Bijdrage Wassenberg aan debat over dier­proeven


21 april 2022

Voorzitter, ik begin dit debat met een persoonlijk verhaal.

Als student biologie heb ik veel met proefdieren gewerkt: met ratten, met vissen. Lang niet elk experiment leidde tot zinnige uitkomsten. En ik kon niet wennen aan het dierenleed. Voor mij was het gebruik van proefdieren reden om afscheid te nemen van het lab en me in te zetten voor dieren. En nu bij dit debat over proefdieren, moet ik zeggen dat er in al die jaren helaas weinig veranderd is. Nog steeds worden er veel dierproeven gedaan en nog steeds zijn de meeste niet nodig en niet nuttig. Het proefdiergebruik daalt al jaren niet meer structureel.

Voorzitter, laten we vandaag met zijn allen uitspreken dat wij, de Tweede Kamer en de regering, alles op alles gaan zetten, om deze kabinetsperiode wel die daling van het aantal proefdieren in gang te zetten en de transitie naar dierproefvrij onderzoek gaan versnellen. De geschiedenis laat zien dat dat kan.

Zoals in de jaren ‘80. De wet op de dierproeven uit 1977 verbood een dierproef als daar ook een alternatief voor bestond. Dat artikel staat overigens nog steeds in de wet, artikel 1d. En het werkte in de praktijk. Nieuwe technieken zorgden ervoor dat proefmuizen konden worden vervangen door reageerbuizen. Het aantal dierproeven halveerde in een paar jaar. En de wetenschap floreerde.

Laten wij als Kamer, samen met de regering, opnieuw voor zo’n doorbraak zorgen.

Ik wil daar vandaag een voorstel voor doen. Artikel 1d van de Wet op de dierproeven zegt dus dat een dierproef alleen mag als er geen alternatieven zijn. In de praktijk is het zoeken naar alternatieven echter een zeer tijdrovende zaak en dit wordt daarom vaak niet of veel te weinig gedaan. Maar dat betekent dat de onderzoeker dus niet aan de wet voldoet. Dat is op zich al een punt van zorg, maar het is ook niet goed voor de kwaliteit van het onderzoek.

Want een grondige voorstudie betekent beter onderzoek en minder kans op mislukking. Zo’n vooronderzoek is een systematic review, een grondige literatuurstudie, maar dat kost al snel enkele maanden en kost dus tijd en dus geld. Onderzoekers slaan deze stap daarom vaak over, met alle gevolgen van dien.

Voorzitter, op dit moment wordt er door SYRCLE, ik heb daar in het vorige debat eind 2020 ook al over gesproken, een project opgezet om kunstmatige intelligentie in te zetten om internationale databases te doorzoeken op alle relevante info over vervangende alternatieven. Als dat loopt, kunnen onderzoekers in een paar seconden 35 miljoen wetenschappelijke publicaties hierop doorzoeken. Dat levert een schat aan informatie op. Eerder kostte dat maanden. Dat betekent dus beter onderzoek, minder proefdieren en minder tijd. Win-win-win.

Het enige nadeel: het systeem is nog in ontwikkeling, het is al bewezen effectief voor de huid, maar nog in ontwikkeling voor andere vakgebieden.

We zouden die ontwikkeling als overheid flink kunnen stimuleren met een eenmalige en relatief geringe investering. Dit is een belangrijke manier om wetenschap te verbeteren en proefdiergebruik te verminderen. En het geeft onderzoekers de mogelijkheid om zich gemakkelijk aan artikel 1 van de Wet op de dierproeven te houden. Nog even voor de duidelijk: dat artikel is geen advies, het is een PLICHT. Als dit systeem snel en effectief geïmplementeerd wordt, kunnen alle onderzoekers dit binnen afzienbare tijd gebruiken, maar hiervoor is onze steun nodig. Ik vraag de ministers daarom contact op te nemen met de betrokken hoogleraar die leidinggeeft aan dit project om te kijken deze ontwikkeling een vliegende start kan krijgen. Dat versnelt de transitie naar proefdiervrij onderzoek die we allemaal willen. En het levert beter onderzoek op. Graag een reactie. Ik wil daar eventueel een motie over indienen.

Er is nog een reden om snel goed onderzoek te doen naar alternatieven die vaak beter vertalen naar de mens. Steeds meer wordt duidelijk dat de vertaling van dierproevenonderzoek naar de mens bitter weinig oplevert.

Brits onderzoek kwam tot de conclusie dat ca. 90% van alle medische dierproefonderzoek nutteloos is. Een Leidse hoogleraar diabetologie noemde dierproeven ‘de grootste leugen uit de biomedische wetenschap.’

Ook de Centrale Commissie Dierproeven en het Nationaal comité advies dierproevenbeleid stellen vraagtekens over de vertaalbaarheid van dierproeven naar de mens. Het Nationaal Comité adviseert om dierproeven die weinig voorspellende waarde hebben te diskwalificeren. Wat gaat de minister met deze aanbeveling doen?

Tot slot, voorzitter, nog een vraag aan de minister van OCW. Over het apenonderzoek in het BPRC. In 2016 nam de Kamer unaniem een motie aan om het primatenonderzoek naar niet-levensbedreigende ziekten uit te faseren. De ambtsvoorganger van de minister gaf daar een eigen draai aan door het BPRC te vragen om een plan te maken om de fokkolonie met 40% terug te brengen. Ik zie daar nog weinig van. Kan de minister ons een update geven?