Bijdrage Van Raan aan debat over leraren


19 februari 2020

Voorzitter,

Vandaag in de krant “Gezondheid kinderen onder druk door commercie en Klimaatverandering”, een publicatie van The Lancet, de wereld gezondheidsorganisatie en Unicef. Het schetst een beeld van de bedreigingen voor kinderen, en ook van de psychologische problemen die kinderen ervaren als gevolg van de klimaatcrisis. En ook vandaag een debat over het lerarentekort. Gezondheids- en psychologische problemen onder leerlingen en de schaarste aan leraren. Wat hebben ze met elkaar te maken en wat doen de ministers daar aan? Tot nu toe te weinig: per direct, voldoende extra structurele investeringen bleven uit. De Partij voor de Dieren heeft daarom tegen de laatste onderwijsbegroting gestemd.

Voorzitter, binnenkort debatteren we over de herziening van het curriculum. Ik zal daar nu niet te veel op vooruit lopen, maar kan de minister alvast de volgende vragen beantwoorden? Belangrijk onderdeel van die discussie zit hem namelijk in het spanningsveld van een curriculumherziening ten midden van het lerarentekort. Erkent de minister dat die curriculumherziening alleen een succes kan worden indien de leraren er radicaal meer tijd en ontwikkelruimte bij krijgen? Is de minister bereid om het lerarentekort niet alleen in smalle zin in kaart te brengen, maar dit ook in brede zin te beschouwen: bijvoorbeeld in relatie tot de legitieme ambitie van kleinere klassen en minder lesuren per week per aanstelling?

Leraren geven uiteindelijk een vak, wat ze precies onderwijzen is van belang. En geef ze dus ook de tijd en de ruimte om bezig te zijn met hun vak. Dat betekent ook dat beheertaken, waar leraren soms minder affiniteit mee hebben, weer bij hun weg worden gehaald, zodat ze meer tijd en ruimte krijgen voor om vakinhoudelijk actief te zijn en indien nodig, ook afstand te kunnen nemen van de toetscultuur.

Meer tijd en ruimte voor leraren zou het onderwijs ook minder vatbaar maken voor de pogingen van bijvoorbeeld de fossiele industrie, de bio-industrie en jagers om het lesmateriaal te beïnvloeden. De Partij voor de Dieren heeft herhaaldelijk aandacht gevraagd voor dit probleem. De Tweede Kamer nam de motie van de Partij voor de Dieren aan, die de regering oproept “om te bezien of en hoe de Inspectie van het Onderwijs een toezichthoudende rol kan krijgen op die elementen van het onderwijs die worden georganiseerd door bedrijven”. De minister zag hier geen mogelijkheden in en ontraadde deze motie. En daar is waar het verhaal een treurige wending neemt. De Kamer vroeg een serieuze verkenning, maar kreeg slechts 2 beknopte alinea’s waarin werkelijk niets nieuws stond opgeschreven, met als conclusie dat een verdere verkenning in zijn ogen overbodig is. Graag geven we de minister een tweede kans en verzoeken we de minister alsnog uitvoering te geven aan deze motie van de Partij voor de Dieren.

De minister wijst op de rol van de medezeggenschapsraad bij het aanpakken van beïnvloeding van het onderwijs door foute sectoren. Maar juist die medezeggenschapsraden zijn nauwelijks op de hoogte van hun rol in deze problematiek zo bleek. Het convenant over sponsoring op scholen bleek bijvoorbeeld volstrekt onbekend in het onderwijsveld. Recent ontving de Kamer de update van dit convenant. Daarin staat onder andere opgeschreven dat sponsoring de onderwijsinhoud niet mag beïnvloeden. Ook moet de samenwerking met de sponsor een “gezonde leefstijl bevorderen” en moet de samenwerking bijdragen aan de toekomst van de kinderen”. Dat zijn goede voornemens. En precies wat niet gebeurt, zo lezen we in de publicatie van The Lancet waar ik mijn betoog mee begon. Precies wat een bedrijf als Shell niet doet. De fossiele industrie maakt onze wereld een stuk ongezonder en brengt de toekomst van de kinderen rechtstreeks in gevaar.

Het brengt me op de psychologische stress die als gevolg van de klimaatcrisis steeds vaker wordt ervaren door jonge mensen. In een land als Nieuw-Zeeland krijgt dit onderwerp een expliciete plaats in het onderwijs. De Partij voor de Dieren stelde hier al Kamervragen over. Welke mogelijkheden ziet de minister om ook in het Nederlandse onderwijs de ruimte te scheppen om deze relatief nieuwe ontwikkeling te begeleiden? Graag een reactie van de minister.

Tot slot,

Veel scholieren en leraren verenigen zich naast hun drukke schoolbestaan actief in bewegingen zoals Fridays For Future, Youth For Climate NL, de Jonge Klimaatbeweging, Teachers For Climate en nog vele anderen. Het maatschappelijke engagement moet de minister aanspreken, zo ook het feit dat dit activistisme vaak super leerzaam is.

Als je nou ziet dat jongeren veel tijd en energie steken in een beweging die het kan niet genoeg benadrukt worden doet wat natuurlijk eigenlijk door volwassenen al gedaan had moeten worden: Het beteugelen van de klimaatcrisis; Wat kan de minister dan betekenen voor de praktische ondersteuning? Buddies, zoals de minister verantwoordelijk voor de opleiding nu heeft, is een hele goede manier. En er zijn vast meer goede praktische ideeën. Graag een reactie.

De conclusie moet zijn dat de ministers kunnen genoeg doen structurele extra investeringen bijvoorbeeld maar dat nog niet doen.

Dank u wel.