Bijdrage Vestering aan debat over het Nationaal Stra­te­gisch Plan (NSP)


8 december 2021

Voorzitter, vandaag hebben we het over plannen voor de landbouw die lopen tot 2027. Nog ruim vijf jaar. Wat had ik graag willen zeggen dat het Nationaal Strategisch Plan daadwerkelijk strategisch is ingezet. Dat het bijdraagt aan de broodnodige transitie van een failliet landbouwsysteem naar een toekomstbestendige landbouw die samenwerkt met de natuur. Die dieren niet georganiseerd veel leed aandoet en waarbij boeren zelfstandig een goed inkomen kunnen verdienen. Zonder honderden miljoenen subsidies.

Maar voorzitter, we zien opnieuw meer business as usual. Als je doet wat je altijd deed, krijg je wat je altijd kreeg.

Dat we niet langer op deze manier door kunnen gaan, en dat verandering nodig en onontkoombaar is, lijken nu ook de coalitiepartijen zich te realiseren. Tijdens de begrotingsbehandeling werden we vooral getoetst op ons geduld: wacht nu maar, er komt een groot landbouwpakket aan, in het nieuwe coalitieakkoord.

Maar, voorzitter, er komen óók nieuwe Europese landbouwsubsidies aan. Bijna 4 miljard euro gaat er in de komende vijf jaar aan Europese subsidies naar de Nederlandse landbouw. Bijna 800 miljoen euro per jaar.

En die landbouwsubsidies kunnen ingezet worden om de landbouwtransitie te financieren. De transitie die er toch gaat komen. Eigenlijk is elke euro uit deze subsidiepot die níet besteed wordt aan de transitie, gestolen uit onze eigen portemonnee. Want die zullen we van onze nationale begroting moeten halen.

Maar in plaats daarvan hebben de coalitiepartijen besloten om 70% van het Europese budget uit te blijven geven aan de directe inkomenssteun voor boeren, de eerste pijler van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. En dat stapsgewijs: we beginnen zelfs bij 85% van het budget, in 2023. Voor zo ver het groene verhaal dus. We blijven gewoon doorgaan op de oude, destructieve weg en verpakken het met een mooi groen lintje eromheen, in de vorm van een eco-regeling.

Want die 85% van het budget is vooral een productiesubsidie: een premie voor boeren op basis van het aantal hectares van hun land. Maar door de zwakke positie van de boer in de keten heeft die inkomenssteun de boer niks gebracht. Het enige resultaat is dat de boer verder uitgeknepen kan worden door de voedselindustrie, en nu tot onder de kostprijs z’n producten moet verkopen.

In de discussie over de verschuiving van directe inkomenssteun naar meer duurzame interventies, heeft het Interprovinciaal Overleg zich van zijn meest conservatieve kant laten zien. Bij de minister hebben de provincies gepleit voor het behoud van 85% van het budget voor directe inkomenssteun.

Maar dat standpunt is nooit afgestemd met de Provinciale Staten, blijkt uit de brief die we hebben ontvangen van meer dan tweehonderd Provinciale Statenleden van in totaal 66 fracties uit alle 12 provincies.

Statenleden van onder andere de Partij voor de Dieren, GroenLinks, PvdA en de SP, maar ook D66 en de ChristenUnie nemen afstand van dit standpunt en pleiten in deze brief voor een directe overheveling van minimaal 30% naar het groene plattelandsbeleid. Niet stapsgewijs dus. ‘Een vrij unieke opstand der provincies’, in de woorden hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans.

Ik ben benieuwd hoe de minister en de woordvoerders van D66 en de ChristenUnie naar deze brief kijken. Ik kan me niet voorstellen dat zij instemmen met het Nationaal Strategisch Plan zoals het nu voorligt, terwijl hun eigen partijgenoten een alarmbrief sturen met de dringende oproep om het aan te scherpen.

Voorzitter, de Europese Commissie moet straks als een soort scheidsrechter gaan beoordelen of onze nationale invulling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid voldoende bijdraagt aan de doelen uit de Green Deal en de Boer tot Bord-strategie. Omdat landen blijkbaar niet uit zichzelf vooraan staan om die gestelde doelen te bereiken. En dat zien we inderdaad ook in Nederland. De Strategische Milieueffectrapportage laat zien dat ook in het strengste scenario – en dat wordt dan gezien als bijvoorbeeld 30% overheveling – de meeste milieudoelen nog lang niet in zicht komen.

Kan de minister aangeven of het NSP tussentijds aangepast zal worden wanneer blijkt dat we die doelen dus niet halen, bijvoorbeeld naar aanleiding van de jaarlijkse rapportage richting de Europese Commissie?

En ik vind het dan wel opvallend dat ik de minister tijdens het begrotingsdebat heel vaak over het ‘gelijke speelveld’ heb horen spreken. Blijkbaar geldt dat alleen als het om concurrentie gaat, maar niet als het bijvoorbeeld gaat om het doel om tot 25% biologische landbouw te komen. Dat is zo’n duurzaam doel waarvan de minister zegt: nee, dat geldt EU-breed, dus niet elk land hoeft aan de 25% te komen.

Voorzitter, waar is dan dat gelijke speelveld? Verschillende landen hebben het doel voor 25% biologische landbouw in 2030 al overgenomen, dus ik vraag: waar blijft deze minister? En hoe gaat zij ervoor zorgen dat dit NSP bijdraagt aan het behalen van dat doel?

Voorzitter, niet alleen voor de natuur en het klimaat is het huidige Europees Landbouwbeleid desastreus. Dit geldt ook, en niet in de laatste plaats, voor dieren. Door het blind staren op de productie voor de wereldmarkt.

In het voorliggende NSP ziet de Partij voor de Dieren weinig dat hier echt verandering in gaat brengen. Terwijl er wel terecht wordt geconstateerd dat er een groeiende kloof is tussen maatschappelijke verwachtingen op het gebied van dierenwelzijn en de praktijk.

Dierenwelzijn blijft ook in dit plan slechts iets dat moet worden meegewogen. Of blijft slechts één van de doelen waar investeringen aan moeten bijdragen.

Hoe gaat de minister er voor zorgen dat dit NSP bijdraagt aan de transitie die nodig is om de veehouderij te laten voldoen aan de eisen van de Wet dieren? En aan de criteria die de Raad voor Dierenaangelegenheden onlangs schetste?

Ik wil hierbij de oproep die Arjan Stegeman onlangs deed aan de Kamer, doorgeven aan de minister: Zorg dat het dier niet klem komt te zitten tussen de belangen van de mens en het milieu.

Dank voorzitter.