ik dus overgaan tot tijdelijk verplicht ophokken. Die reden moet er dan wel zijn. Het is een soort generieke reden. Preventief overkappen: er is onvoldoende reden om dat soort maatregelen te nemen. Als er echter sprake is van bijvoorbeeld een uitbraak of een verhoogd risico, dan is er een goede veterinaire reden voor en kan een dergelijke maatregel genomen worden.

De heer Geurts vroeg of België de grens wel dicht had mogen gooien. Het antwoord daarop is: nee. Dat had niet gemogen. Daar is aan alle kanten inzet op gepleegd. Ook nadien zijn onze zuiderburen daar strikt op aangesproken, niet alleen door ons maar ook door de Europese Commissie, om ervoor te zorgen dat die situatie zich niet herhaalt.

De heer Geurts vroeg wanneer het onderzoek in het kader van de vogelgriep klaar is en we het nieuwe draaiboek kunnen verwachten. Dat draaiboek zal voor de zomer klaar zijn. Alle sectorpartijen worden geconsulteerd en economische aspecten worden, zoals de heer Geurts vroeg, meegenomen bij de afweging van de verschillende maatregelen. Er loopt nog veel onderzoek, waaronder tweejarig onderzoek naar het risico van insleep van vogelgriep. Dat onderzoek zal in 2017 klaar zijn, maar voor de zomer krijgt de Kamer dus het nieuwe draaiboek.

De SP heeft gevraagd om in te zetten op vaccinatie. Als er een vaccin zou zijn, zouden we dat zeker gebruiken. Er is momenteel echter geen vaccin beschikbaar en dat zal er in de nabije toekomst waarschijnlijk ook niet zijn. Ook is er, zoals de Kamer wellicht weet, sprake van verschillende variëteiten.

De SP vroeg ook om pluimvee niet langer te verplaatsen in kratten. Eendagskuikens en ander pluimvee worden volgens de geldende regelgeving vervoerd. De kwaliteit moet geborgd zijn, maar het vervoer vindt dus plaats op basis van de regels die er zijn.

De voorzitter:

Fijn. Dan geef ik het woord aan de minister van Volksgezondheid voor de beantwoording van de vragen die aan haar zijn gesteld.

Minister Schippers:

Voorzitter. Ik laat even achterwege wat er zoal gebeurd is, want ik neem aan dat de leden dat gevolgd hebben. Ik ben heel positief over de urgentie die hier maar ook buiten de Kamer leeft. Ik ben heel positief over de interdepartementale samenwerking maar ook over de samenwerking met de sectoren. Er wordt heel hard aan gewerkt. In de gezondheidszorg behoren we al bij de landen die wereldwijd het minst voorschrijven. Toch is het sinds 2011 gelukt om nog eens 10% verder te dalen met het aantal voorschrijvingen. Twee derde van de voorschrijvingen wordt gedaan door huisartsen en een derde door medisch specialisten. Er wordt dus echt hard aan gewerkt. Dat zie je ook in de veehouderij. Natuurlijk zijn we er nog niet en komen we met vervolgbeleid ten aanzien van de veehouderij, maar er is wel wat gebeurd. Voor de industrie hebben we evident nieuwe businessmodellen nodig. Ook hebben we de inzet op diagnostische tests en de andere landen nodig. Eén poot is nog enigszins onderbelicht, namelijk de milieupoot. Daarin neemt I en M het voortouw. Daarvoor is onderzoek uitgezet, want we weten daar gewoon nog heel weinig van. Die poot moet dus zeker nog bijgetrokken worden.

We gaan uit van een "one health"-benadering. Ik kan mevrouw Lodders geruststellen dat we in de komende Raden natuurlijk inzetten op een zo concreet mogelijk eindpakket. Dat pakket is gericht op een level playing field, maar het is evident dat de noordelijke landen een heel ander beeld laten zien dan de zuidelijke landen. Dus vind ik het belangrijk dat we ook naar peer review kijken. Wij worden bijvoorbeeld door Groot-Brittannië of een Scandinavisch land gereviewd, en Italië wordt door Frankrijk of een ander Zuid-Europees land gereviewd, zodat je je ook kunt verbeteren in je eigen categorie. Het zijn doelen die van heel breed naar smal, dus concreet, gaan. Wij trekken er deze maanden aan om het, met alle landen die daarbij betrokken zijn, zo concreet mogelijk te krijgen. In internationaal verband proberen we het tevens op de agenda van de United Nations General Assembly van aanstaande oktober te krijgen. Daar heeft Nederland inmiddels ook een trekkersrol in.

Mevrouw Lodders (VVD):

De reden van mijn vraag was de teleurstelling over de formulering van het actieplan, naar aanleiding van de agenda voor de Landbouwraad. Dat actieplan komt op ons een beetje vrijblijvend op. Dat zouden lidstaten naast zich neer kunnen leggen. Ik kan mij echter zeer vinden in de toelichting van de staatssecretaris en zeker ook die van de minister, en dus kan ik alleen maar mijn steun uitspreken om op deze manier een vervolg aan deze agenda te geven. Het is namelijk van cruciaal belang om in ieder geval in Europa die voortrekkersrol op ons te nemen.

Minister Schippers:

Het actieplan is een vehikel, waarin we proberen zo veel mogelijk concrete doelstellingen op te nemen. Je kunt wel zeggen: we gaan daar met elkaar hard aan werken. Dat is lekker belangrijk; dat had iedereen allang moeten doen. We proberen echter op veterinair gebied en zorggebied zo concreet mogelijk te zijn. De uitkomst zal moeten blijken uit de uiteindelijke Raadsvaststelling.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb nog een korte aanvullende vraag. Concrete doelstellingen blijven nodig, maar wordt er bijvoorbeeld ook aan gedacht om het verbod op antibiotica als preventief middel op te nemen in een richtlijn? Want dan moeten lidstaten zich er uitdrukkelijk aan houden.

Minister Schippers:

Niet alle landen zien de urgentie zoals wij die zien. Wij proberen zo ver mogelijk te komen. Waar we komen weten we nog niet helemaal zeker en of het lukt weten we ook niet helemaal zeker, maar als je geen duidelijke cijfers of geen echte verboden hebt, moet je het zo dicht mogelijk proberen te benaderen. Ik kan daar nog niet op vooruitlopen. We hebben nog een aantal maanden om daarover gesprekken te voeren.

Dan de zoönosen. Ik merk op dat we honderden zoönosen hebben. Ook zonder veehouderij zouden we nog zoönosen hebben. Het is dus een zaak om heel alert te zijn. Specifieke zoönosen volgen we heel nauwgezet, maar een leven zonder zoönosen kunnen wij niet afkondigen. Wel moet er ontzettend hard aan gewerkt worden om de risico's zo veel mogelijk te mitigeren.

De heer Wassenberg vroeg mij een aantal dingen over hepatitis E; onder andere vroeg hij naar de toename van het aantal hepatitis E-infecties in ons land. Als gevolg daarvan is er in de laboratoriumsurveillance op 12 juni 2015 een deskundigenberaad zoönosen belegd. Uit het onderzoek naar de oorzaak van deze stijging kwam als primaire noodzaak naar voren dat er meer kennis over hepatitis E vergaard dient te worden. Het instellen van een meldingsplicht werd door dit deskundigenberaad niet nodig geacht, omdat hepatitis E momenteel geen zware dreiging voor de volksgezondheid vormt. Ik heb de Kamer die adviezen in juli 2015 gestuurd. In reactie daarop heeft de Kamer mij gevraagd om een plan van aanpak op te stellen. Omdat er nu nog te weinig bekend is over de transmissieroutes van hepatitis E om op het niveau van interventies te denken, heb ik aangegeven dat het nu nog geen tijd is voor een plan van aanpak. Daarvoor moet je namelijk weten waar je moet ingrijpen. Voordat je interventies kunt bedenken, moet je die routes kennen. Daarom hebben we onderzoeken uitgezet, zodat we op basis daarvan kunnen bepalen welke interventies het meest voor de hand liggen.

Er is ook gevraagd naar de stand van zaken van die RIVM-onderzoeken naar hepatitis E. Het ECDC inventariseert de monitoring van hepatitis E in alle lidstaten. Het RIVM voert een prospectieve patiëntcontrolestudie uit met als doel om bronnen en risicofactoren voor acute hepatitis E in kaart te brengen. De looptijd van dit onderzoek is vooral afhankelijk van het aantal nieuwe hepatitis E-patiënten dat wordt gevonden. Uiteraard kunnen we dat niet bespoedigen, want we hopen dat er minder in plaats van meer gevonden worden. Medio 2016 zou er een analyse op de dan beschikbare data uitgevoerd worden. Dan hebben we er hopelijk het eerste zicht op.

In de lopende studie Veehouderij en gezondheid omwonenden van onder andere het RIVM, is bij omwonenden van veehouderijen in Brabant onderzocht of zij antilichamen tegen HEV hebben. Dit zal er inzicht in geven of het wonen in de buurt van varkensbedrijven in het algemeen een risicofactor is voor het geïnfecteerd raken met HEV. Ook de studieresultaten daarvan worden dit jaar verwacht. Ook voert het RIVM samen met Sanquin een onderzoek uit onder plasmadonoren met als doel risicofactoren voor blootstelling aan hepatitis E in Nederland te identificeren. De NVWA inventariseert het hepatitis E-beleid van de voedselketen in andere lidstaten. Er wordt momenteel dus ontzettend veel onderzoek gedaan, om na te kunnen gaan wat er eigenlijk gebeurt en wat we daar vervolgens concreet mee kunnen doen.

Op basis waarvan heeft het Deskundigenberaad Zoönosen (DZB) geconcludeerd dat HEV geen ernstige dreiging voor Nederland vormt, terwijl we het aantal patiënten zien oplopen? Bij gezonde mensen verloopt de infectie bijna altijd asymptomatisch, dat wil zeggen: zonder of met heel milde klachten. Gezonde personen klaren het virus door middel van hun eigen afweersysteem. Het aantal HEV-patiënten is in vergelijking met andere infectieziekten laag: 205 gevallen van HEV in 2014 versus 4.000 gevallen van salmonellose. De mortaliteit ten gevolge van HEV blijkt ook bij immuungecompromitteerde personen laag te zijn.

Hoe kan het dat Engeland en Frankrijk wel een test hebben? Het punt is dat er internationaal diverse testen gebruikt worden. De NVWA en het CIV bekijken welke test het meest betrouwbaar is. Daar hebben wij ook contact over met andere landen. In de brief heb ik geschreven dat wij, zodra wij van de NVWA en het CVI meer duidelijkheid krijgen, de Kamer daarover zullen informeren.

De heer Van Dekken vroeg naar een fonds voor zoönosen. Wij voeren het debat daarover eigenlijk steeds opnieuw. Het is zes tot negen jaar geleden dat we in Nederland een Q-koortscrisis hadden. In de vijf jaar daarna hebben we heel veel gedaan. We hebben er ook veel overleg over gehad in de Kamer. We hebben teruggekeken wat er mis is gegaan, we hebben adviezen gekregen over hoe het voortaan anders moet. We hebben debatten gevoerd over de vraag hoe we met Q-koortspatiënten moeten omgaan en wat de beste oplossing daarvoor is. We hebben met elkaar besloten om daarvoor een fonds op te richten. Met dat fonds willen we mensen daadwerkelijk helpen om hun leven weer op de rit te krijgen en willen we zorg in gespecialiseerde expertisecentra opbouwen. Er is dus echt heel veel gebeurd in die vijf jaar. Het is ook vijf jaar geleden dat de motie over het fonds voor zoönosen is ingediend en vervolgens verworpen. Toen hebben we met elkaar besloten om dat fonds met 10 miljoen in te richten. Ik vind het dus ook in het belang van de patiënten dat we verdergaan in plaats van dat we dit debat telkens heropenen.

Vervolgens hebben we de Stichting Q-support opgericht en daaraan gelden ter beschikking gesteld. We hebben daar ook evaluaties voor ingesteld. Q-support besteedt in haar reguliere bedrijfsvoering veel aandacht aan evaluatie van zowel individuele trajecten als van groepstrajecten. Ik heb toegezegd elk jaar door middel van het jaarverslag van Q-support de Kamer op de hoogte te stellen van de mate van tevredenheid van patiënten over de manier waarop zij door Q-support geholpen zijn. Dat lijkt mij een ongelooflijk belangrijk criterium. Q-support is er voor de patiënten zelf. Zij kunnen dus ook zelf sturen en meebepalen. Dat bepaalt volgens het jaarverslag bij uitstek de mate van tevredenheid. Q-support zal ook komend jaar weer een jaarverslag uitgeven.

Daarnaast is Q-support van plan om later dit jaar een beeld te schetsen van de Q-koortspatiënt anno 2016 aan de hand van inmiddels meer dan 500 patiënten die zich bij Q-support hebben aangemeld, zodat we van die grotere groep een beter beeld krijgen van waar ze nu eigenlijk staan. Daarna kunnen we daar met elkaar over spreken. Dit wordt, ook wat de patiënten betreft, een vorm van eindevaluatie met aanbevelingen voor de komende jaren. Op basis van het beeld en de ervaringen van die 500 patiënten kunnen we kritisch bekijken wat er nog ontbreekt en wat er dus verder nog nodig is. Dat traject zouden we eind dit jaar met elkaar moeten ingaan.

Zowel mevrouw Gesthuizen als de heer Wassenberg heeft naar het waarschuwingsetiket gevraagd. Er is een waarschuwingsetiket voor kip. In een eerder debat met de Kamer heb ik aangegeven dat te laten onderzoeken. Is men daarover tevreden? Dit etiket blijkt positief te worden beoordeeld door de consument en een substantieel deel van de consumenten blijkt zijn keukenhygiëne aan te passen naar aanleiding van de informatie op het etiket. Ook heb ik aangegeven dat ik in gesprek ben met het bedrijfsleven om te bezien welke andere producten voor zo'n etiket in aanmerking zouden kunnen komen. Bij veel andere producten dan kip speelt wel het probleem dat deze gedeeltelijk rauw gegeten worden en dat de huidige waarschuwingsetiketten dus niet van toepassing kunnen zijn. De vraag is hoe je die kunt moderniseren. Het gesprek met het Voedingscentrum en het bedrijfsleven daarover loopt. Hoe kunnen we het etiket dus effectiever maken en wat is, als we het verbreden naar andere producten, relevant om op het etiket te zetten? Daar zal ik, zo zeg ik tegen de heer Wassenberg, ook de aanwijzingen voor besmetting via worst met hepatitis E in betrekken.

Ten aanzien van colistine heeft de staatssecretaris antwoord gegeven.

Voor de voedselveiligheid hebben we een meerjarenstrategie die gericht is op drie sporen. Allereerst maatregelen gericht op het gebied van slachthygiëne; het is met name aan Economische Zaken om dat te intensiveren. Ten tweede bepleiten en agenderen we internationaal een Europese normstelling op resistentie en verdergaande monitoring. Ten derde: voor verdere maatregelen is het belangrijk meer kennis te hebben van voedsel als transmissieroute van resistente bacteriën. Daarom zijn er twee onderzoeken uitgezet bij het RIVM: een bevolkingsonderzoek naar het dragerschap van ESBL-bacteriën bij vegetariërs en een kennisvraag carbapenem. Ten slotte nemen we de overdracht van antibioticaresistente bacteriën via voedsel mee in de algemene voedselveiligheidsvoorlichting aan de consument, omdat keukenhygiëne bijdraagt aan verminderde transmissie. Ik heb al aangegeven te zullen bekijken hoe wij het waarschuwingsetiket op pluimvee kunnen verbeteren.

De heer Graus heeft gevraagd naar de onderzoeken die wij zouden uitzetten naar probiotica en alternatieven voor antibiotica. Die onderzoeken maken ook onderdeel uit van het nieuwe ZonMw-programma. Een van de vier aandachtspunten betreft mechanismen en doelen voor nieuwe antibiotica en alternatieven voor antibiotica. Ook het onderzoek naar diagnoses vind ik cruciaal. Als je namelijk eerst test of je iets waarvoor je antibiotica nodig hebt, wel hebt, heb je antibiotica in een groot deel van de gevallen niet eens meer nodig. Dat is dus ongelooflijk belangrijk onderzoek. Ik kan de heer Graus toezeggen dat ik hem een overzicht zal doen toekomen van wat er allemaal waar loopt. Dat gaat wat mij betreft over alternatieven voor antibiotica en over diagnostische tests. Wij hebben onderzoek uitgezet bij ZonMw maar ook op Europees niveau. Ik zal de heer Graus dus een overzichtsbrief sturen waarin staat wat waar loopt.

Het laatste blokje betreft de verspreiding van resistente schimmels. We hebben daar in de Kamer al eerder een debat over gevoerd. Het gebruik van schimmelwerende middelen, azolen, wordt zeer breed toegepast in gewasbeschermingsmiddelen, biociden, diergeneesmiddelen en cosmetica. Vooralsnog is het onbekend welk gebruik van azolen en welke condities een rol spelen bij het ontstaan en voortbestaan van resistentie. Daarnaast heeft deze problematiek een mondiaal karakter, aangezien de sporen zich gemakkelijk over landsgrenzen en door hogere luchtlagen verplaatsen. De resistente Aspergillus-stammen zijn in veel landen binnen en buiten Europa aangetroffen. Er is dus meer onderzoek nodig naar het ontstaan, het voortbestaan en de verspreiding van die resistente schimmels. Met onderzoek wordt een eerste stap gezet om de verspreiding van resistente schimmels te kunnen aanpakken. Het uiteindelijke doel is om voldoende inzicht te krijgen in de condities die aanleiding geven tot het ontstaan of voortbestaan en de verspreiding van resistente schimmels, zodat gerichte maatregelen kunnen worden genomen.

Wij hebben dus dat gerichte onderzoek lopen naar het verband tussen het huidige gebruik van triazolen en de aanwezigheid van mutaties van schimmel. Daarnaast loopt er een onderzoek naar de vraag of er bronnen zijn waar resistentie zich ontwikkelt. Al die onderzoeken zijn van EZ, I en M en VWS samen. Het RIVM voert dit samen met onderzoekspartners in opdracht van VWS uit. Het onderzoek is in 2015 van start gegaan. Ik heb begrepen dat het onderzoek van het RIVM en Wageningen UR eind 2017 klaar zal zijn. Het kabinet zal alvast een quickscan maken van de mogelijkheden om bij toepassingen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden gebruik te maken van andere middelen, zonder triazolen. De Europese Commissie zal worden verzocht om een internationale routekaart op te stellen om de vermindering en verduurzaming van het gebruik van triazolen te bevorderen. De hoofdrichting van de routekaart zal ons inziens moeten zijn: de monitoring van de resistente schimmel bij medisch gebruik in Europa, te beginnen met het onderzoek naar de bronnen, daaruit preventieve maatregelen afleiden, onderzoek doen naar alternatieve bestrijdingsmethoden en het gebruik stimuleren van nieuwe middelen die geen of minder snel resistentie veroorzaken.

De voorzitter:

Uw interruptie is tevens uw laatste interruptie, mevrouw Gesthuizen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik had in mijn bijdrage gevraagd om een brief met actuele en correcte cijfers over het aantal doden door resistente schimmels. Kan de minister die brief toezeggen?

Minister Schippers:

Ik denk dat dat heel lastig is. Ik heb hier vier pagina's voor me liggen met onderzoeken die zijn uitgezet. In overleg met de Kamer, die daar terecht aandacht voor vroeg, lopen er nu heel wat onderzoeken. We wachten niet tot we de resultaten van alle onderzoeken hebben. We gaan met een quickscan alvast bekijken hoe we de zaken nu al kunnen aanpakken en verminderen. Volgens mij moeten we op een gegeven moment afwachten wat er is uitgezet in plaats van dat we weer een nieuw onderzoek gaan uitzetten.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik heb grote waardering voor het feit dat er onderzoek wordt gedaan, dat de minister erbovenop lijkt te zitten en dat er een quickscan naar alternatieven wordt uitgevoerd. Dat is allemaal prima, maar ik vraag natuurlijk niet om extra onderzoek naar waar het vandaan komt en hoe het precies in elkaar steekt. Ik wil alleen een brief waarin klip-en-klaar staat hoeveel doden er vallen. Daar lijkt me geen heel uitgebreid wetenschappelijk onderzoek voor nodig. Volgens mij is dat gewoon een kwestie van goed registreren.

Minister Schippers:

Die kennis hebben wij niet. Daar moeten wij dus onderzoek naar doen. Je gaat soms met iets dood, maar de vraag is dan of je aan iets doodgaat. Bepaalde mensen zijn hier natuurlijk heel gevoelig en kwetsbaar voor en die hebben vaak ook al andere aandoeningen. Als ik de gegevens had, zou ik ze graag geven, maar wij hebben ze zo niet. Ik zal even vragen hoe moeilijk het is om ze te krijgen. Ik hoor dat er door het RIVM een inschatting is gemaakt die ik met de Kamer zou kunnen wisselen. Dat zal ik doen en dan kunnen we dat eerst bekijken.

Tot slot. Het risico voor de volksgezondheid beperkt zich tot bepaalde risicogroepen die in verhoogde mate vatbaar zijn voor infecties. Dit zijn bijvoorbeeld patiënten met chronische longziekten, patiënten met een sterk verminderde weerstand, zoals patiënten die voor leukemie worden behandeld of een orgaantransplantatie hebben ondergaan. De moeilijkheid is dus dat dit patiënten zijn die al heel gevoelig zijn. Waar ga je dan aan dood: aan de leukemie of aan de schimmel? Uiteindelijk zal het bij elkaar optellen, denk ik. De behandeling van ziekten veroorzaakt door de resistente schimmel is zeer gecompliceerd. Gezonde mensen kunnen sporen van de resistente schimmel bij zich dragen, maar worden daar niet ziek van. Het optreden van een ziekte door Aspergillus fumigatus bij gezonde mensen is zeldzaam.

De voorzitter:

Hiermee zijn we gekomen aan het einde van de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik zie dat we nog enige tijd over hebben. Ik stel voor een korte tweede termijn te doen, met één minuut spreektijd per fractie, zonder interrupties. Het woord is aan de heer Wassenberg.

De heer Wassenberg (PvdD):

Voorzitter. Ik dank beide bewindslieden voor de beantwoording van de vragen. Ik heb nog één aanvullende vraag aan de minister. Ik had gevraagd naar het testen op hepatitis E. De minister zei dat daarnaar wordt gekeken en dat ze nog niet alle gegevens heeft. Ik heb hier een Duits onderzoek van september vorig jaar over verschillende methoden die aan de universiteit van Hannover zijn ontwikkeld. Uiteindelijk wordt van één methode gezegd dat het de beste manier is om hepatitis E-virus in bijvoorbeeld vlees te onderzoeken. Ik stel voor dat er ook goed naar dat onderzoek wordt gekeken. Het zou zonde zijn om al het werk opnieuw te gaan doen, als er al betrouwbare onderzoeksmethoden zijn.

Ik dien een verzoek in voor een VAO, omdat ik moties wil indienen over colistine en over de kalvertransporten, zoals ik al in de eerste termijn heb gezegd.

De heer Van Dekken (PvdA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en de minister voor het beantwoorden van de vragen. De PvdA-fractie is daar redelijk tevreden over. We zullen niet nog eens een keer vragen naar de Wet dieraantallen en volksgezondheid, want de staatssecretaris is nu heel verhelderend en concreet geweest. We waarderen dat zeer. Ik heb hetzelfde verzoek aan minister Schippers als het gaat om …

De voorzitter:

De minister van Volksgezondheid.

De heer Van Dekken (PvdA):

Excuus, de minister van Volksgezondheid. Zij deed min of meer de toezegging om aan het einde van het jaar te bekijken wat we met het hele traject rond de problematiek van de Q-koorts zouden moeten doen. Ik zou het fijn vinden als dat wat concreter wordt, al was het alleen maar omdat de patiënten en de betrokken organisaties op termijn echt duidelijkheid nodig hebben, zo begrijp ik uit mijn contacten daar.

Ik weet niet zeker of de staatssecretaris daar heel concreet over was, maar ik dacht dat hij ons nog inzicht zou geven in de werking van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's. Ik wil weten hoe die regeling loopt, of ze voldoende van kracht is enzovoorts.

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Ook ik dank beide bewindslieden voor de beantwoording en voor de toezeggingen over de UDD-maatregel. Wij kijken met belangstelling uit naar de meibrief over de derde- en vierdegeneratiemiddelen voor de andere sectoren, die op dit moment niet gemonitord worden. Ik vind dat namelijk wel heel belangrijk.

De staatssecretaris geeft aan dat er bij de vogelgriep gemonitord wordt en dat als er veterinaire redenen zijn, hij maatregelen kan nemen. Ik vind het jammer dat ik weer moet uitleggen wat wij precies bedoelen. Ik denk dat ik dat vaak genoeg heb gedaan. Het is van groot belang dat we op voorhand maatregelen achter de hand of in de broekzak hebben. Op het moment dat er een vogelgriepuitbraak is, moet een vrije-uitloopbedrijf een overkapping kunnen maken zonder dat het bedrijf wordt gekort of wordt aangesproken door Europa op die maatregelen. Mijn hartstochtelijke oproep is dus om dat van tevoren te regelen om er zo voor te zorgen dat we de insleep beperken.

Tot slot sluit ik me aan bij een opmerking van de heer Geurts: ook ik zou graag het plan van aanpak van het Diergezondheidsfonds ontvangen.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Geurts. We gaan kijken of hij dat punt nog een keer opbrengt.

De heer Geurts (CDA):

Voorzitter, ik bevestig alvast dat dat gaat gebeuren.

Succes kent vele vaders. Ik vind het wel weer bijzonder dat de politiek brede successen claimt die de veehouderij en de dierenartsen hebben bereikt. Ik zou zowat iedereen willen uitdagen om aan te geven welke wet daaraan heeft bijgedragen. Dat is een retorische vraag, die ik zelf zal beantwoorden: geen enkele wet.

Dank voor de toezegging dat er in de meibrief wordt teruggekomen op de praktische invulling van de UDD-maatregelen. Over rode dierenartsen kunnen we nog heel wat geintjes maken -- met tomaat, zonder tomaat -- maar het gaat mij om de dierenartsen die actief zijn in de veehouderij op bedrijven die een brede problematiek hebben. We moeten ervoor oppassen dat dit soort dierenartsen zo meteen niet aan het kruis genageld worden, terwijl ze gewoon heel goed werk verrichten. Ik roep het kabinet op om daarop te letten. Die dierenartsen kunnen misschien wel in het rode vlak zitten, maar dat kan een heel goede reden hebben, namelijk dat ze heel veel specifieke kennis hebben om deze bedrijven te helpen.

Waar blijft het plan van aanpak voor de wilde zwijnen? Het convenant over diergezondheid is eind april 2015 getekend. We zijn ver over de zes maanden daarna heen. Waar blijft de invulling van artikel 23, lid 1, 2, 3 en volgens mij ook 4?

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. De Gezondheidsraad schrijft op 18 december jongstleden dat fluoroquinolonen en aminoglycosiden volgens de raad alleen therapeutisch bij individuele dieren mogen worden ingezet en dat anders alsnog een algemeen verbod in aanmerking zou komen. Ik vraag de staatssecretaris of dit overeenkomt met de praktijk. Is er een concreet stappenplan om te stoppen met colistine en carbapenems en te zoeken naar alternatieven? Ik zou graag weten wat voor stappenplan de regering daarvoor in haar achterzak draagt.

Volgens mij is mijn vraag over de kuikens verkeerd begrepen. Bij de vogelgriep was er namelijk een vervoersverbod. Wij kregen later berichten dat er door dat vervoersverbod kuikens twee dagen lang zonder eten en drinken in kratten waren opgeslagen, om het heel cru te zeggen. Ik wil graag een toezegging van de staatssecretaris dat hij alles op alles gaat zetten om dat soort wantoestanden te voorkomen.

Ik heb een heel korte opmerking over de preventieve inenting tegen mond- en-klauwzeer. De staatssecretaris zegt dat er eigenlijk alleen ingeënt wordt bij een uitbraak. Ik begrijp dat de reden om dat niet preventief te doen de export naar de VS is. Klopt dat inderdaad? Wat dat betreft kijk ik toch met een schuin oog naar de ontwikkelingen op het gebied van TTIP.

Helemaal tot slot …

De voorzitter:

U bent al over uw tijd heen. Nog één laatste vraag.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik dank de minister voor haar toezegging voor de brief over schimmels. Ik begrijp dat er een waarschuwing op de verpakking van kip staat. Dat is heel mooi, maar ik denk wel dat vooral mensen die daar alert op zijn er tevreden over zullen zijn. Andere mensen zijn mogelijk minder tevreden, want die zien het misschien niet. Wanneer is het onderzoek dat de Kamer heeft aangekondigd klaar en wanneer wordt de Kamer daarover geïnformeerd?

De heer Graus (PVV):

Voorzitter. Ik kreeg wat sms'jes van dierenartsen in het land. Zij vinden dat ik de regering had moeten verlokken om toe te geven dat de alternatieven die ik allemaal heb genoemd, gewoon werken. De dierenartsen weten dat, want zij werken ermee. De meeste sms'jes zijn heel leuk en de sms'jes die wat minder positief zijn, zal ik achterwege laten.

Ik wil zowel de staatssecretaris van Economische Zaken als de minister van Volksgezondheid hartelijk danken voor de toezeggingen. Ik zal het team van de staatssecretaris bilateraal aandragen bij welke producten de indieners en de dierenartsen tegen muren aanlopen.

Ik wil de minister van Volksgezondheid danken voor het feit dat zij al jarenlang het belang van dierenwelzijn en volks- en diergezondheid altijd boven partijpolitiek stelt. Daarom vind ik haar een van de beste ministers. Niet alleen daarom; ook als mens, maar ook zeker als minister.

De voorzitter:

Het is heel erg, maar uw tijd is nu wel om.

De heer Graus (PVV):

Ik heb nog één verzoek, mede namens de heer Geurts. Hij vroeg: moet er niet een keer een oefening plaatsvinden met het afzetten van zo'n gebied, met bijvoorbeeld de politie? Ik zou dat liever met het leger doen, maar misschien heeft de staatssecretaris liever de politie. Dat was een heel goed voorstel van de heer Geurts.

De heer Geurts (CDA):

Kleine nuance: ik bedoelde een oefening met de staatssecretaris. Dat gebeurt natuurlijk altijd midden in de nacht. Het lijkt me dus goed om die oefening te doen. Ik heb ook nog iets met de wintertijd; misschien kunnen we dat op hetzelfde moment doen.

De voorzitter:

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Het woord is aan de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Minister Schippers:

Voorzitter. Ik dank de heer Wassenberg voor de kopie van het onderzoek die hij ons gegeven heeft. Wij hebben internationaal contact, maar ik zal dit expliciet onder de aandacht brengen bij de betrokkenen.

De heer Van Dekken vraagt wanneer specifiek de Kamer duidelijkheid krijgt over de Q-koorts. Ik kan hem toezeggen dat we nu bezig zijn met het grote onderzoek bij die 500 mensen. Dat wordt aan het eind van het jaar aangeboden. Ik zal het dan met een brief met een kabinetsreactie naar de Kamer sturen, zodat wij hier met elkaar kunnen spreken over de vraag of we dit goed vinden, waar er nog hiaten zijn en op welk gebied we nog wat zouden kunnen doen. De Kamer kan dat moment aangrijpen om daarover te spreken.

Mevrouw Gesthuizen vroeg wanneer het overleg over het etiket klaar is. Wij vragen dat niet alleen aan hoogopgeleide, zeer bewuste mensen die weten wat ze eten, maar wij vragen het breeduit. De consumenten beoordelen het positief. In de loop van het jaar zal ik komen met een voorstel voor een nieuw etiket. Als dat voorstel er is, kan ik dat nog niet op het vlees plakken, want dat nieuwe etiket moet eerst naar Brussel voor notificatie.

Staatssecretaris Van Dam:

Voorzitter. De heer Van Dekken vroeg nog naar inzicht in de werking van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring dierziekten en zoönosen en TSE's. De oorsprong van de regeling is de MKZ-uitbraak in 2001. Het doel van de regeling is het voorkomen en het verminderen van de risico's op de introductie en de verspreiding van besmettelijke dierziekten. De heer Van Dekken vroeg of er inzicht is in de vraag of men zich daaraan houdt. De NVWA houdt toezicht op die regeling en geeft jaarlijks een overzicht van de geconstateerde overtredingen. Daar is dus inzicht in.

Mevrouw Lodders vroeg naar de vogelgriep. Ik begrijp haar nu wel juist. Haar vraag was of je de overkapping als tijdelijke maatregel mag invoeren op het moment dat er een uitbraak is of dreigt. Het zit als volgt. Je mag natuurlijk altijd je dieren tijdelijk binnenhouden, maar niet langer dan een bepaald aantal weken, want anders raak je de status van vrije uitloop kwijt. Er zijn gesprekken met de Europese Commissie over welke extra preventieve maatregelen eventueel mogen worden genomen. De Europese Commissie vindt dat overkappen in ieder geval niet langer mag dan de termijn van weken die er staat om je status te behouden. Als je de dieren langer dan dat x-aantal weken moet ophokken, raak je de status van vrije uitloop kwijt. Dat heeft natuurlijk meteen consequenties voor de opbrengsten van het bedrijf. De Europese Commissie wil ook niet in overweging nemen om een afdak of een tijdelijk dak uit te zonderen van deze bepalingen. Wat wel mag, is het spannen van een net. Daar was zelfs een subsidieregeling voor, maar daar is helemaal geen gebruik van gemaakt. Dat voldeed dus kennelijk niet aan de behoefte. Je hebt als ondernemer de vrijheid om je kippen een tijdje binnen te zetten, maar niet langer dan de termijnen die daarvoor staan, omdat je anders de status kwijtraakt. De Europese Commissie biedt helaas niet de ruimte die mevrouw Lodders voor ondernemers vraagt.

Mevrouw Gesthuizen stelde een aantal vragen over verschillende middelen. Ik heb eerder gezegd dat het gebruik van de fluoroquinolonen nagenoeg tot nul gereduceerd is. Bij colistine is de inzet om het gebruik verder te verminderen, zowel nationaal als Europees. Ik heb in de eerste termijn aangeven dat we al een reductie van 67% hebben gerealiseerd en dat we nog verder terug willen. Er wordt nu gewacht op een advies van de EMA om op basis daarvan richting te kunnen geven aan de verdere reductie. De carbapenems zijn niet toegelaten voor gebruik bij dieren en worden dus ook niet gebruikt in de veehouderij.

Mevrouw Gesthuizen vroeg ook of het klopt dat er alleen bij uitbraak tegen MKZ wordt ingeënt in verband met de export naar de VS. Dat klopt niet. Er zijn te veel verschillende types van het MKZ-virus in omloop om preventief te kunnen vaccineren. Pas bij een uitbraak wordt duidelijk om welk type virus het gaat en dan kun je bepalen welk vaccin je moet gebruiken. Het is dus niet om exportredenen, maar omdat het anders niet effectief is.

De heer Geurts kwam terug op zijn vragen over het convenant diergezondheid en het plan van aanpak dat daaruit moet volgen. Hij suggereerde in eerste termijn dat daaruit volgt dat de nulstand per se moet worden gehandhaafd. Dat is niet zo. Er is afgesproken dat er in het plan van aanpak zal worden ingegaan op de handhaving van de nulstand. Dat staat in artikel 23, lid 2, zeg ik tegen de heer Geurts, aangezien hij het nu opzoekt. Er is in het convenant afgesproken dat er een plan van aanpak moet worden opgesteld. Daarover wordt overlegd met de provincies. Dat gaf ik in de eerste termijn ook aan. Er wordt ook over gesproken met de POV. Precies dit punt is een van de discussiepunten, namelijk of het nog reëel is om de nulstand te handhaven, ook gelet op de uitbreiding van de wildzwijnstand in Limburg en Brabant. Ik heb ook gezien dat de partijgenoten van de heer Geurts in Brabant zich al langere tijd inzetten voor het afschieten van wilde zwijnen. Men wil daar de populatie tot nul reduceren, zo vernam ik uit de media. De inzet was ook steeds om buiten de Veluwe een nulstand te behouden, maar de populatie is dermate uitgebreid dat het de vraag is of dat nog realistisch is. Dat is een van de discussiepunten.

Het tweede punt is dat we hebben afgesproken dat we het plan van aanpak opstellen om welzijnsproblemen bij varkens na uitbraak van een besmettelijke dierziekte te voorkomen. Daarover vindt op onderdelen nog discussie plaats. Er is op onderdelen ook nog discussie over de vraag hoe het plan van aanpak eventuele economische nadelen ondervangt voor bedrijven waarvan de dieren zijn gevaccineerd. Dat zijn de redenen waarom het plan van aanpak er nog niet is. We zijn er onderling gewoon nog niet uit. Het is niet iets wat wij eenzijdig opleggen, maar iets waarover we overleggen met de sector; ik meen dat ook de heer Geurts dat altijd zeer waardeert. Zodra we het met elkaar eens worden, kunnen we het plan van aanpak opstellen, maar we zijn nog niet zo ver. Het klopt dat het eigenlijk binnen zes maanden had gemoeten, maar de discussie is in die zes maanden niet beslecht.

Mevrouw Gesthuizen heeft gevraagd naar de kuikens. Het is natuurlijk niet goed dat er vorige keer door het vervoersverbod kuikens twee dagen in kratten zaten. Het is de verantwoordelijkheid van de sector om zorg te dragen voor het welzijn van de dieren, ook tijdens een uitbraak. Zij moeten dat dus doen en zijn ervoor verantwoordelijk.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik heb nog een vraag naar aanleiding van het antwoord over de antibiotica. Begrijp ik goed dat de staatssecretaris zegt dat we dat zo weinig inzetten dat het overeenkomt met het advies van de Gezondheidsraad om het alleen therapeutisch bij individuele dieren in te zetten? De staatssecretaris zegt ook dat we wachten op het advies van de EMA. Wanneer wordt dat advies verwacht en wanneer wordt de Kamer daarover geïnformeerd?

Staatssecretaris Van Dam:

Het gaat om de twee middelen, waarbij wij ons beiden liever niet wagen aan de precieze uitspraak en waarvan de Gezondheidsraad inderdaad heeft geadviseerd om het gebruik te reduceren. Het gebruik van beide derde- en vierdegeneratiemiddelen is in de veehouderij al tot nul gereduceerd. Het wordt dus zelfs niet alleen therapeutisch ingezet, maar het wordt gewoon niet ingezet. Je zou dus kunnen zeggen dat we een verdergaande reductie hebben gerealiseerd dan de Gezondheidsraad had geadviseerd.

Het advies van de EMA wordt voor de zomer verwacht.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voor de zomer van 2016?

Staatssecretaris Van Dam:

Zeker. Er zijn nog heel veel zomers, die we hopelijk allebei nog gaan meemaken, maar het gaat wel om de aankomende zomer.

De voorzitter:

Hiermee zijn wij aan het einde van de tweede termijn van de zijde van de regering gekomen. Er zijn een zevental toezeggingen gedaan.

- In mei ontvangt de Kamer een brief over het vervolgbeleid voor antibioticagebruik in de dierhouderij. In deze brief zal ook worden ingegaan op de resultaten uit de survey van de Autoriteit Diergeneesmiddelen over het gebruik van antibiotica bij huisdieren.

- In mei ontvangt de Kamer informatie over de Wet dieraantallen en volksgezondheid en over hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt ten opzichte van de Omgevingswet.

- De staatssecretaris van Economische Zaken zal de vraag van het lid Lodders over het enten van kuikens tegen NCD schriftelijk beantwoorden.

- Voor de zomer ontvangt de Kamer het nieuwe draaiboek voor vogelgriep.

- De minister van VWS zal de Kamer een overzichtsbrief sturen over de onderzoeken op het gebied van alternatieven voor antibiotica.

- De minister van VWS zal tevens de Kamer informeren over de inschatting van het RIVM over de effecten van resistente schimmels op de volksgezondheid.

- De Kamer ontvangt het onderzoek naar Q-koorts bij mensen van de minister van VWS, met kabinetsreactie.

Er is een VAO aangevraagd door het lid Wassenberg. Dat is dus een VAO met als eerste spreker de Partij voor de Dieren.

Ik zie dat mevrouw Lodders nog een punt van orde heeft.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb een vraag. Wanneer kunnen we de beantwoording van de vragen over NCD tegemoet zien? Als het enigszins kan, maar dan kijk ik ook in de richting van de heer Wassenberg, zou ik die graag voor het VAO beantwoord zien. Misschien zou anders het VAO een week later gepland kunnen worden.

Ik hoop overigens dat het een draaiboek is tegen in plaats van voor vogelgriep.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de staatssecretaris. We passen de tekst over het draaiboek aan.

Staatssecretaris Van Dam:

Het lukt om die vraag te beantwoorden voor het VAO, als u het VAO in ieder geval niet meteen komende week inplant. Als u een weekje wacht, geeft dat ons de mogelijkheid om te antwoorden.

Het is inderdaad een draaiboek voor de bestrijding van vogelgriep.

De voorzitter:

Voor de zekerheid noteer ik dan: binnen twee weken. Ik dank de minister, de staatssecretaris en de collega's.