Bijdrage Wassenberg AO Behan­del­voor­behoud: Mede­deling over hormoon­ver­sto­rende stoffen


26 september 2016

Bijdrage Wassenberg AO Behandelvoorbehoud: Mededeling over hormoonverstorende stoffen

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. De Europese Commissie heeft de wettelijke verplichting om de volksgezondheid en de gezondheid van planten en dieren te beschermen tegen hormoonverstorende stoffen. Dat doet ze al sinds 2013. Dat moet gebeuren aan de hand van criteria die gebaseerd zijn op gevaren voor het hormonale systeem, gevaren voor de groei, ontwikkeling en reproductie van de mens. Vooral ongeboren baby's blijken erg kwetsbaar te zijn. Een heel kleine verandering in de hormoonbalans kan voor hun ontwikkeling al grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld voor hun latere intelligentie. Nu, drie jaar te laat, komt de Commissie met criteria die niet op gevaren maar op risico's voor groepen zijn gebaseerd. Daarmee overtreedt de Commissie opnieuw de wet die ons voorschrijft dat er in 2013 criteria hadden moeten zijn die op gevaren gebaseerd zijn. In het voorstel van de Commissie, waarin de criteria dus niet zijn gebaseerd op gevaren maar op risico's, vallen de zeer schadelijke effecten van hormoonverstoorders op bijvoorbeeld ongeboren kinderen weg tegen de veel minder grote risico's voor ouderen, die minder kwetsbaar zijn. Risico's voor kwetsbare groepen worden doorgaans weggestreept als andere groepen minder kwetsbaar blijken. De gevaren worden zo verhuld, maar ze zijn er nog wel en ze zijn ook heel groot. Hormoonverstorende stoffen kunnen de mens, maar — als ze in de natuur terechtkomen — ook de ecosystemen bedreigen. Is het kabinet bereid om de Commissie duidelijk te maken dat dit voorstel zo snel mogelijk vervangen moet worden door een voorstel dat is gebaseerd op criteria die wel de volksgezondheid en het milieu beschermen? Dat zijn dus criteria die gebaseerd zijn op gevaren en niet op economische motieven. Ik krijg hierop graag een reactie van de staatsecretarissen, want met deze implementing act verzwakt de Europese Commissie de basiswetgeving, wat volgens mij niet overeenkomstig de wet is.

Bovendien heeft de Commissie de definities van hormoonverstorende stoffen van de Wereldgezondheidsorganisatie gewijzigd, waardoor er nu opeens sluitend bewijs geleverd moet worden voor het gevaar van een bepaalde hormoonverstorende stof. Dat is in strijd met het voorzorgsbeginsel. Zijn de staatssecretarissen dat met mij eens? Bovendien mogen bewezen hormoonverstoorders op de markt blijven als die blootstelling minimaal is. Dan heb je het toch weer over risico's. Maar die minimale blootstelling kan nog steeds een heel groot gevaar opleveren. Kunnen de staatssecretarissen dat bevestigen? Die uitzonderingen zouden er dus uit moeten.

Een ander belangrijk punt: er moet op z'n minst ook een categorie van potentieel hormoonverstorende stoffen toegevoegd worden. Zo niet, dan heeft de EU maar kennelijk ook het kabinet niet echt afscheidgenomen van het voorzorgsbeginsel. In 2013 bleek dat de Europese Milieucommissie al ver gevorderd was met het opstellen van op gevaren gebaseerde criteria. Dat conceptrapport is onder druk van de industrie in een la verdwenen tot het uitlekte. Ik heb het rapport kunnen inzien; ik denk dat meer woordvoerders dat hebben gedaan. De criteria die hierin worden voorgesteld, geven een veel betere bescherming van mens en milieu. Zijn de staatssecretarissen bereid om dit rapport mee te nemen en de Commissie te vragen om met deze criteria uit het conceptrapport van 2013 verder te gaan?

Interrupties bij andere partijen

De heer Geurts (CDA): (…) Daarnaast wil het CDA dat stoffen worden beoordeeld op basis van risico. In de risicoanalyses moet worden gekeken naar de stofeigenschappen en de blootstelling. Die zouden de basis moeten vormen voor toelating. Zijn de staatssecretarissen dit met mij eens? Zouden er geen criteria moeten komen voor gevaarkarakteristieken?

De heer Wassenberg (PvdD):
De heer Geurts zegt dat er gekeken moet worden naar de risico's, maar weet hij dat je dan een grote groep bekijkt? Weet hij dat die hormoonverstorende stoffen met name heel gevaarlijk zijn voor ongeboren kinderen en voor heel kleine kinderen, omdat hun hele lichamelijke en geestelijke ontwikkeling onder invloed staat van normale hormonen, die door die stoffen worden verstoord? Op het moment dat je die groep op één grote hoop veegt met oudere personen, raak je het zicht kwijt op de desastreuze gevolgen voor die kleine kinderen. Dat is het grote gevaar van risicobeoordeling. Je moet naar de gevaren kijken.

De heer Geurts (CDA):
Ik snap wat de heer Wassenberg hier probeert te betogen, maar ik zal een simpel voorbeeld geven. Vitamine D3 komt voor in vitaminepillen voor kinderen en in rattengif. Voor deze stof zouden wij bij rattengif, een biocide, een heel groot dossier gaan oprichten, maar bij vitaminepillen voor kinderen zou er niks aan de hand zijn; die kunnen gewoon worden toegediend. Als deze regelgeving en deze richtlijnen zo worden doorgezet, zal elke stof een politiek besluit vergen. Het kan toch niet zo zijn dat we vitamine D3 in vitaminepillen voor kinderen wel toestaan maar we bij rattengif zo'n uitgebreide procedure gaan toepassen?

De heer Wassenberg (PvdD):
Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ik zei dat bepaalde hormoonverstorende stoffen heel erg gevaarlijk zijn voor kinderen en de ontwikkeling van ongeboren kinderen remmen. Dat heeft later effect op hun IQ; daar kom je soms pas vijftien of zestien jaar later achter. Omdat de effecten op volwassenen veel kleiner zijn — de heer Geurts en ik kunnen er veel beter tegen, want onze hersenen zijn uitontwikkeld; voor een groot deel tenminste — raak je de effecten op de kinderen kwijt als je een grote groep bekijkt. Dat moeten we dus niet doen. We moeten kijken naar de gevaren en niet naar de risico's.

De heer Geurts (CDA):
De opmerking dat onze hersenen zijn uitontwikkeld vraagt bijna om een grapje gezien de situatie van gisteren, maar dat ga ik niet doen. Ik denk dat er goed bekeken moet worden wat een gevaar is en wat een risico is. Ik heb hier een mooi staatje met gevaar en risico. Ik wil het daar graag nog eens over hebben met de heer Wassenberg. Hij gaat voor de gevaarregelgeving, wij als CDA gaan voor de risicoregelgeving. Die gaat in wat meer stappen, maar biedt wel de kans om bepaalde dingen toe te staan. De heer Wassenberg wil vitamine D3 gewoon niet meer toestaan.

Beantwoording door de staatssecretarissen van Economische Zaken en van Infrastructuur en Milieu:

Staatssecretaris Van Dam:
(…)Ik bespeur bij de Kamer nog wel een wisselende perceptie over hetgeen nu daadwerkelijk op tafel ligt. Laat ik proberen om daar enige helderheid in te scheppen aan de hand van de vragen van de heer Geurts. De heer Geurts zei dat het goed zou zijn als er sprake was van een risicobenadering in plaats van een gevaarsbenadering, terwijl andere Kamerleden in dit voorstel juist meenden te lezen dat er sprake is van een risicobenadering in plaats van een gevaarsbenadering. De heer Geurts heeft het in dit geval goed gezien. De Commissie hanteert een gevaarsbenadering. Dat betekent dat stoffen worden beoordeeld op hun hormoonverstorendheid. Als het aannemelijk is dat stoffen hormoonverstorend zijn, mogen ze niet worden toegelaten op de markt en is het verboden om ze te gebruiken. De heer Geurts vroeg naar de criteria die de Commissie voor de gevaarbeoordeling zou moeten opstellen. Dat is nu net wat de Commissie met dit voorstel doet. De Commissie hanteert de definitie van de WHO, die een-op-een wordt overgenomen. Op basis daarvan wordt bepaald of een stof al dan niet hormoonverstorend is. We willen van de Commissie nog duidelijkheid in de vorm van richtsnoeren, zodat we precies kunnen zien op welke manier de beoordeling tot stand komt. Op die manier kunnen we ook duidelijkheid krijgen over de impact van de uitwerking die nu op tafel ligt. De criteria waar de heer Geurts om vraagt, zitten dus al in dit voorstel.

(…) In de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen staat dat er sprake moet zijn van een verwaarloosbare blootstelling. De mate van blootstelling zegt echter niet alles en is niet doorslaggevend. Je moet die combineren met de intrinsieke werking van de stof. Als je die twee dingen combineert, kun je bepalen hoe groot het risico is dat mensen lopen. Het draait dus om het verwaarloosbare risico. De Commissie trekt de uitzonderingsclausule uit de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen gelijk met die uit de Biocidenverordening, zodat ook daarin sprake is van een verwaarloosbaar risico. De gevaarsbenadering is en blijft echter de hoofdbenadering van de Commissie. Dat betekent dat als een stof gevaarlijk is of als het aannemelijk is dat die gevaarlijk is vanwege de hormoonverstorendheid, die stof per definitie verboden is. Alleen als je kunt bewijzen dat er sprake is van een verwaarloosbaar risico, kun je het middel toch toegelaten krijgen, ondanks het verbod.

(…)
De heer Wassenberg (PvdD):
De staatssecretaris zei dat de criteria gebaseerd zijn op het mogelijke gevaar. Als er echter sprake is van verwaarloosbare risico's, is toelating toch mogelijk. Ik heb problemen met dat achterdeurtje. Ik heb net al gezegd dat de risico's gebaseerd zijn op groepen. Als je een heel grote groep hebt, bijvoorbeeld een menselijke populatie van 100.000 mensen, zitten daar ook zuigelingen, ongeboren kinderen en een heleboel ouderen bij. De risico's voor ouderen zijn misschien niet zo groot, omdat zij er minder gevoelig voor zijn. Maar de heel kleine en bijna verwaarloosbare effecten op kinderen zijn in feite helemaal niet verwaarloosbaar. Als je alleen grote groepen bekijkt, verlies je de kwetsbare groepen uit het oog. Ik heb echt problemen met dat achterdeurtje.

Staatssecretaris Van Dam:
Bij de vaststelling van het verwaarloosbare risico is het aan de aanvrager zelf om bewijs te leveren dat er een verwaarloosbaar risico is voor alle groepen die eventueel aan de stof worden blootgesteld. Ik herken het doembeeld van de heer Wassenberg niet zo, omdat juist bewezen moet worden dat het risico verwaarloosbaar is voor iedereen die ermee in aanraking komt. Wat mij betreft valt daar eigenlijk niet zo heel veel meer aan toe te voegen.

(…) In reactie op de heer Wassenberg zeg ik dat ik denk ik voldoende ben ingegaan op de gevaarbenadering versus risicobenadering. Hij vroeg daarnaast of ik het uitgelekte rapport, zoals hij dat noemde, uit 2013 wil meenemen in de beoordeling. Mij gaat het om het voorstel dat de Commissie doet voor de criteria. Zij neemt de definities van de WHO een-op-een over. De heer Wassenberg suggereerde volgens mij dat die zouden zijn aangepast. Dat is niet het geval. De definities worden een-op-een overgenomen, maar het vergt nog nadere richtsnoeren om te zien hoe de Commissie de zogeheten biologische aannemelijkheid precies zal beoordelen. Ik neem alle beschikbare info mee in de beoordeling, net zo goed als de Kamer dat doet. Enkele leden hebben al aangegeven dit dossier goed te zullen volgen.

(…) De voorzitter:
Dank u wel. Er zijn nog interrupties van de heer Wassenberg en de heer Geurts. Mevrouw Ko?er Kaya gaat de vergadering zo dadelijk verlaten. Dat heeft niet te maken met desinteresse maar met een andere, zware verplichting.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik heb toch nog even een vraag over het wel of niet veranderen van de criteria. De brief van Frankrijk, Denemarken en Zweden is al een paar keer ter sprake gekomen. Die landen schrijven dat alleen de stoffen waarvan bewezen is dat ze effect kunnen hebben als hormoonverstorende stof, worden bekeken, maar dat daarmee heel veel potentieel gevaarlijke stoffen buiten de boot vallen omdat het onderzoek heel lang duurt. Het gevaar is dat de effecten van die stoffen pas bekend worden als het eigenlijk al te laat is. Zo schrijven ze het letterlijk. De landen schrijven ook dat bisfenol A, waarvan we allemaal weten dat het een hormoonverstorende stof is, volgens de nieuwe criteria buiten de boot zou vallen. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren of is dat misschien een vraag voor zijn collega?

Staatssecretaris Van Dam:
De heer Wassenberg snijdt inderdaad precies het punt van kritiek aan dat ook wij hebben op het voorstel. Daar zal mevrouw Dijksma meer over zeggen. Het klopt echter niet dat een stof alleen als hormoonverstorend wordt aangemerkt als daar sluitend bewijs voor is. De Europese Commissie gaat juist, met onze instemming, uit van aannemelijkheid dat sprake is van een hormoonverstorende werking.