Bijdrage Thieme begroting Econo­mische Zaken 2016 onderdeel Landbouw en Natuur


2 december 2015

Voorzitter, een nieuwe staatssecretaris! Heel hartelijk welkom. Ik ben de staatssecretaris al een aantal keren tegengekomen, voor het eerst

twaalf jaar geleden, tijdens een uitzending van Barend & Witteman. De Partij van de Arbeid had de verkiezingen van 2003 gewonnen en tot zijn verassing was Martijn van Dam de nummer 41 en met 24 jaar tevens jongste kandidaat op de lijst verkozen. I was er omdat de Partij voor de Dieren, twee maanden na de oprichting, op 0,1 procent na bijna een zetel had gehaald. Het jongste Kamerlid vertelde trots dat één van de redenen dat de PvdA had gewonnen was gelegen in het feit dat de PvdA weer politieke kleur had gekregen. En in antwoord op een vraag van mij, verzekerde hij de kijkers dat de PvdA die kleur echt niet binnen een paar maanden ging opgeven omdat ze zo nodig wilden regeren. Nou voorzitter, als de staatssecretaris nog steeds diezelfde idealen koestert, dan belooft dat wat! Ik ben hoopvol gestemd.

Voorzitter, toen ik in 2011 ons initiatiefwetsvoorstel tegen het onverdoofd ritueel slachten indiende, vond ik het Kamerlid Van Dam aan mijn zijde in de strijd tegen het dierenleed bij onverdoofd slachten. Van Dam is toen stad en land afgereisd om menig PvdA-er te wijzen op de noodzaak en het belang van dit verbod. Zijn woorden waren ferm, ik citeer: “De norm moet worden dat dieren die ritueel worden geslacht, moeten worden verdoofd. Dat is en blijft het uitgangspunt van de PvdA”. Het wetsvoorstel is vervolgens, mede door de inspanningen van het Kamerlid Van Dam met een zeer ruime meerderheid in de Tweede Kamer aangenomen. Ik ben hem daar nog steeds dankbaar voor! Ik kom over dit onderwerp in mijn bijdrage nog nader te spreken.

Voorzitter, en hier staan we dan opnieuw. Een nieuwe staatssecretaris begint met een schone lei. Nieuwe ronden en nieuwe kansen. De staatssecretaris heeft geen banden met de traditionele landbouwlobby en hij staat bekend als een pionier met idealen. In het Financieel Dagblad heb ik gelezen dat de staatssecretaris onder zijn collega's bekend staat als een harde onderhandelaar en een geslepen politicus die altijd en overal de belangen van zijn partij in de gaten houdt. Voorzitter, ik heb hoop dat deze staatssecretaris gaat strijden voor de bescherming van het welzijn van dieren waarvan de PvdA in zijn verkiezingsprogramma zegt dat zij daar een groot belang aan hecht.

Voorzitter, de nieuwe staatssecretaris heeft veel pionierservaring op verschillende terreinen. En meer dan eens heeft hij letterlijk gezegd zich niet neer te leggen bij de belangen van de gevestigde orde of de status quo. Voorzitter, dat belooft wat! Want juist in de landbouw- en natuurdossiers is het van oudsher zo dat gevestigde belangen, diepgewortelde CDA uitgangspunten en tradities zwaar meetellen in de discussies over verandering. Verandering die, als we kijken naar de grote uitdagingen op het gebied van voedsel, volksgezondheid, biodiversiteit, klimaat en dierenwelzijn noodzakelijk is.

Mijn fractie hoop met de staatssecretaris te komen tot een beleid waarin duurzaamheid, oog voor de zwaksten en strijd tegen onrecht belangrijke uitgangspunten vormen. Ik heb grote waardering voor de strijd die de staatssecretaris in zijn politieke loopbaan gevoerd heeft om de positie van het individu te beschermen tegen de macht van bijvoorbeeld woningcorporaties of andere grote instituties. Mijn hoop is dat deze staatssecretaris ook de positie van de individuele burger gaat beschermen die naast een megastal woont. De bescherming van een familieboerenbedrijf tegen de ratrace naar de bodem. De familiebedrijven die de menselijke maat willen aanhouden in plaats van focus op bulkproductie met verkoop onder de kostprijs. Of de bescherming van de positie van omwonenden die een hoger gezondheidsrisico lopen vanwege zoönosen of infectieziekten vanuit de veehouderij. De bescherming van het belang dat burgers ongestoord kunnen genieten van alle dieren in de een natuur, die niet schuw zijn geworden door de hobbyisten met een geweer. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter, in het regeerakkoord staan er over landbouw, dierenwelzijn, voedsel en natuur geen in ijzer en beton gegoten afspraken. Er is een potentieel diervriendelijke Kamermeerderheid als je kijkt naar de verkiezingsprogramma’s.
Kortom, alle lichten staan op groen. Dat belooft wat! De staatssecretaris kan dier en natuurvriendelijke maatregelen nemen die de staat geen geld kosten, sterker nog die vaak geld besparen in termen van gezondheidskosten, handhavingskosten etc.. Ik denk dan aan een spoedige inkrimping van de varkenshouderij. De voorganger van de staatssecretaris zei dit jaar dat deze inkrimping onvermijdelijk is. Als elk melkveebedrijf net zoveel koeien zou houden als dat hij die ook zou kunnen weiden, dan hebben we gezondere koeien,
is de mesthoop een stuk kleiner en hoeven boeren zich niet bezig te houden met wetten en ingewikkelde rekenmodellen om de uitstoot van ammoniak, stikstof en fosfaat onder te controle houden. Als we een Wet Dieraantallen hebben die een maximum stalgrootte hanteert en de kans geeft om vergunningen af te wijzen op grond van dierenwelzijn, ethiek, milieu en volksgezondheid, dan staan de kwetsbare waarden weer centraal in de landbouweconomie in plaats van korte termijn economische belangen. De leefbaarheid op het platteland neemt toe, de risico’s op onhoudbare dierziektenuitbraken wordt verkleind en er komt ruimte voor diervriendelijke landbouw. Er zijn kansen te over voor koerswijzigingen, voorzitter.

Voorzitter, de vraag is, op welke wijze wil de staatssecretaris de geschiedenisboeken ingaan? Wil hij de kans benutten om zijn idealen te verwezenlijken in de unieke mogelijkheid die hij daartoe nu heeft? In het belang van toekomende generaties? Of zal hij de geschiedenis ingaan als de staatssecretaris die Nederland niet kon redden van de vee-industrie en de mesttsunami van 70 miljard kilo per jaar? Is hij bereid om te werken aan een beleid waarin mededogen, duurzaamheid en de draagkracht van de aarde het uitgangspunt vormen? Of is hij van mening dat iemand met zijn idealen het zich kan veroorloven dat niet te doen?

Voorzitter, we kennen de opvattingen van Wouter Bos, de architect van dit kabinet, over idealen. Hij is van mening dat een politicus nooit meer dan 25% van zijn idealen zou kunnen heel houden. Stel, zo begint Bos, je hebt een 100% mening over iets. Vervolgens word je lid van een politieke partij, en dan begint het inleveren omdat die partij niet over alles dezelfde mening heeft als jij. Dan word je lid van een fractie waarin ook weer andersdenkenden zitten, waarbij je dus moet inleveren. Daarna moet je compromissen sluiten met politieke tegenstanders, nog meer water bij de wijn. Daarna blijkt dat de praktijk weerbarstiger is dan je ten tijde van de coalitieafspraken gedacht had, waarop weer nieuwe bijstellingen volgen. Stel dat een politicus erin slaagt bij elk van die stappen 80% van z’n idealen overeind te houden en in het compromis met de coalitiepartner 50%. Dan blijft er aan het eind van de rit 25% van je idealen over. En zo heeft volgens Bos elke politicus die met een groot verhaal de politiek instapt, aan het eind van de rit nog maar een kwart van dat grote verhaal over.
Bos voegt daaraan toe dat naar zijn mening zo’n politicus doet wat hij moet doen. Afgelopen week herhaalde Bos zijn cursus “Per definitie water bij de wijn doen” nog een keer in de Volkskrant. Maar voorzitter, zo ken ik ieder geval Martijn van Dam niet en ik hoop hem ook nooit zo te leren kennen. Idealen zijn er om voor meer dan 25% heel te houden. Dat je staat voor progressie.

Natuurlijk, voorzitter, zullen de conservatieve krachten binnen de veehouderij, de visserij en natuurbeheer proberen duidelijk te maken dat verandering alleen vanuit de markt kan komen, dat de overheid op afstand moet blijven, wijzend op het level playing field van Europa waardoor alles op de lange baan geschoven wordt en dat alles vooral op basis van vrijwilligheid tot stand moet komen. Dat wordt al gezegd sinds de discussie over de aanvaardbaarheid van de intensieve landbouw en visserij begon zo’n veertig jaar geleden. Velen staan klaar om de staatssecretaris in te wijden in de meest romantische kant van hun nering.
Donzige kuikentjes, snoezige varkentjes in zichtstallen vol stro, duurzame visserijmethoden waar desalniettemin nog steeds sleepnetten bij gebruikt worden. De sprookjesverhalen jagers die een traantje wegpinken als ze een dier ‘uit het systeem neemt’ om het, in de kracht van z’n leven, voor ernstig lijden te behoeden.

De staatssecretaris heeft al zijn eerste bezoek aan een stal gebracht en heeft ook al met de voorzitter van het LTO gesproken. In de acht jaar dat ik hier kamerlid ben heb ik ministers en staatssecretarissen werkbezoeken af zien leggen bij paradepaardjes als een rondeelstal. De Rondeelstal is in 2004 door de Wageningen Universiteit bedacht. Sindsdien zijn er vier Rondeelstallen geopend, waaronder 1 mini-rondeel met 200 leghennen. 18000 rondeelkippen op een totaal van 47 miljoen in de industrie. En toch wordt zelfs meer dan tien jaar later het project en soortgelijke etalages gepresenteerd als veelbelovend en als voorbeeld gebruikt voor waar de veehouderij als vanzelf naar toe aan het gaan is. De realiteit is anders. Dat weten we allemaal als we de ontwikkeling van laboratoriumstallen en megastallen bezien. En de ontwikkeling van de landbouweconomie van meer voor minder. Kan de staatssecretaris beloven dat hij ook om tafel gaat met dierenbeschermingssorganisaties als Eyes on Animals of Wakker Dier? Gaat de staatssecretaris ook op bezoek bij een bedrijf dat de eendagshaantjes versnippert? Gaat hij zich op de hoogte stellen hoe een big onverdoofd gecastreerd wordt? Kortom, staat hij open voor de ongemakkelijke werkelijkheid? Graag een reactie.

Voorzitter, er liggen kansen voor open doel en de tijd is nog maar kort om dat momentum te benutten, er zijn immer alweer bijna verkiezingen. Voorzitter, we willen de staatssecretaris heel graag helpen de voetangels en klemmen van het landbouwdossier en het dierenwelzijnsdossier te ontdekken. Maar vooral ook om de wegen te vinden naar een aangenamere samenleving voor mens en dier. Ik benut deze gelegenheid om een aantal kansen voor een beter dierenwelzijn op een rij te zetten. Te beginnen met de dieren in de vee-industrie. Daarna zal ik ingaan op de kansen voor een beter beleid met betrekking tot de dieren in onze natuur.

Onverdoofd ritueel slachten

Voorzitter, in 2011 hebben wij het wetsvoorstel voor een verbod op onverdoofd ritueel slachten ingediend dat na uitgebreid debat met 116 stemmen door de Tweede Kamer werd aangenomen. Mede dankzij de tomeloze inzet van het Kamerlid Van Dam. De Eerste Kamer zette er een streep door. Letterlijk te elfder ure kwam tijdens de behandeling in de Eerste Kamer uit de hoge hoed van toenmalig staatssecretaris Bleker het idee van een convenant met religieuze organisaties.

Het Kamerlid Van Dam had in 2011 al scherp in de gaten dat een convenant nooit voldoende zou kunnen zijn om het dierenleed in de rituele slachthuizen te beperken of te beëindigen. Toen religieuze gemeenschappen voorstelden om met een convenant te komen, zei kamerlid van Dam al dat een convenant niet zou bereiken wat met het wetsvoorstel beoogd werd. En hij kreeg gelijk. We zijn nu 3,5 jaar verder. Koeien, kalveren, kippen, schapen, geiten en eenden worden nog steeds onverdoofd ritueel geslacht. Stikken nog steeds in hun eigen bloed. Aan het dierenleed is niets veranderd. Zo blijkt ook uit het adviesrapport van het BuRO van de NVWA van vorige maand. Dit is inderdaad niet wat de Tweede Kamer met het aannemen van mijn wetsvoorstel beoogd heeft.

Voorzitter, het ernstig dierenleed bij onverdoofd slachten is al sinds begin vorige eeuw bekend. Daarom is er sinds 1919 de wettelijk verplichte verdoving. Voorzitter, het moet voor een slachter niet uitmaken welk geloof zijn slachter is zei collega Van Veldhoven terecht tijdens de behandeling in dit huis. De staatssecretaris is op de hoogte van het lijden en van, ik citeer Kamerlid Van Dam: “de grote stress die dieren ervaren als zij vast worden gezet en ondersteboven worden gehangen. Hij weet van, en ik citeer “de doodsstrijd die in veel gevallen tientallen seconden duurt en soms zelfs oploopt tot minuten.” Hij zei als Kamerlid: “Daar kan niemand de ogen voor sluiten. Die feiten hebben ons allemaal gedwongen om een afweging te maken.” Ik vraag de staatssecretaris nu om het advies van de NVWA serieus te nemen en met een voorstel te komen tot een spoedig verbod.

Dierenwelzijn naar aanleiding van rapport BuRo

Het BuRo van de NVWA wees niet alleen op het dierenleed bij het onverdoofd slachten. Ik ben blij dat mijn motie om van dierenwelzijn een wettelijke onderzoekstaak van het BuRo van de NVWA te maken, er waarschijnlijk mede toe heeft geleid heeft dat het BuRo in haar adviesapport dit keer uitgebreid heeft stilgestaan bij de risico’s voor het dierenwelzijn in de vleesindustrie. Ik noem een aantal conclusies uit dit rapport:

  • Doordat dieren in hun eigen mest staan, is het risico dat de dieren besmet raken met salmonella of de e3 coli bacterie.
  • Varkens worden met CO2 verdoofd wat welzijnsproblemen als hyperventilatie en ademnood kan veroorzaken voordat bewusteloosheid optreed. Een systematische registratie hiervan is niet voorhanden.
  • In Nederland wordt een derde van het aantal pasgeboren biggen gecastreerd, verdoofd of onverdoofd met alle welzijnsproblemen van dien. Dat zijn er 4 miljoen per jaar.
  • De meeste dieren hebben geen stro of andere materialen die tegemoetkomen aan hun natuurlijke behoefte om te spelen en te onderzoeken: met als gevolg staart- en oorbijten: abnormaal gedrag.
  • Zeugen hebben vlak voor het werpen en tijdens de zoogtijd te lijden onder beperkte bewegingsmogelijkheden, huidbeschadigingen en lijden eronder dat ze hun nestel en verzorgingsdrang niet kunnen uitoefenen omdat ze vastliggen.
  • Staartcouperen en tandenvijlen komt nog regelmatig voor in de varkenshouderij en lijdt bij jonge dieren tot stress en pijn.
  • Kalveren vertonen abnormaal gedrag doordat ze meteen bij de moeder worden weggehaald.

Voorzitter en zo kan ik nog even doorgaan.

Ik ga op een aantal van deze misstanden en risico’s nader in. Ik had het eerder over het onverdoofd ritueel slachten. Maar ook bij het verdoofd slachten gaat er nog steeds veel mis, zo concludeert het BuRo van de NVWA.

CO2-bedwelming varkens

De NVWA constateert dat het bedwelmen met CO2 bij varkens voor ernstige dierenwelzijnsproblemen zorgt. Op Youtube zijn schokkende beelden te vinden van varkens die happend naar lucht, gillend in paniek proberen te ontsnappen en stuiptrekkend stikken. Meer dan zestigduizend varkens per week sterven in Nederland op deze manier. Eerdere bewindspersonen hebben aangegeven hier verder onderzoek naar te doen maar de Kamer heeft hier nog niets van mogen vernemen. Ondertussen stappen slachthuizen massaal over op deze goedkope en massale dodingsmethode. Is de staatssecretaris bereid om CO2 verdoving uit te faseren? Graag een reactie.

De staatssecretaris heeft in zijn tijd als Kamerlid aangegeven de waterbadmethode voor pluimvee te willen afschaffen. Is hij bereid om deze woorden kracht bij te zetten nu hij daar alle mogelijkheden voor heeft. En, voorzitter, niets in het regeerakkoord zich daartegen verzet? Graag een reactie!

Het kabinet heeft tot nu toe geweigerd een aangenomen motie voor verplichte weidegang uit te voeren. Ondertussen geven boeren geld uit dat gebruikt voor onderzoek naar het effect van regelmatige beweging op de gezondheid van melkvee. In dit onderzoek worden melkkoeien in een looprad gezet. Voorzitter, boeren blijven geld stoppen in dergelijke onderzoeken maar ook in mestrobots, emissiearme vloeren en ventilatiesystemen. Is het niet veel logischer om de motie uit te voeren zodat tijd, geld en energie uit gaan naar effectieve en oplossingen die problemen integraal aanpakken?Het bieden van weidegang is echter een natuurlijke, goedkope en vanuit het oogpunt de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren de enig juiste oplossing kan bieden om dieren naar hun aard te laten leven. Graag een reactie.

Kalveren

De NVWA spreekt indringend over de problemen in de kalverhouderij. Het mengen van leeftijdsgroepen, overbevolking en slechte ventilatie verhoogt de infectiedruk en kan tot sterfte leiden bij zeer jonge kalfjes in de eerste drie maanden. De kalverhouderij werkt nu al jaren aan een verbeterplan. In juni 2014 is de sector door dit kabinet gevraagd op korte termijn te komen met een verduurzamingsplan. De Kamer heeft daarvan nog niets gezien terwijl jaarlijks 12% van de kalveren in Nederland sterft in zijn eerste jaar. Kan de staatssecretaris beloven dat het plan voor het kerstreces naar de Kamer komt en dat hij anders over gaat tot maatregelen? De staatssecretaris heeft in zijn speech voor de Boerderij gezegd dat we beter moeten waken over het dierenwelzijn. Is dat zijn antwoord op het rapport van BuRo van de NVWA. Betekent dat dat hij de misstanden en risico’s die door hen worden aangekaart gaat aanpakken?

De NVWA noemt ook het scheiden van koe en kalf meteen na de geboorte een welzijnsprobleem. Wie het hartverscheurende geloei van een moederkoe na zo’n scheiding wel een gehoord heeft, weet hoeveel stress en verdriet hiermee gepaard gaat bij moeder en kalf. Er lopen een aantal pilots van het Louis Bolk Instituut naar het houden van het kalf bij de moeder. Louis Bolk krijgt nauwelijks subsidie van de overheid voor dat onderzoek. Het is nog maar de vraag of deze pilots kunnen worden voortgezet, of er financiering kan worden geregeld. Is de staatssecretaris bereid om hier in het komende jaar extra in te investeren? Graag een reactie! Het Platform Landbouw, Innovatie en Samenleving heeft in 2014 het advies gegeven om de kalverhouderij te regionaliseren in verband met de volksgezondheidsrisico’s. Is de staatssecretaris bereid om deze adviezen van BuRo en Platform LIS op te volgen? Graag een reactie.

Handhaving NVWA

Het BuRO van de NVWA constateert dat in de zeugen- en varkenshouderij wet- en regelgeving over afleidings- en nestmateriaal nauwelijks wordt nageleefd. Ook is er bij het diertransport nog steeds sprake van overbelading. Alleen al in 2015 heeft de NVWA honderden overtredingen geconstateerd. Toch zien we dat voor 2016 er minder geld voor de NVWA is begroot. De staatssecretaris zei onlangs in een overleg over de L&V Raad, ik citeer: “waar het gaat om transport van dieren richt mijn inzet zich zowel op de verbetering van de transportomstandigheden als op de transportduur, zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie als geheel”. Ik ben heel blij met die uitspraak. Dat zou een uitvoering van mijn motie betekenen die vraag om ook nationale maatregelen te nemen ten aanzien van diertransporten. Tot nu toe waren de inspanningen vooral op Europa gericht. Kan de staatssecretaris inzicht geven in zijn plannen?

Verduurzaming veehouderij

Een nieuwe kerntaak voor de staatssecretaris is verduurzaming van de veehouderij. Dat klinkt goed. Ik wil de staatssecretaris straks graag deze DVD met de film Cowspiracy geven. Zodat hij kennis kan nemen van de desastreuze gevolgen van uitbreiding van de melkveehouderij!

Megastallen

Dan de megastallen voorzitter. In Kamerdebatten over woningcorporaties heeft de staatssecretaris de kwalijke gevolgen van schaalvergrotingen en riskante investeringen meerdere malen aan de kaak gesteld. Hij riep op voor een terugkeer naar kleinschaligheid en kwam op voor de stem van de individuele burger. Terecht! Voorzitter, helaas zien we deze dynamieken ook terugkomen in de Nederlandse bio-industrie. Onze staatssecretaris komt zelf uit Brabant en moet daarom bekend zijn met de dramatische toename van megastallen, de dreigende gezondheidsrisico’s zoals Q-koorts en fijnstof en de afnemende leefbaarheid als gevolg hiervan.

Voorzitter, ik wil de staatssecretaris dan ook graag de volgende kwestie voorleggen: In Wichmond wil de eigenaar van de hotelwebsite Booking.com een embryo-fabriek bouwen voor bijna 1500 koeien, Dutch Dairy Genetics genaamd. De internetmiljonair wil embryo’s kweken om ze over te vliegen naar Brazilië waar de grootste veefabriek ter wereld moet komen. De koeien daar krijgen vervolgens de Nederlandse embryo’s geïmplanteerd. En jawel: de vergunning ligt er al. Ondanks protesten van burgers, belangengroeperingen en zelfs LTO. Hoe beoordeelt de staatssecretaris de komst van deze embryofabriek? Kan hij bevestigen dat met de nieuwe wet dieraantallen een dergelijke fabriek op ethische gronden niet tegengehouden kan worden terwijl eigenlijk niemand wil dat zo’n embryofabriek er komt? Niet alles wat kan, moet ook mogen.

Is de Staatssecretaris dat met me eens? En is de staatssecretaris bereid om alsnog een norm te stellen aan het aantal dieren op een bedrijf zodat dergelijke stallen niet meer mogelijk worden? Graag een reactie.

Fokkerij

Voorzitter, de varkenshouderij fokt al jaren zeugen die zoveel mogelijk biggen per worp geven zodat er meer vlees geproduceerd wordt. Naar verwachting loopt dit binnen drie jaar op naar 40 biggen per zeug per jaar. Volkomen bizarre aantallen. En omdat de zeug daar niet genoeg spenen voor heeft, worden er superzeugen gefokt met meer spenen. Wat vindt de staatssecretaris van zo’n ontwikkeling? Stoppen, of toestaan? Graag een reactie!

Laboratoriumstallen

Voorzitter, op een Pluimveedag een aantal weken geleden werd geconcludeerd dat boeren antibioticavrij vlees belangrijker vinden, dan investeren in dierenwelzijn. Boeren hebben steeds meer belangstelling voor speciale steriele laboratoriumstallen. Stallen waar biggen en varkens in plastic bakken letterlijk gestapeld worden en over een rails door de stal gereden worden. Leven, lijden en sterven aan de lopende band, letterlijk. Dit wordt een “high care” stal genoemd. Is dit wat de staatssecretaris ook zelf ziet als “high care”voor de varkens? Is dit een vorm van een duurzame stal?

De ouderwetse veemarkten

Voorzitter, de middeleeuwse veemarkten zijn de Partij voor de Dieren een echte doorn in het oog. Zo staan bij de drie grote paardenmarkten in Elst, Zuidlaren en Hedel gemiddeld tweeduizend paarden en pony’s tussen kermisattracties, braderieën, discotenten en tractorshows. Handelaren brengen de dieren het liefst net na middernacht, zodat zij nog deel kunnen nemen aan het dorpsfeest. De paarden staan urenlang op gladde keien waarbij ze, als ze echt pech hebben, aan het eind op ellenlang transport worden gezet naar Oost-Europa om daar op een dieronvriendelijke wijze geslacht te worden. Het verbloemen van de talloze overtredingen met het protocol “Welzijn Paardenmarkten” is niet gelukt. Illegale verkoop van diergeneesmiddelen, overbeladen transporten, illegale export, ongeldige paardenpaspoorten, medische keuringen van duizenden paarden worden uitgevoerd door één of twee dierenartsen. De Dierenbescherming is van ellende uit het Welzijnsprotocol gestapt. Voorzitter, dit wilde westen is uitgelopen tot een horrorverhaal. Is de staatssecretaris bereid om een einde te maken aan paardenmarkten?

Voedsel

Voorzitter, dan het voedselbeleid. Een onderwerp dat de staatssecretaris na aan het hart gaat, zo heb ik vernomen. De prijs van vlees, eieren en zuivel, zoals dat in de westerse supermarkten ligt, houdt geen rekening met de ‘verborgen’ kosten waarmee de productie gepaard gaat. Dat gaat ten koste van boer, dier, volksgezondheid en milieu. Zo zou de echte prijs van varkensvlees volgens onderzoek van de Vrije Universiteit 31% hoger moeten zijn dan de huidige winkelprijs. Is de staatssecretaris bereid om deze kosten van de huidige vlees- en zuivel productie- en consumptiewijze opnieuw te meten en door te berekenen in de kostprijs in plaats van toe te rekenen aan de samenleving als geheel?

Voorzitter, echte duurzaamheid realiseert Nederland als we minder dierlijke producten consumeren. En er minder wordt geproduceerd voor de export. Heeft de staatssecretaris daar concrete plannen voor? De Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid stelt dat er een drastisch andere benadering moet zijn ten aanzien van het voedselvraagstuk. Stoppen met de buitenproportionele exportdrift. Stoppen met bulkproductie van vlees, melk en eieren. En vermindering van de consumptie van dierlijke producten.

Voorzitter, het kabinet stelde al in 2004 dat vlees meest milieubelastende onderdeel van ons voedselpakket is. Vlees wordt indirect gesubsidieerd door het extra lage btw tarief van 6%. Als vlees en zuivel onder het hoge BTW-tarief zouden vallen, zou dat voor duurzamere keuzes zorgen en kan dat meer dan 1.1 miljard euro opleveren zo leert het Planbureau voor de Leefomgeving ons. Dit lijkt overeen te komen met de lijn ‘geen toekomst voor meer voor minder’ die de staatssecretaris aangaf op het Boerderij jubileum. Is de staatssecretaris bereid om die woorden in daden om te zetten? De aanbevelingen van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op te volgen? En samen met Financiën te bezien hoe de btw op groente en fruit sterk verminderd kan worden en de btw op vlees te verhogen naar 21 procent? Is de staatssecretaris bereid om de opbrengst van deze btw-verhoging te gebruiken om gezonde en biologische levensmiddelen goedkoper te maken? Graag een reactie!

Voorzitter, het geeft geen blijk van besef van duurzaamheid als het kabinet handelsmissies naar Japan en China onderneemt om de mensen daar aan onze melk en kalfsvlees te krijgen. Landen waar de meerderheid nota bene lactose intolerant is. Het geeft ook geen pas om miljarden Europees en Nederlands belastinggeld te pompen in megastallen in Oekraïne. Vorige maand vroeg de Kamer via onze motie hiermee te stoppen. Nu heb ik recent vernomen dat er bij verzekeraar Atradius 4 nieuwe aanvragen liggen waarbij de overheid garant staat voor de financiering voor de uitbreiding van deze en andere mega kippenfabrieken uit Oekraïne. Omdat het besluit al naar ik heb vernomen op 18 december genomen kan worden, zou ik de Staatssecretaris willen vragen om hierover met de minister van Financiën te spreken. Kan hij de Kamer op tijd laten weten of aan dit verzoek zal worden voldaan, zodat de Kamer zich hierover nog vóór 18 december kan uitspreken?

Jacht

Voorzitter, dan de dieren in de natuur. Bij de natuur als geheel zal mijn collega Frank Wassenberg stilstaan in zijn bijdrage. Dieren in de natuur hebben in ons land niet de gelegenheid om een eigen leven te leiden en vrij te zijn in een natuur waar zowel mens als dier van kan genieten. Nee, de natuur moet worden benut en dieren zijn verworden tot levende schietschijven voor een handjevol hobbyisten. Miljoenen dieren vrezen jaarlijks de kogel en zijn schuw en onzichtbaar geworden. Wat wil je wanneer bijvoorbeeld van de grote hoefdieren 70% van alle wilde zwijnen en 50% van alle edelherten geschoten wordt. Elk jaar opnieuw? Hoe staat dit in verhouding tot eerdere uitspraken van het Kamerlid Van Dam dat wij in een beschaafd en ontwikkeld land ook dieren een fatsoenlijk leven horen te gunnen? En tot zijn eerdere uitspraak beter te willen waken over dierenwelzijn?

De verkiezingsbelofte van de PvdA is om een einde te maken aan de plezierjacht op houtduiven, eenden, fazanten, konijnen en hazen is vooralsnog verbroken. Ik hoop dat de staatssecretaris in het debat over de Wet Natuur in de Eerste Kamer tot de conclusie komt dat het een grote fout was om de plezierjacht alle ruimte te bieden in de nieuwe wet. En dat er een novelle moet komen om de mogelijkheid om te jagen zonder maatschappelijk nut of noodzaak uit de wet te halen.

Voorzitter, onder de noemer schadebestrijding of populatiebeheer worden er honderdduizenden ganzen vergast; op de Veluwe ruim 70 % van de zwijnen afgeschoten en de helft van het aantal herten en reeën; worden er zelfs dag en nacht vossen doodgeschoten dankzij de landelijke vrijstellingslijst, en staan Friesland en Utrecht de jacht op katten toe. De jagerslobby heeft duidelijk een flinke vinger in de pap en aan de trekker.

De staatssecretaris is voorvechter van innovatie en vernieuwing zo lezen we op zijn persoonlijke website. Niet zo gek met een technische achtergrond. Dat belooft wat! Is hij bereid om meer in te zetten op innovatief faunabeleid omwille van zijn innovatiewens en zijn idealen om op te komen voor alles wat kwetsbaar is? Een faunabeleid waarbij niet gelijk wordt gegrepen naar het geweer? Bijvoorbeeld door het starten en ondersteunen van experimenten met niet-dodelijke effectieve verjagingsmethoden? Is de staatssecretaris het met me eens dat het toch van de zotte is dat praktijk rijpe alternatieven om landbouwschade te voorkomen nog steeds in de kast blijven liggen en er gegrepen wordt naar de ineffectieve en wrede jacht en vergassing van ganzen?

Zo hebben we bijvoorbeeld de Agrilaser die volautomatisch een groene laserstraal verspreidt met een bereik van maar liefst 2 kilometer. De straal wordt door een gans als een fysiek object waargenomen en betekent voor het dier gevaar. De Agrilaser is een volkomen veilig en zeer effectief. En toch gaat geen provincie er serieus mee aan de slag. Hoe beoordeelt de staatssecretaris dit gebrek aan inzet op alternatieven? Of kent de Staatssecretaris hier wel voorbeelden van?

Dan tot slot nog de dieren buiten Nederland, zoals olifanten, leeuwen en tijgers. We zijn blij dat de staatssecretaris aan de slag gaat met onze motie om te komen tot een importverbod van jachttrofeeën zoals ivoor en tijgerhuiden. Waarom hebben Frankrijk en Engeland al een verbod aangekondigd, maar heeft Nederland tijd, onderzoek en een conferentie nodig? Het is voor de dieren al 5 voor 12 geweest, laten we geen tijd meer verspillen. Graag een reactie.

Eerste termijn kant van het kabinet:

Staatssecretaris Van Dam:
Voorzitter, het wordt vanzelf duidelijk wat die blokken inhouden. Dat beloof ik u. Het is mij een groot genoegen om weer in de Kamer te staan en ook het woord te mogen voeren en niet alleen te hoeven luisteren zoals gisteren. Het is ruim 12,5 jaar nadat ik als Kamerlid mijn maidenspeech in deze zaal hield. De afgelopen 12,5 jaar heb ik de mooiste functie mogen uitoefenen die er is in onze democratie, namelijk die van volksvertegenwoordiger. Dat hoef ik u echter allemaal niet te vertellen.

Vandaag exact een maand geleden kwam daar een einde aan. Nu ben ik weer in de Kamer, maar nu voor het eerst als gast. Dat is best even wennen. Het is ook even wennen om de vragen niet te stellen maar ze te moeten aanhoren en er niet meteen op te mogen reageren maar ze nu te moeten beantwoorden.

In dit parlement wordt het beleid getoetst aan de vragen, de wensen en de zorgen uit de samenleving. Uiteenlopende geluiden komen hier samen en leiden soms tot scherp gepolariseerde debatten. Gisteren spraken sommige leden al over de sfeer tussen de woordvoerders van deze commissie. Die woorden hielden een beetje het midden tussen vrolijke voorboden over wat me te wachten staat en welgemeende waarschuwingen. Ik heb ze goed gehoord. Scherp debat en polarisatie horen er af en toe ook bij. Soms helaas, maar soms is het nodig. We mogen echter nooit vergeten dat we ook de verantwoordelijkheid hebben om al die geluiden uit de samenleving samen te brengen. Hoe fundamenteler de kwestie hoe belangrijker dat is. Over fundamentele kwesties gaat het vandaag: over het eten op ons bord en het groen om ons heen. Dat zijn onderwerpen waarmee iedere Nederlander elke dag te maken heeft. Het is een voorrecht, zowel voor de Kamer als voor mij, om ons daar elke dag mee bezig te mogen houden. We houden ons daar ook volop mee bezig. Kranten schrijven bijlagen vol over eten. Hoewel de boekverkoop daalt, gaan boeken over voeding als warme broodjes over de toonbank. Na het verschijnen van De voedselzandloper steeg de verkoop van havermout met ruim 40%. Dankzij Rens Kroes noemen we boerenkool niet langer "Hollandse kost", maar "superfood".

Er zijn niet alleen nieuwe trends; er zijn ook nieuwe zorgen. Bietensap werd in eerste instantie gezien als een natuurlijke doping voor wielrenners: eindelijk fietsten ze op natuurlijke ingrediënten de bergen over. Toen iedereen ineens aan de paarse toverdrank ging, haastten deskundigen zich echter om te waarschuwen voor een overdosis nitraat. Een paar weken geleden volgde een nieuwe waarschuwing: eet bij die ontzettend hippe boerenkool vooral geen rookworst, want dat is net zo slecht als het roken van een sigaret.

Wat moeten we daarmee? Wat is wel goed en wat is niet goed? Dit brengt ons in verwarring. Er is eigenlijk maar één ding dat we zeker weten, namelijk waar we te weinig van eten. Dat brengt ons terug in de rauwe realiteit, want alle positieve aandacht ten spijt neemt de consumptie van groente en fruit al jaren af. Ondanks de vele negatieve publiciteit blijft de kiloknaller onverminderd populair; ik ga daar straks vanzelfsprekend uitgebreid op in. Blijkbaar kiezen we toch nog vaak met onze portemonnee. Zonder dat we ons daarvan bewust zijn, wordt de prijs daarvoor betaald door de keihard werkende boer. Wij zijn ons dit niet bewust, omdat de voedselketen lang en ondoorzichtig is en omdat we daar nog maar weinig gevoel bij hebben. Ik denk bijvoorbeeld dat niet veel mensen weten dat een gemiddelde diepvriespizza uit de supermarkt ingrediënten bevat die uit drie verschillende landen en van tien verschillende toeleveranciers komen en langs een producent en een distributiecentrum zijn gegaan voordat wij de pizza uit de schappen halen. De onzekerheid over ons eten en de onwetendheid over waar het vandaan komt, geven alle reden om de afstand van de grond naar onze mond weer kleiner te willen maken en om het contact te herstellen tussen ons eten en hoe dat gemaakt is.

Dit moeten we doen tegen de achtergrond van grote mondiale vraagstukken. We willen niet alleen eerlijker en gezonder eten. De groeiende wereldbevolking vraagt om meer en de aardbol vraagt om minder. Kunnen we al die vragen wel bij elkaar brengen? Dat zullen we wel moeten. Over drie decennia moeten we 9 miljard mensen voeden, misschien wel 10 miljard mensen. Dat zijn ongeveer 2 miljard mensen meer dan nu, terwijl op dit moment al een op de tien mensen in de wereld honger lijdt, terwijl de druk op de natuur en het klimaat nu al enorm is en terwijl de bodem aan de ene kant van de wereld nu al wordt uitgeput en aan de andere kant van de wereld wordt overbelast met mest.

Als we die vragen in Nederland bij elkaar kunnen brengen, kunnen we dat ook in de wereld. Als we dat ergens kunnen, is dat hier. We staan niet voor niets bekend als een wereldspeler. Nergens wordt zo veel op zo'n klein gebied geproduceerd als hier. Hier worden, gedwongen door grenzen, al jaren de voedseloplossingen voor de toekomst bedacht, uitgevoerd en geëxporteerd met kennis, technologie en innovaties die voortkomen uit samenwerking tussen boeren onderling en tussen de overheid, kennisinstellingen en de hele voedselketen.

De door mij genoemde trend, zorgen en uitdagingen brengen mij bij de agenda die ik de komende anderhalf à twee jaar wil uitvoeren, voortbouwend op het werk van mijn voorgangster Sharon Dijksma. Die agenda bestaat uit vier componenten: eerlijker eten, natuurlijker eten, beter eten en een groener Nederland. Eerlijker eten betekent: weten wat we eten, weten waar het vandaan komt, meer productie in de regio, minder schakels in de keten, een eerlijkere prijs voor de boer, die minder afhankelijk is van grote, machtige spelers in de voedselindustrie. Ik ben niet de enige die dat wil. Marktpartijen zelf zetten nu al de trend om de afstand tussen boeren en consumenten te verkleinen. In steeds meer supermarkten zie je een schap met streekproducten. Kaas komt steeds vaker rechtstreeks van een boerderij in de kaaswinkel. In het hele land verschijnen nieuwe winkels en markten die zich voorstaan op echt eten, regionaal eten of biologisch eten.

Het tweede punt is dat de landbouw alleen toekomst heeft als die rekening houdt met de natuur en andersom. Het moet niet alleen eerlijker; het moet ook natuurlijker. Dat geldt voor de manier waarop wij ons gewas beschermen, met minder chemicaliën, voor de manier waarop we de vis vangen, met minder bijvangst, voor de manier waarop we met mest omgaan, met minder fosfaat, voor de manier waarop we onze kassen verwarmen, met minder gebruik van fossiele energie, en voor de manier waarop we met onze dieren omgaan, met meer ruimte voor natuurlijk gedrag en met minder antibiotica. Natuurlijker eten is de enige weg. Hoewel de Nederlandse landbouw goed is, met een hoge productie tegen lage kosten, is het maar zeer de vraag of daar onze kracht voor de toekomst ligt. Er zijn steeds meer landen in de wereld die daarin beter zijn, waar de grond minder schaars is, waar de kosten van arbeid minder hoog zijn en waar men het net iets minder nauw neemt met de bescherming van de natuur. We moeten de kennis en expertise die ons onderscheidend maakt in kwantiteit, zo inzetten dat we ons meer onderscheiden in kwaliteit, in beter eten, zowel wat betreft het product als wat betreft de productie. Daarmee zijn we de laatste jaren goed op weg. Nederland is koploper. Ik zag het in Zuid-Afrika bij mijn eerste reis — het was een handelsmissie — die ik in deze functie mocht maken. Eigenlijk ging het niet zozeer over de export van Nederlands voedsel, afgezien van de appels en peren in het seizoen waarin Zuid-Afrika die zelf niet kan telen. Er was veel meer interesse in onze kennis. Het gaat over kennis over zaden, waarin Nederland wereldleider is. Het gaat over kennis over het slim verbouwen van het land. In Zuid-Afrika moet men de landbouw eigenlijk opnieuw uitvinden, om het zo te zeggen, na alle landhervormingen. Men gebruikt dan Nederlandse kennis om te zien hoe je dat zo slim mogelijk kunt doen, met zo min mogelijk water en met zo min mogelijk schade voor het milieu. Het gaat over kennis over irrigatie, bijvoorbeeld het water geven op basis van satellietgegevens, zodat je geen water verspilt. Het gaat over kennis over agrologistiek, waarin we — uiteraard! — ongelooflijk goed zijn. Het gaat zelfs over onze kennis over samenwerking tussen boeren. We exporteren zelfs het fameuze Nederlandse coöperatiemodel.

We zijn koploper. Kijk naar onze pulsvisserij, naar onze duurzame stallen, naar onze melkrobots. Maar bedenk ook wat er mogelijk is als we daarop voortborduren, als we landbouw en ICT verder integreren. Denk aan zelfcommunicerende en zichzelf corrigerende machines, installaties en kassen. Denk ook aan robots op de akkers, drones boven het land en dierlijke mest die we omzetten in kunstmest, in biogas en in energie. Denk aan moderne gewasbescherming. Denk aan tuinbouw in een gesloten systeem. Denk ook aan Agri meets Design — ik vind dat persoonlijk een mooi project — waarbij designers samen met boeren nadenken over het herontwerpen van het bedrijfsmodel en over het herontwerpen van de voedselketen.

Al dat soort dingen doen we voor onze toekomstige voedselproductie hier, maar ook voor de export, waarvan wij het moeten hebben, in de toekomst. We moeten gaan van koploper in kwantiteit naar koploper in kwaliteit, technologie en innovatie. Er liggen grote kansen voor Nederland, mits we ambitie hebben.

Niet alleen het eten moet natuurlijker, maar ook ons land, het groen om ons heen, waar we midden tussenin staan of waar we soms even van bovenaf naar kunnen kijken. Er zijn maar een paar plekken in Nederland waar je het even van bovenaf kunt bekijken. Dankzij de VPRO kan dat ook op tv, maar vorig jaar stond ik zelf op de Wageningse Berg. Je hebt daar een prachtig uitzicht. Als je naar beneden kijkt, zie je in één oogopslag wat Nederland zo bijzonder maakt. Je hebt de Gelderse bossen om je heen en onder je strekt zich het kleinschalige agrarische landschap uit, die groene weilanden met nog steeds diezelfde brede rivieren door datzelfde oneindige laagland van Hendrik Marsman van bijna 100 jaar geleden.

Als je die berg afdaalt en iets dichterbij gaat kijken, dan zie je echter dat die idylle onder druk staat, dat het niet meer zo mooi is als 100 jaar geleden, dat de natuur achteruitgaat en dat we, als we niet oppassen, anno 2016 de grutto alleen nog kennen als "de koning van de weide" uit het nieuwe nummer van Syb van der Ploeg. Daarom werken we ook samen met de boeren aan agrarisch natuurbeheer, beschermen we samen met de provincies onze unieke natuurgebieden en bouwen we samen met de samenleving aan een natuur die ertoe doet, die we kunnen beleven en benutten en die we als gevolg daarvan ook willen beschermen.

De Kamer hoort het al: ik zeg steeds "samen". Ik geloof er niet zo in dat alle heil van boven komt, van een overheid die de wereld naar haar hand zet. Echte verandering komt van onderop, vanuit de samenleving. Ik geloof dat de enige weg naar vooruitgang de weg van samenwerking is, van samenwerking met consumenten, boeren, kennisinstellingen, natuurorganisaties en bedrijven die vooruit willen. Met hen wil ik optrekken. En met de Kamer. De weg is "samen', de richting is "eerlijker, natuurlijker en beter".

Langs die lijnen wil ik ook mijn beantwoording inrichten. Dat doe ik in vier blokken. U noemde die al, voorzitter. In het blok "eerlijker" gaan we het hebben over dierenwelzijn, de intensieve veehouderij, de rituele slacht, de mestproblematiek, de weideslacht en de aanlandplicht. In het blok "natuurlijker" gaat het over het verdienmodel — de heer Graus is er nu niet, maar ik hoop dat hij er straks wel is, want juist hij had daar vragen over — en over mededinging, de kiloknallers, de NVWA en de retributies, de transparantie in de keten, de keurmerken, de regionalisering en het boeteplan van de SGP. Het blok "beter" gaat over groen onderwijs, exportkansen, voedselpatenten, biotechnologie, regeldruk en het GLB. Bij "groener" gaat het over de natuurvisie, het Natuurnetwerk Nederland, agrarisch natuurbeheer, de weidevogels, de fitnesscheck, de natuurvrijwilligers en de Marker Wadden, waarover vragen zijn gesteld. Dat is de indeling van de beantwoording die ik voor ogen heb. Ik hoop dat die de Kamer helpt om te weten wanneer zij waaraan toe is.

..................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Zeker, dat heb ik ook aangegeven. De heer Geurts moet regionalisering echter ook in internationaal perspectief zien. Dat is het interessante. Als er iets moet gaan gebeuren in de wereld, is het dat de wereld beter wordt in het produceren van zijn eigen voedsel. Was iedereen maar zo goed als wij zijn. Dan zouden we ons ook niet zulke grote zorgen hoeven maken over de voedselproductie voor 9 à 10 miljard wereldburgers. Die voedselproductie zal juist moeten gaan plaatsvinden op de plek waar de wereldbevolking het hardst groeit. Juist daar zijn grote verbeteringen te maken. En juist daar heeft men ook kennis nodig over hoe je dat doet. Hoe produceer je op een hoog productiviteitsniveau zonder de natuur en het klimaat te schaden, maar wel kansen te creëren voor kleine boeren? Dat soort vragen zal met name komen uit Afrika, waar de bevolking het hardst zal groeien. Daar liggen ook kansen voor Nederland. Ik beschreef al wat ik in Zuid-Afrika heb gezien, maar het kan ook op andere plekken. De kennis, de technologie en de ervaring die wij hebben, kunnen namelijk helpen bij de groei van de voedselproductie die daar moet gaan plaatsvinden. Ik denk echt dat die voor het grootste deel daar moet plaatsvinden, ook vanuit het oogpunt van het klimaat en de lokale economie.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Maar de kennis en de ervaring die wij hier in Nederland hebben om hoogproductief te zijn, zijn toch vooral geënt op veel kunstmest en landbouwgif?

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Thieme heeft gelijk dat we tot productiviteit zijn gekomen op basis van innovaties uit het verleden. Als je daar nu naar kijkt, moet je van sommige van die innovatie zeggen: is dat nou de manier waarop we voort moeten? Dat doen we dus ook niet. We proberen te bekijken of we gewasbescherming kunnen uitvoeren op een natuurlijkere manier. En kunstmest hoeft niet altijd negatief te zijn, integendeel. Natuurlijke mest spoelt vaak meer uit naar het milieu dan kunstmest. Dus het gebruik van kunstmest zal ook op andere plekken in de wereld noodzakelijk zijn om de voedselproductie op het niveau te krijgen dat nodig is om genoeg mensen te voeden. Ik zei zonet al dat op dit moment een op de tien mensen honger lijdt. Er is dus wel reden om ons zorgen te maken. Ik denk dat we het aankunnen, maar het betekent wel dat we een hoop moeten doen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Inderdaad moeten we dan ook zuinig zijn met kunstmest. Dan is het schokkend om te weten dat de meeste kunstmest wordt gebruikt voor dierlijke producten. Er wordt eerst plantaardig voedsel geteeld, waar veel kunstmest op gaat. Vervolgens gaat dat naar het dier en houden we er maar een fractie van over. We zullen dus ook daarover een discussie moeten voeren. Hoe kunnen we zo efficiënt mogelijk zo veel mogelijk mensen voeden? Mijn vraag gaat over het feit dat we koploper zijn, zoals de staatssecretaris zei. Wij staan echter niet in de top vijf van de landen met het percentage meeste biologische landbouwgrond. Daarin staan landen als Estland en Oostenrijk. Is de staatssecretaris met mij van mening dat wij moeten streven naar een zo hoog mogelijk percentage aan biologische landbouwgrond, omdat ook de VN zegt dat ecologische landbouw de toekomst is als we steeds meer mensen krijgen op de wereld?

Staatssecretaris Van Dam:
Ik denk dat we moeten streven naar zowel productiviteit als een balans met de natuur en het klimaat. Het hoeft niet altijd per se biologisch te zijn, maar ik benadruk niet voor niets dat de balans met de natuur noodzakelijk is. Dat zullen we hier moeten doen, want Nederland is een dichtbevolkt land met weinig natuur, die ook nog eens zeer onder druk staat door allerlei economische en menselijke activiteiten. Daarom zeg ik ook dat het, als we erin slagen om daar beter in te worden, ons kennis zal geven die elders op de wereld nodig gaat zijn om die balans in het oog te houden.

........................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik realiseer me dat ik aan de indeling van de blokjes iets heb veranderd. In het eerste blok doe ik ook de kiloknallers, terwijl ik had gezegd dat ik dat in het tweede blok zou doen.

Het eerste blok gaat over eerlijker eten. Ik gaf al aan dat ik het bewust heb ingedeeld op basis van een aantal ambities, die ook een vertaalslag hebben naar de omgang met de voedselketen in de landbouw. Ik heb al gezegd wat het voor mij betekent: weten wat we eten, weten waar het vandaan komt, meer productie in de regio, minder schakels in de keten en vooral een eerlijkere prijs voor de boer, die minder afhankelijk is van grote, machtige spelers in de voedselindustrie. De fractie van de PvdA vroeg of ik klaar ben voor een omwenteling in het voedselsysteem, mevrouw Dik-Faber vroeg naar regionalisering van de voedselproductie en mevrouw Dikkers verwees naar veranderingen die in de lucht hangen. In mijn inleiding heb ik al aangegeven dat ik die veranderingen proef. Ik realiseer me dat wij motivatie en energie bij consumenten en ondernemers nodig hebben om veranderingen te realiseren. Het kabinet heeft de voedselagenda opgesteld met het WRR-rapport als uitgangspunt. Wij gaan daarover in debat met de samenleving. Het is voor mij een belangrijk uitgangspunt voor het beleid dat ik de komende anderhalf tot twee jaar, hoe lang mij ook gegeven is, wil voeren. Een belangrijk onderdeel van die agenda is het stimuleren van innovatie en het geven van ruimte aan initiatieven die de gewenste transities helpen realiseren. Het gaat daarbij inderdaad om de nadruk op kwaliteit boven kwantiteit — het gaat om meer transparantie, ik zei dit al — en daarmee om meer vertrouwen in de voedselketens, goede beleidsprikkels en het bevorderen van duurzame voedselproductie en -consumptie.

Ik kom daarmee als eerste op de eerlijke prijs in de keten. Een eerlijk, natuurlijk en kwalitatief product is ook wat waard. Om economisch duurzaam te blijven produceren, is het nodig dat een product zich voldoende onderscheidt in de ogen van de consument en meerwaarde biedt. Het is ook nodig dat de achtereenvolgende schakels, de boer, de verwerker, de retail, de catering, de horeca, met elkaar samenwerken en dat ze zich bewust zijn van het effect van keuzen op andere plekken in de keten. Samenwerking leidt tot een gegarandeerd duurzaam product. Er zijn mooie initiatieven vanuit het bedrijfsleven: het Beter Leven keurmerk dat samen met de Dierenbescherming is ontwikkeld, het duurzame varkensvlees zoals bijvoorbeeld het Livar-varken en ontwikkelingen — de heer Graus gaf dit al aan — die gericht zijn op het "made in Holland"-stempel, ik kom daar straks nog op terug. Dit zijn initiatieven die laten zien dat ook de sector de transitie inzet naar verduurzaming, meer kwaliteit en meer dierenwelzijn. In eerste instantie worden duurzaamheidsconcepten vaak ontwikkeld voor de binnenlandse markt, maar je ziet dat ze ook kansen bieden voor de internationale markt, de export. De heer Geurts vroeg hier naar. In Duitsland bijvoorbeeld wordt de vraag naar biologisch vlees groter. Het is niet gek om te verwachten dat dat soort ontwikkelingen zich ook op andere markten gaan voordoen. Hoewel het soms lastig is om de transitie te maken als je voorop loopt, biedt het zeker kansen voor de toekomst als je het goed doet.

Ik vind het belangrijk om hierbij onderscheid te maken tussen de rol van de overheid en de rol van het bedrijfsleven. Het ontwikkelen van dit soort nieuwe verdienmodellen is primair een verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Dat neemt niet weg dat ik die graag wil ondersteunen. Zowel de heer Geurts als de heer Graus heeft gevraagd naar mijn inzet hiervoor. Ik geef een paar voorbeelden.

Wij faciliteren de pilot Gedragscode eerlijke handelspraktijken agrofoodsector. Deze pilot moet ervoor zorgen dat ondernemingen met een goede onderhandelingspositie zich onthouden van het stellen van onredelijke voorwaarden en het eenzijdig wijzigen van contractvoorwaarden van reeds afgesloten contracten. De evaluatie daarvan wordt rond de jaarwisseling aan de Kamer gestuurd. De Autoriteit Consument & Markt heeft een onderzoek uitgevoerd naar de prijsvorming in de voedselketen. De Voedselprijzenmonitor van LEI Wageningen UR houdt op maandbasis bij hoe de voedselprijzen zich in verschillende schakels van de keten ontwikkelen.

Ik geef nog een voorbeeld. Het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid versterkt de positie van de primaire producent door samenwerking binnen producenten- en brancheorganisaties in de landbouw toe te staan. In dit kader ondersteun ik bijvoorbeeld het initiatief van de Producenten Organisatie Varkenshouderij om in de regiegroep Vitale Varkenshouderij maatregelen uit te werken die gericht zijn op een versterking van de markt- en de ketenpositie van de varkenshouders. Mevrouw Dik-Faber vroeg of ik daar ruimte toe zie, waarop het antwoord dus ja is.

Daarnaast is het belangrijk dat er meer ruimte komt voor duurzaamheidsinitiatieven als de Kip van Morgen; mevrouw Ko?er Kaya vroeg daarnaar. De minister van Economische Zaken heeft aangegeven dat hij met een aangepaste beleidsregel komt over mededinging en duurzaamheid, die naar verwachting eind dit jaar gepubliceerd kan worden voor consultatie. Ook wordt in overleg met de Europese Commissie bekeken of de interpretatie van de mededingingsregels op het gebied van duurzaamheid meer ruimte kan bieden. Maar ... Ik bewaar mijn laatste opmerking, want die slaat een brug naar het volgende onderwerp.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Natuurlijk is het ook aan de markt om te bekijken hoe de prijs zich kan ontwikkelen, maar we hebben te maken met externaliteiten waar de maatschappij voor opdraait, zoals milieuvervuiling en dierenwelzijnsproblemen. Die worden op dit moment niet verdisconteerd in de prijs. Is het niet van belang dat de staatssecretaris zicht heeft op hoe groot die externaliteiten zijn en hij weet wat de echte prijs is van bijvoorbeeld varkensvlees? Die ligt volgens de Vrije Universiteit in Amsterdam namelijk 40% te laag. Dat onderzoek is meen ik uit 2010, inmiddels alweer vijf jaar geleden. Ik verzoek de staatssecretaris om inzicht te krijgen in de externaliteiten die op dit moment worden afgewenteld, vaak via belastingen of uitgaven die de overheid moet doen om de natuur te revitaliseren en de waterkwaliteit te verbeteren. Vlees, zuivel en ei hebben vaak een grote voetafdruk met veel externaliteiten. Hoe zit dat precies in elkaar? Is de staatssecretaris bereid om daar onderzoek naar te doen?

Staatssecretaris Van Dam:
De vraag is of zo'n onderzoek wel te doen is en of het ook zinvol is. Alle economische activiteit heeft externe effecten, bijvoorbeeld op klimaat en natuur. Daarvoor hebben we een gezamenlijke verantwoordelijkheid. We weten dat het zo is en we leggen die rekening niet volledig neer bij de producenten en andere bedrijven die activiteiten ondernemen die deze effecten opleveren. Via belastingen innen we namelijk geld dat we kunnen inzetten voor bijvoorbeeld de bescherming van natuur en verbetering van het klimaat. Er zijn dus wel externe kosten aan verbonden, maar via het belastingstelsel innen we geld, dat we weer verdelen. Daar betalen de bedrijven aan mee. Dat doen we juist om de negatieve gevolgen van bedrijfsactiviteiten te kunnen opvangen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Het Planbureau voor de Leefomgeving beveelt de staatssecretaris aan — dat doet hij zeer waarschijnlijk ook, want ik ken hem als een dossiervreter — om er goed naar te kijken dat niet alleen heel veel externaliteiten niet in de prijs verdisconteerd worden, maar dat we zelfs ook subsidies geven op producten die juist heel milieuvervuilend zijn. Ik denk dat wij als overheid moet weten waar wij op dit moment oneigenlijk producten aan het subsidiëren zijn, wat ons heel veel geld kost. Denk bijvoorbeeld aan het feit dat vlees in een verlaagd btw-tarief zit, terwijl de externaliteiten van vlees enorm zijn. Het is dan toch op zijn minst logisch om af te stappen van een voorkeurspositie voor vlees in de btw-tariefstelling en vervolgens te bekijken hoe de rekening kan worden gelegd waar die moet worden gelegd?

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Thieme zegt twee dingen waarop ik wil ingaan. Zij zegt dat vlees onder het verlaagd btw-tarief valt, maar vlees zit gewoon in het btw-tarief voor voedsel. Er is dus geen sprake van subsidie, zoals mevrouw Thieme zegt, maar gewoon van het reguliere belastingtarief voor voedsel.

Daarnaast vraagt mevrouw Thieme zich af of wij misschien subsidies inzetten die in feite tegengesteld werken aan wat wij beogen. Zij mag van mij verwachten dat ik daar kritisch naar zal kijken. Ook mevrouw Dikkers heeft een aantal vragen gesteld over het instrumentarium dat in de begroting zit. Alle instrumenten die wij inzetten, moeten bijdragen aan de ambities die wij hebben op het gebied van duurzaamheid, diervriendelijkheid en klimaat.

.............................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik deel niet meteen die conclusie, dat het vergroten van de internationale handel per definitie een bedreiging is voor boeren. Dat kan ook kansen bieden, maar als mevrouw Dik vraag of ik de zorgen daarover deel, kan ik dat bevestigen. Die zorgen deel ik. Het is ook de inzet, ook van de Europese Unie als geheel, in de onderhandeling over TTIP om te zorgen dat dat vooral kansen biedt en dat we bedreigingen proberen te minimaliseren.

Ik had het over de eerlijke prijs. Ik sluit af met de opmerking dat we als consumenten vaak wel geneigd zijn om te kiezen met ons hart maar dat we in werkelijkheid natuurlijk ook vaak kiezen met onze portemonnee.

Daarmee kom ik bij de oproep van mevrouw Dikkers om kiloknallers te verbieden. We worden allemaal naar de supermarkt gelokt met aanbiedingen. Laten we eerlijk zijn, dat is best fijn voor de portemonnee. Maar vlees is geen pak koekjes. Vlees is geen zak chips. Vlees is geen fles cola. Vlees komt van een dier en daar stunt je niet mee. Ik vind het ongehoord en onverantwoord dat het wel gebeurt. Want doe je dat toch, dan neem je willens en wetens de verantwoordelijkheid voor een keten waarin de boer de prijs betaalt en het dier de pineut is. Ik snap best dat sommigen van u zeggen dat dit verboden zou moeten worden. Maar de vraag die je daarbij moet stellen is of dat dan ook echt werkt en of het voorstel dat is gedaan door mevrouw Dikkers, dat je vlees niet beneden een bepaalde prijs mag verkopen, ook het effect heeft dat zij beoogt. Er is namelijk geen enkele garantie in de voedselketen waar we het net al over hadden dat het geld dat daarmee extra door de consument wordt betaald ook daadwerkelijk bij de boer en bij zijn beesten terechtkomt en dat het leidt tot een beter dierenwelzijn. De boeren zijn namelijk de meest kwetsbare schakel in de keten. Ook de ervaring in andere ketens leert dat als er ergens geld overblijft in de keten, dat meestal niet naar dat punt toe stroomt.

Ik zei al dat je als je echte verandering wilt, dan moet zorgen dat die van onderop komt, dat die ook doorleefd wordt. Dan moet je dus samenwerken met de supermarkten, met de voedselketen en met de boeren om het dierenwelzijn op te krikken en te zorgen dat boeren een betere prijs krijgen. Die samenwerking is er al en daar zien we ook resultaten van. Er is duidelijk sprake van een kentering. Sommige supermarkten lopen nu al voorop in de omslag van het huidige vlees naar vlees van dieren die een beter leven hebben gehad. Dan gaat het niet alleen om idealistische supermarkten, zoals ik ze maar noem, maar ook om gewone ketens, waar we allemaal dagelijks onze boodschappen doen. Ik wil dus ook door met die samenwerking. Ik zal daar hard aan trekken. Ik zeg erbij dat ik wel zichtbare resultaten wil. Ik zeg er ook bij dat als we de veehouderij in Nederland willen veranderen, het aanpakken van kiloknallers een onderdeel daarvan is maar niet het hele verhaal. Ik kom straks nog te spreken over de toekomst van de varkenshouderij in ons land.

.......................................

Staatssecretaris Van Dam:
Een ander belangrijk element bij het eerlijk produceren van ons eten tegen een eerlijke prijs is het toezicht. De verantwoordelijkheid voor veilige producten ligt primair bij de producent, maar de overheid heeft de taak toezicht te houden. Het toezicht van de NVWA is daarbij van groot belang voor het borgen van publieke belangen, zoals de volksgezondheid, waaronder voedselgezondheid, diergezondheid en plantgezondheid, en de exportpositie van de agrarische sector. Het vertrouwen van burgers en bedrijven in veilig voedsel en veilige producten is daar mede afhankelijk van. Diverse leden, onder wie de heer Van Gerven, de heer Dijkgraaf en mevrouw Dik-Faber, hebben gevraagd naar het budget van de NVWA. Bij Najaarsnota heeft een bijstelling plaatsgevonden ten opzichte van het financieel kader zoals dat eind 2013 was afgesproken. Ik heb de Kamer in een brief meegedeeld dat ik heb geconstateerd dat een deel van de knelpunten die zijn geconstateerd in 2015, zich waarschijnlijk ook in 2016 en verder zullen voordoen.

Daarom heb ik, ook vanuit het budgettaire kader voor de NVWA, aangegeven dat ik een tweetal acties in gang zal zetten. Ten eerste is dat een doorlichting van de efficiency van de NVWA. Het plan van aanpak dat twee jaar geleden in gang is gezet, is alomvattend. Daarmee moet het toezicht verder worden versterkt. Maar destijds is al gemeld dat inherent aan zo'n operatie het risico aanwezig is dat niet alle besparingen kunnen worden gerealiseerd, of niet in het tempo dat was voorgenomen. Dat doet zich hier voor, maar dat betekent niet dat ik me meteen neer wil leggen bij het feit dat die besparingen niet worden gerealiseerd. Ik wil bekijken of het toezicht wel zo efficiënt mogelijk is gerealiseerd en of er andere besparingen mogelijk zijn, en zo ja, in welk tempo. Daarom een doorlichting van de efficiency. Ten tweede loopt het budget in de EZ-begroting terug. Dat staat al langere tijd in de meerjarenbegroting. Maar de ambities voor het toezicht lopen allesbehalve terug. De druk vanuit de Kamer daarop is natuurlijk ook aanwezig. We willen namelijk allemaal een zo goed mogelijk toezicht. Dat noopt mij wel tot het herijken van het opdrachtenpakket om de balans tussen het budget en het gevraagde niveau van toezicht ook structureel te kunnen waarborgen voor de komende jaren. Ik stuur de Kamer daarom in het voorjaar de voortgangsrapportage inclusief de resultaten van de acties die ik heb genoemd. En als het nodig is, zal ik bij Voorjaarsnota met aanvullende maatregelen komen.

Staatssecretaris Van Dam:
Mijn intentie heb ik al gedeeld in de brief. Laten we er volgende week verder over spreken of het daarmee voldoende duidelijk is.

Ik kom bij de retributies. Een aantal leden heeft daar vragen over gesteld. De NVWA voert taken uit voor het bedrijfsleven, zodat het bijvoorbeeld zijn producten kan exporteren. De totale exportwaarde is 80 miljard en de retributies bedragen in totaal ongeveer 70 miljoen. Dat is dus minder dan een promille van de totale exportwaarde. Het uitgangspunt is dat de kosten die de NVWA maakt verdisconteerd zijn in het tarief en dat het tarief kostendekkend is. Kosten moeten volgens bedrijfseconomische principes worden doorberekend. Conform het rapport Maat houden is de regel dat kosten voor het toezicht in beginsel worden doorberekend indien een of enkele partijen daar specifiek toerekenbaar profijt van hebben. Dat is het profijtbeginsel. Ook het bedrijfsleven heeft immers baat bij een goed functionerende NVWA, met name voor het behoud van de exportpositie. Ik noemde dat net al.

Het kabinet is van mening dat de kosten doorberekend moeten worden. Geheel of gedeeltelijke financiering door de overheid, zoals de heer Geurts vroeg, is niet aan de orde. Ook een verlaging van de retributies is dus niet aan de orde. Met de herziening van het retributiestelsel in 2013 is ook gewerkt aan een vereenvoudiging van het retributiestelsel. Er zijn echter ook een aantal voorzieningen getroffen om de overgang naar volledig kostendekkende tarieven voor het bedrijfsleven te overbruggen. Die zijn wel voor rekening van het ministerie van Economische Zaken gekomen.

In 2016 wordt de volgende stap gezet naar het volledig kostendekkend maken van de tarieven van de NVWA. De heer Geurts refereerde daarbij ook aan de concurrentiepositie en de werkgelegenheid die de Nederlandse zee- en luchthavens ons bieden. Uit een onderzoek, waarin de totale kosten van havenaanloop en doorvoer op de onderzochte goederenstromen worden vergeleken met de kosten in de ons omliggende landen, blijkt dat de onze niet uit de pas lopen. De minister van Infrastructuur en Milieu heeft aangekondigd het gesprek met het bedrijfsleven aan te gaan over concrete casussen waarin onevenwichtige tarieven zouden kunnen leiden tot het uitwijken van lading, zodat voor die gevallen kan worden bezien of specifieke oplossingen gevonden kunnen worden.

De heer Dijkgraaf vroeg naar het signaal dat de brancheorganisaties hierover hebben afgegeven. Op 11 november 2015 heeft het eerste overleg plaatsgevonden met de betrokken organisaties, waaronder Transport en Logistiek Nederland en ambtelijke vertegenwoordigers van mijn departement, de departementen van I en M en VWS en de NVWA. Tijdens dat overleg zijn afspraken gemaakt over de thema's die met de sectoren worden opgepakt. Begin 2016 vindt vervolgoverleg plaats. Daarnaast zijn in het kader van het actieplan Maatwerk Aanpak Regeldruk Logistiek twee onderzoeken gestart. Het eerste onderzoek ziet op de stroomlijning van de regelgeving en het toezicht op fytosanitaire en veterinaire goederen. Het tweede onderzoek, naar de plantaardige keten, richt zich op de werkwijze en tarieven van het laboratoriumonderzoek bij import van levensmiddelen met een hoog risico uit landen met een verhoogd volksgezondheidsrisico. Naar verwachting zijn de resultaten van dit onderzoek in het eerste kwartaal van 2016 gereed. Dan wordt de Kamer hier natuurlijk over geïnformeerd.

..............................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik kom op de keurmerken. Er zijn veel keurmerken voor voedsel. Mevrouw Ko?er Kaya heeft dit terecht opgemerkt. Dit kan voor de consument best verwarrend zijn, zelfs voor de consument die er heel bewust op let. De keurmerken betreffen uiteenlopende duurzaamheidsaspecten, zoals dierenwelzijn, milieu en sociale normen. Daaruit blijkt meteen ook de complexiteit. Ze zijn niet in een simpel en duidelijk duurzaamheidsstoplicht te vatten, zoals mevrouw Ko?er Kaya voorstelt. Een stoplichtensysteem doet geen recht aan alle nuances die spelen rond duurzaamheid. Het zou er zelfs toe kunnen leiden dat op zo'n beetje alle producten die je in de supermarkt tegenkomt, een oranje stoplicht staat omdat er altijd positieve dingen en negatieve dingen zijn. Dan biedt het dus niet de informatie die je zoekt.

Ook Milieu Centraal geeft aan in plaats van voor een stoplichtenmodel te willen kiezen voor het vergroten van de bekendheid van de bestaande keurmerken, en wel door daarbij meer uitleg te verschaffen. Want waar gaat het uiteindelijk om? We hopen dat die keurmerken leiden tot bewustzijn bij consumenten, dat die consumenten op basis daarvan bewuste keuzes maken en dat dat ook effect heeft op de manier waarop producten worden geproduceerd. Die beweging wil ik alle ruimte geven. Als dat betekent dat er soms een nieuw keurmerk bij komt dat voor weer een stapje meer duurzaam staat, dan juich ik dat toe. Keurmerken zijn het resultaat van duurzame productie. Ik vind dat bedrijven die hun best doen om een stap extra te zetten, dat best met een keurmerk mogen laten zien. Een teveel aan keurmerken kan er echter toe leiden dat goedbedoelde keurmerken minder effectief worden en dat consumenten afhaken doordat ze door de bomen het bos niet meer kunnen zien. Over de veelheid en effectiviteit van keurmerken kan de Kamer op korte termijn twee rapporten verwachten. Dat zijn een rapport van Milieu Centraal in opdracht van de staatssecretaris van I en M, en een intern vooronderzoek door de ACM. Over de uitkomsten van die onderzoeken en onze reactie op de aanbevelingen wordt de Kamer zeer binnenkort bericht. Daarnaast wordt het gesprek ook gevoerd met de Alliantie Verduurzaming Voedsel en andere betrokken partijen. Hun is gevraagd om zelf tot een ordening te komen van keurmerken voor voedsel, om via die weg de bekendheid en de werking van keurmerken te vergroten. De alliantiepartners werken hier nu gezamenlijk met Milieu Centraal naartoe. We betrekken daar diverse stakeholders bij, zoals de ngo's.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Het woud aan keurmerken is ontstaan omdat de overheid geen kader geeft. De overheid laat het over aan de markt, die natuurlijk wel oor heeft naar allerlei nichemarkten waar nog net even wat meer geld verdiend kan worden. Het gaat er natuurlijk om dat wij een antwoord moeten formuleren op de toenemende vraag van de burger naar verantwoord voedsel. Dat kun je wel aan de markt overlaten, die dan met allerlei nichemarkten komt, maar feit blijft dat wij een exportland zijn. De meeste producten gaan dus naar het buitenland, waar helemaal geen keurmerk voor nodig is. De burger heeft dus niet zo veel aan die keurmerken om het systeem te kunnen veranderen. We zullen dus een soort minimumnorm moeten gaan stellen die hoger is dan wat we nu hebben op het gebied van dierenwelzijn en milieu. Dan krijg je een gelijk speelveld. Dan weten we allemaal wat de minimale normen zijn en waaraan het product voldoet. Dan hebben we de keurmerken niet nodig. Is de staatssecretaris dat niet gewoon met mij eens?

De voorzitter:
Heel goed.

Staatssecretaris Van Dam:
Ah, een nieuwe voorzitter.

De voorzitter:
Een nieuw geluid.

Staatssecretaris Van Dam:
Ben ik het ermee eens dat het woud aan keurmerken eenvoudiger en overzichtelijker zou kunnen? Ja. Ben ik het ermee eens dat het aan de overheid is om dat te doen? Nee. Je kunt het bedrijfsleven ook niet verbieden om zelf initiatieven te nemen en zijn duurzaamheid zichtbaar te maken. Ik ben ervoor, zoals ik zonet schetste, om samen met het bedrijfsleven te bekijken hoe we een en ander inzichtelijker kunnen maken. Daarover wil ik het gesprek voeren in de Alliantie Verduurzaming Voedsel, samen met de partners die daar aan tafel zitten.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Uiteraard zul je altijd samen met de sector moeten optreden om te bekijken of er nog meer te doen valt op het gebied van dierenwelzijn, natuur en milieu. De staatssecretaris zegt echter zelf al dat het ongelofelijk moeilijk is om dat terug te brengen tot een stoplichtenkeurmerk, en dat er alweer andere ideeën zijn over hoe je dat moet doen. Dan is het toch logisch dat de Partij van de Arbeid gisteren met het voorstel kwam om in ieder geval een kader te schetsen? Zij wil dat er niet onder de kostprijs wordt geproduceerd, maar dat de burger een verantwoord product krijgt tegen een eerlijke prijs. Dan is die stap toch heel logisch?

Staatssecretaris Van Dam:
Wat ook heel logisch zou zijn, is dat mevrouw Thieme het rapport van Milieu Centraal even afwacht. Ik zei al dat dit zeer binnenkort naar de Kamer komt. De Kamer heeft alle ruimte om daarover vervolgens een debat in te plannen. Dan kan zij dat ook doen op basis van het onderzoek waarvan zij weet dat het onderweg is en bijna bij de Kamer is. Dat zou het debat bevorderen, want dan ziet mevrouw Thieme ook hoe bijvoorbeeld Milieu Centraal daar zelf naar kijkt en wat wij daar vervolgens mee doen.

.................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Dat vermoedde ik al. Al dat praten over eten, maakt hongerig. Het lijkt me verstandig om dat te doen.

Het kabinet onderschrijft de wens van de WRR om het voedselsysteem robuuster te maken. Regionalisering van de voedselproductie kan hieraan een bijdrage leveren. Ook een goede marktwerking is van belang in dit kader. Zo ziet het kabinet in Europa ruimte voor meer regionale teelt en afzet van eiwitgewassen, mede om de afhankelijkheid van de import van eiwitgewassen te verminderen. Daarmee kan bijgedragen worden aan het verbeteren van de regionale kringloop, de beschikbaarheid van grondstoffen en de eiwittransitie. Momenteel is het bedrijfsleven bezig met een initiatief om de teelt en nieuwe marktketens te ontwikkelen. Het zoekt hierbij steun bij andere stakeholders en overheden. Het kabinet wil deze ontwikkelingen faciliteren via het topsectorenbeleid. Op dit moment voert ook het Haags centrum voor strategische studies een onderzoek uit om meer inzicht te krijgen in de robuustheid van het voedselsysteem. Dat gaat over de kwetsbaarheden en afhankelijkheden van import. Ik wil mede aan de hand daarvan in het komende jaar scherp voor ogen krijgen waar onze kwetsbaarheden vooral liggen en wat wij daaraan kunnen doen. Ik zal de Kamer van de uitkomsten hiervan op de hoogte stellen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft over de regionalisering aangegeven dat wij af moeten van de focus op export. De staatssecretaris heeft heel wat gezegd over het exporteren van kennis in het kader van duurzaamheid waar ik het helemaal mee eens ben. Wij moeten echter juist terughoudendheid zijn in de export van dierlijke producten, omdat de productie daar moet plaatsvinden. Is de staatssecretaris het met de WRR eens dat we de focus moeten verleggen van de export van allerlei landbouwproducten, met name dierlijke producten, naar de regionalisering van de producten hier?

Staatssecretaris Van Dam:
Ik moet wel tegen mevrouw Thieme zeggen dat het grootste deel van onze export richting Europese landen gaat. Vanuit Nederland gezien kun je dat als export zien, maar vanuit Europa gezien is het de binnenlandse markt. Ik beschouw dat wel als regio. Alle verre internationale transporten zijn vanuit het oogpunt van duurzaamheid minder wenselijk. Op dit moment importeren wij echter heel veel soja uit Zuid-Amerika en daarvoor hebben wij geen alternatieven in Europa, hoewel binnen Europa wel naar de ontwikkeling van alternatieven wordt gekeken. Dit is vanuit het oogpunt van duurzaamheid wenselijk, maar ook vanuit het oogpunt van onze kwetsbaarheid, omdat we nooit volledig zelfvoorzienend kunnen zijn, dat kan bijna niemand op de wereld. Hoe goed we ook proberen om genbananen en -ananassen te maken, we zullen er niet in slagen om zelfvoorzienend te zijn. Er zal altijd import en export van voedsel zijn. Als wij de groeiende wereldbevolking willen voeden op een duurzame manier, zal dat ook meer regionaal moeten gebeuren. Wij moeten opletten dat wij niet te kwetsbaar zijn en daarom doet dit Haags centrum voor strategische studies ook dat onderzoek naar de kwetsbaarheid.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Zeker, daarom kent de hele voedseldiscussie veel parallellen met de energiediscussie. Wij worden minder afhankelijk van andere landen met import. Wij zien ook dat binnen de handelsmissies die door dit kabinet worden georganiseerd naar bijvoorbeeld Japan en China, wordt getracht om kalfsvlees af te zetten. Naar China, waar de meeste mensen lactose-intolerant zijn, wordt getracht Nederlandse melk te transporteren. Dat past toch niet bij de duurzaamheidsgedachte waarover deze staatssecretaris zo veel mooie woorden zegt?

Staatssecretaris Van Dam:
Import en export zullen er altijd zijn. De handelsmissie naar Japan ken ik een beetje, omdat deze oorspronkelijk in de agenda van mijn voorganger stond. Gelukkig is de minister daar naartoe gegaan zodat ik de ruimte kreeg om mij iets meer in te werken. Kennis, innovatie en technologie vormen een sterke component in deze missie. Met de handelsmissie naar Zuid-Afrika ben ik zelf mee geweest; het overgrote deel daarvan ging over kennis en technologie. Zuid-Afrika heeft, net als wij, het hele jaar behoefte aan appels. Je kunt daarover discussiëren. Ik vind het ook goed als je meer groente en fruit eet uit het seizoen. De behoefte is er en men kan daar ook niet het hele jaar door appels en peren produceren. Als we er toch zijn en we proberen afspraken te maken om vanuit Nederland appels en peren te leveren in het seizoen dat Zuid-Afrika ze zelf niet kan produceren, heeft dat grote voordelen voor onze telers. Het is voordelig als men de afzetmarkt kan vergroten, zeker na het wegvallen van de Russische markt. Ze zullen er altijd zijn, maar de nadruk bij dit soort missies ligt meer en meer op kennis en technologie. Mevrouw Thieme hoeft zich daarover geen zorgen te maken.

............................................

Mevrouw Thieme (PvdD):
De afgelopen jaren hebben wij te maken gehad met heel veel voedselschandalen. Ik denk aan het vlees waar poepbacteriën op zaten en het schandaal rond het frauderen met paardenvlees. Gisteren is er een uitspraak gedaan in een rechtszaak. De rechter heeft gezegd dat de NVWA de productienamen en de afnemers had moeten publiceren, zodat de mensen wisten waar het paardenvlees terecht was gekomen en dus ook wisten of het wellicht in hun vriezer was terechtgekomen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij van plan is om, als zich weer een voedselschandaal voordoet, meteen duidelijk te maken van wie het vlees afkomstig is en waar het te koop is, zodat consumenten zelf de keuze kunnen maken of zij dat vlees al dan niet gaan consumeren.

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Thieme gaf al aan dat het gaat om een uitspraak die gisteren gedaan is. Het lijkt mij goed dat ik die samen met de NVWA bestudeer, om na te gaan welke betekenis die uitspraak heeft voor toekomstige situaties.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Kunnen wij dan een brief krijgen waarin de staatssecretaris een reactie geeft op de uitspraak van de rechter?

Staatssecretaris Van Dam:
De uitspraak is nog heel vers en gisteren had ik een aantal andere bezigheden, onder meer naar de Kamer luisteren, dus ik heb de uitspraak nog niet goed kunnen bestuderen. Ik heb dus ook niet goed kunnen nagaan wat de betekenis van de uitspraak is, ook voor toekomstige situaties. Laten wij ons daar eerst even over buigen. Vervolgens zal ik de Kamer informeren.


............................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Voorzitter. Ik zal proberen zo min mogelijk vragen uit te lokken; dat zal helpen. Het tweede blok van mijn beantwoording gaat over natuurlijker eten. Zoals Ban Ki-moon vorig jaar tijdens de klimaattop in New York al zei, staat de wereld voor twee heel grote uitdagingen: een super snel groeiende wereldbevolking voorzien van energie en van voedsel, zonder daarbij de natuur en het klimaat onherstelbaar te beschadigen. In het door mensen en dieren dichtbevolkte Nederland voelen we die druk elke dag en zijn we continu op zoek naar steeds efficiëntere productiemethoden, die in balans zijn met de unieke natuur die we hier hebben. Ik zei zonet al dat de enige toekomst voor de landbouw een duurzame landbouw is. De richting is natuurlijker. Ik kom zo te spreken over dierenwelzijn, het wetsvoorstel dierenaantallen, de regels in Brabant, de antibiotica, de rituele slacht, mest en fosfaat, de weideslacht en de aanlandplicht.

Ik begin met dierenwelzijn. Veehouders werken dagelijks en met ongelooflijk veel passie — dat heb ik bij mijn eerste werkbezoeken mogen zien — aan de veehouderij en de verduurzaming daarvan. Dierenwelzijn is daar een integraal onderdeel van. Op dierenwelzijnsgebied behoort Nederland al tot de koplopers en daar mogen we trots op zijn. Ik realiseer me dat het verder verankeren van dierenwelzijn in een duurzame veehouderij geen eenvoudige opgave is. De ontwikkeling van nieuwe veehouderijsystemen zoals de rondeelstal, de windstreekstal, de vrijloopstal en de nieuwe kraamhokken voor zeugen laten zien dat met goede huisvesting en goed management veel winst te behalen valt. Daarbij spelen ook randvoorwaarden als het kunnen vermarkten van die producten op de nationale en internationale markt een rol. De sector, de keten en de Dierenbescherming werken daar gezamenlijk aan, ondersteund door de overheid. Ik ben dus ook graag bereid om met alle dierenbeschermingsorganisaties die hieraan willen bijdragen, om tafel te gaan. Belangrijk is dat de hoge ambities van Nederland op het vlak van dierenwelzijn ook hun weerslag krijgen in Europese regels. Dat is niet alleen belangrijk voor eerlijke concurrentieverhoudingen binnen de EU, maar ook voor de verbetering van het dierenwelzijn in andere EU-lidstaten. Met een aantal andere koplopers — Duitsland, Denemarken, Zweden en nu ook met steun van Luxemburg, België en Oostenrijk — wordt actief ingezet om gezamenlijk het dierenwelzijnsniveau in de hele Europese Unie te verhogen.

De voorzitter:
Ik heb het idee dat u met een soort inleiding bezig bent. Hebt u die hiermee afgesloten?

Staatssecretaris Van Dam:
Nee, voorzitter, ik was al volop bezig met het beleid ten aanzien van dierenwelzijn.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Dan staan de hoge ambities toch wel in erg schril contrast met de werkelijkheid. De staatssecretaris heeft het over de rondeelstal. Ik had het daar in mijn eerste termijn ook al over. Daar zijn er nog maar vier van. Daarin verblijven 18.000 dieren terwijl er in Nederland bijna 47 miljoen kippen zijn. Dat zijn peanuts. Het stelt niets voor. In de afgelopen tien jaar is er niets veranderd. Er is er per jaar maar één bij gekomen. Dan kan deze staatssecretaris toch niet zeggen dat de kippenhouderij echt vol bezig is met verduurzaming?

Staatssecretaris Van Dam:
In een eerder deel van dit debat heb ik gezegd dat het voor mevrouw Thieme ongetwijfeld niet altijd snel genoeg gaat. Ik begrijp zowel haar ambitie als haar ongeduld. Je moet je echter ook realiseren dat wij spreken over een grote sector waarin veranderingen sowieso niet van de ene op de andere dag kunnen plaatsvinden, maar tijd vergen. Ik zie echter positieve ontwikkelingen. De rondeelstal is er daar één van. Je ziet overigens ook dat consumenten steeds bewuster kopen. In de Nederlandse supermarkten zijn al geen losse kooieieren meer te koop. Er zijn alleen scharreleieren, vrije-uitloopeireren en biologische eieren. Je ziet ook dat de consument steeds vaker biologische en duurzame producten koopt. Alleen al vorig jaar is dit aandeel met 18% gestegen. Er zijn dus positieve ontwikkelingen. Ik denk dat wij het er beiden over eens zijn dat wij op die weg voort moeten. Daarbij kunnen wij samen met de sector stappen zetten. Ik heb er mij al een beetje bij neergelegd dat die stappen voor mevrouw Thieme waarschijnlijk nooit snel genoeg zullen zijn, maar ik hoop wel dat haar de richting bevalt.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Het is jammer dat een idealist zich al zo snel neerlegt bij het gebrek aan snelle stappen. Opvallend is ook dat de staatssecretaris nu juist een maatregel tot dierenwelzijnsverbetering noemt die de overheid heeft genomen, namelijk een verbod op kooieieren. Daardoor zijn alle kippenhouders overgestapt op scharreleieren, vrije-uitloopeieren en biologische eieren. Kan de staatssecretaris ook maar één voorbeeld noemen van een verbetering van het dierenwelzijn door zelfregulering? Ik bedoel dan echt een stap in de goede richting, want van de rondeelstallen zijn er maar vier. Een en ander is vooral gericht op de binnenlandse markt. 70% is nog steeds hetzelfde en gewoon gangbaar. Kan de staatssecretaris zeggen waar de sector nu echt zelf een stap heeft gezet?

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Thieme heeft het in dit geval niet helemaal juist. De gewone kooieieren zijn weliswaar verboden, maar binnen de EU zijn de verrijkte kooi en de koloniehuisvesting nog steeds toegestaan. De eieren daarvan komen niet in de Nederlandse supermarkt. Ze worden wel verwerkt in producten, maar de supermarkt koopt scharreleieren, vrije-uitloopeieren, biologische eieren of rondeeleieren. Dat laat zien dat de supermarkt bezig is met het verduurzamen van het aanbod. Dat zei ik straks ook al over vlees. Er worden stappen gezet om ervoor te zorgen dat het vlees dat in de supermarkt ligt, binnen een aantal jaren niet meer van dieren komt die leven zoals zij dat nu doen, maar van dieren die een iets beter leven hebben gehad. Er worden dus wel degelijk stappen gezet. Ongetwijfeld gaat het voor mevrouw Thieme niet snel genoeg. Ik respecteer haar ambitie in dezen, maar ik zie wel degelijk dat vooruitgang wordt geboekt.

.......................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Gelukkig, voorzitter.

Wij werken niet alleen samen als het gaat om het verhogen van dierenwelzijn door het uitfaseren van ingrepen, maar ook door het verbeteren van de transportomstandigheden en de transportduur, waarnaar ook mevrouw Thieme heeft gevraagd. Samen met Duitsland en Denemarken is een position paper over transport geschreven, die deel uitmaakt van de Verklaring van Vught. Hierin is het verkorten van de reistijd vermeld, het verbeteren van de condities voor dieren tijdens het transport en het optimaliseren van de handhaafbaarheid. Dit gaat onder andere via geharmoniseerde en centraal geregistreerde gps-systemen binnen de Europese Unie. Nationaal ligt de focus op de beleidsregels over stahoogte, de beladingsgraad en kwaliteitssystemen van de sector. Voor dit laatste punt zijn pilots opgestart, die binnenkort worden geëvalueerd.

De heer Graus heeft gevraagd om de mogelijkheid te faciliteren dat er een stichting komt die tot doel heeft om geld in te zamelen om beloningen uit te loven om dierenbeulen op te sporen. Het initiatief daarvoor — het gaat hier om dierenbeulen en zij kunnen strafrechtelijk worden vervolgd — laat ik aan de minister van Veiligheid en Justitie om eventueel in overleg met private partijen naar een voorstel voor een dergelijke stichting te kijken.

.............................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Nee, hierna al, na de intensieve veehouderij, want het hangt met elkaar samen, dus dat is niet geheel onlogisch.

Het kabinet streeft een integrale aanpak voor de veehouderij na. Onderdeel daarvan is een begrenzing aan of een beperking van de groei van de veehouderij waar dit uit het oogpunt van volksgezondheid, milieu, natuur, kwaliteit van de leefomgeving of maatschappelijke inpassing noodzakelijk is. Daarbij moet rekening worden gehouden met een grote regionaal verschillende structuur en omvang van de veehouderij. Op basis van het advies van de Gezondheidsraad vindt het kabinet het gewenst dat er vanuit het oogpunt van volksgezondheid beperkingen kunnen worden gesteld aan het aantal dieren in bepaalde gebieden. Daarom heeft het kabinet eerder een wettelijk kader aangekondigd. De heer Van Gerven en mevrouw Thieme hebben gevraagd hoe het hier nu mee staat. Ik wil u graag meenemen in de ontwikkelingen op dat gebied.

Het huidige omgevingsrecht biedt handvatten om volksgezondheidsrisico's aan te pakken. In beginsel kunnen op de algemene grond van bescherming van de volksgezondheid beperkingen worden opgelegd aan veehouderijen. Voorwaarde daarvoor is dat aannemelijk wordt gemaakt dat de volksgezondheid in het geding is en dat de beoogde beperkingen in dat opzicht noodzakelijk zijn. Mevrouw Dikkers vroeg of ik er al kennis van heb kunnen nemen — ja, dus — dat de provincie Noord-Brabant door toepassing van het kader van de Crisis- en herstelwet van het ministerie van I en M extra mogelijkheden heeft gecreëerd om maatregelen te nemen tegen veehouderijen om gezondheidsrisico's te beperken. Dat biedt een basis om in Noord-Brabant de Maatlat Duurzame Veehouderij en de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij in het ruimtelijk beleid toe te passen. Daarnaast kunnen op grond van de Crisis- en herstelwet maatwerkvoorschriften voor geur en fijnstof worden opgesteld bij bestaande vergunningsvrije veehouderijen zonder ontwikkelplannen in de zogenaamde urgentiegebieden Noord-Brabant. De Crisis- en herstelwet zal opgaan in de Omgevingswet. De oplossingen die op dit moment geboden worden aan de provincie Noord-Brabant worden daarbij betrokken.

De voorziene nieuwe Omgevingswet bevat kapstokken voor de toepassing van het voorzorgsbeginsel ter bescherming van de gezondheid. Volgens het gewijzigde voorstel dat nu voorligt in de Eerste Kamer dient bij de opstelling van een omgevingsvisie rekening te worden gehouden met het voorzorgsbeginsel. Ik wil bekijken op welke manier het voorgenomen wetsvoorstel dieraantallen en volksgezondheid meerwaarde heeft boven wat nu al geregeld is in de Omgevingswet, mede na amendering in deze Kamer. Ik wil de Kamer daarover, en over de consequenties van het voorgenomen wetsvoorstel, in het begin van 2016 informeren.

Ik kom nu toe aan het onderwerp antibiotica, mijnheer Geurts. Onderdeel van de verduurzaming van de veehouderij is de aanpak van antibiotica. Daar zet ik mij samen met de minister van VWS voor in. De heer Geurts refereerde er al aan dat de woordvoerders daar onderling in hun eerste termijn flink over hebben gesproken. Laat ik er het volgende over zeggen. In de Nederlandse sector is al heel veel gerealiseerd. Er is een grote daling bereikt van 58%. Recent is weliswaar een afvlakking van die daling te zien omdat het laaghangend fruit is geplukt, maar dat is nog steeds een heel grote prestatie en een heel grote stap vooruit.

Maar daarmee zijn we er nog niet. Er zijn nog stappen te zetten om het gebruik van antibiotica verder terug te dringen. Het komend voorjaar stuur ik de Kamer samen met de minister van VWS de plannen voor het vervolgbeleid op dit belangrijke dossier. Gezien het belang van dit onderwerp is het vanzelfsprekend ook een speerpunt voor mij tijdens het aankomend voorzitterschap van de Europese Unie. Laat ik het zo zeggen: niet alle lidstaten zijn zo voortvarend bezig als wij. Antibioticaresistentie houdt meestal niet op bij de grens, dus het is van groot belang dat ook andere lidstaten er iets voortvarender mee aan de slag gaan. Daarom organiseren we bijvoorbeeld een grote conferentie in het teken van one health. Daar zullen zowel de landbouw- als volksgezondheidsministers van de EU aanwezig zijn, omdat we graag willen bewerkstellingen dat andere landen ons voorbeeld volgen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
De staatssecretaris moet wel enige realiteitszin hebben. Nederland was een van de landen die de meeste antibiotica gebruikten in de veehouderij, dus Nederland had ook wel echt de opdracht om daar als eerste iets aan te doen. Ik zou heel graag willen dat de staatssecretaris een kader schetst waarbinnen we vervolgstappen kunnen zetten om het antibioticagebruik te verminderen. We zien nu dat de sector overgaat tot het creëren van laboratoriumstallen. Dat zijn SPF-stallen (Specified Pathogen Free-stallen) of high care-stallen. Dat zijn superhygiënische stallen waar dieren hun natuurlijke gedrag niet kunnen vertonen. Ze komen nooit buiten. De boel zit potdicht. Je moet douchen als je naar binnen gaat. Het is computergestuurd. Het is bijna hetzelfde als een laboratorium. Ik wil graag dat het kabinet aangeeft dat dit niet de kant is die we op willen. We hebben namelijk ook een andere opdracht: integraal duurzame en diervriendelijke stallen. Is de staatssecretaris het met mij eens dat laboratoriumstallen niet de weg zijn die we op moeten?

Staatssecretaris Van Dam:
In mijn inleiding heb ik al geschetst dat "natuurlijker" een van mijn drie grote ambities is. Dieren moeten hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen. Dat was de ambitie van mijn voorgangster en dat zal ook mijn ambitie zijn. Bij natuurlijk gedrag hoort bij voorkeur niet dat een dier zijn leven lang in een stal doorbrengt. Dat is wel de realiteit in een belangrijk deel van de veehouderij. Ik kom straks bijvoorbeeld op de varkenshouderij. De vraag is hoe we stappen vooruit kunnen zetten op zo'n manier dat het de sector uiteindelijk sterker maakt.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Zeker. Ik verwacht nu dat de staatssecretaris zijn mening geeft over de ontwikkeling van steeds meer laboratoriumachtige stallen omwille van het verminderen van het antibioticagebruik. Is de staatssecretaris van mening dat dit geen integrale aanpak is waar hij achter kan staan? Ik wil hier heel graag een visie op horen. Dan weten de mensen in de sector ook waar zij wel of niet in moeten investeren.

Staatssecretaris Van Dam:
Waar bedrijven in Nederland wel of niet in investeren, is aan die bedrijven zelf. Het is aan ons om te bezien welke zaken wij eventueel via regulering aanpakken — ik heb net al aangegeven dat wij dat doen waar dat echt nodig is — en in welke zaken wij ondersteuning bieden. Als de veehouderijsector voor bepaalde ontwikkelingen ondersteuning van mij verwacht, zal die vooral gelegen zijn in een integrale benadering, waarbij we niet alleen werken aan een lager antibioticagebruik, maar ook aan meer dierenwelzijn, meer duurzaamheid en meer innovatie. Zoals mevrouw Thieme terecht zegt, hoort dat integraal bekeken te worden als je wilt kunnen rekenen op ondersteuning. Dit principe zit nu bijvoorbeeld ook in een aantal subsidie-instrumenten en ondersteuningsmaatregelen. Mevrouw Dikkers was daar gisteren wat kritisch over, maar daarin is de integraliteit geborgd. Deze zal ook verder worden versterkt.

...........................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik zei net dat ik de inspanningen die mijn voorgangster al op dat gebied al heeft verricht, dus ook het overschakelen op andere rassen en het samen met de sector aan meer dierenwelzijn en minder antibioticagebruik werken, graag voortzet. Dat is ook het antwoord op de vraag van de heer Van Gerven. Ik zal die richting dus ook opgaan. Ik zal met de lijn die ik kies, niet afwijken van die van mijn voorgangster.

Ik kom te spreken over de varkenshouderij, een sector waar op dit moment de zorgen groot zijn. De heer Van Gerven heeft gevraagd naar een plan om oude bedrijven in de varkenshouderij een kans te geven om te stoppen. Ik onderschrijf dat er een omschakeling moet plaatsvinden naar meer kwaliteit. Dat is ook aangegeven door de heer Rosenthal, de voorzitter van de regiegroep Vitale varkenshouderij. De heer Rosenthal heeft aangegeven dat de toekomst van de varkenshouderij meer ligt in een onderscheidend product dan in het voortgaan op de bestaande weg. Ik zei net al dat de bestaande weg heeft geleid tot grote zorgen en problemen voor een behoorlijk aantal bedrijven in de varkenshouderij.

Ik constateer met de heer Rosenthal dat het huidige ondernemingsmodel zeer kwetsbaar is gebleken en ook weinig perspectief biedt voor de toekomst. De regiegroep Vitale varkenshouderij zal met voorstellen voor een herstructurering van de varkenshouderij komen. Hij heeft al aangekondigd dat het stimuleren van bedrijfsbeëindiging en de verplaatsing van bedrijven daarvan een onderdeel is. Zodra de regiegroep van de heer Rosenthal daarin volgende stappen heeft gezet, wordt de Kamer daarover uiteraard geïnformeerd. Ik vermoed dat wij dat dan ook hier verder met elkaar zullen bespreken.

..................................................................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ja. In dat traject wordt naar alle opties gekeken, dus dat zullen wij doen.

Ik kom dan zoals gezegd bij de rituele slacht, of beter gezegd de onbedwelmde slacht. Mevrouw Thieme heeft opgeroepen tot een verbod. Ook mevrouw Dikkers heeft gezegd dat zij daar voorstander van is. Eenieder die in de afgelopen jaren het debat op dit dossier heeft gevolgd, kent mijn persoonlijke opvatting daarover zeer goed. Mevrouw Thieme heeft, zoals ik gisteren heb gemerkt, het verslag van het destijds gevoerde debat bij zich, dus als men mijn opvatting niet kent, kan men bij mevrouw Thieme ongetwijfeld een kopietje van dat verslag krijgen. Mijn opvatting daarover is ongewijzigd. Ik heb echter ook te maken met de realiteit, namelijk het kader dat het volledige parlement aan het kabinet heeft meegegeven. Dat kader is destijds bepaald in de Eerste Kamer, waar op principiële gronden een wettelijk verbod is afgewezen. Dat definieert ook het kader waarbinnen ik heb te opereren als lid van het kabinet. Dat kader heeft een vervolg gekregen in het convenant inzake ritueel slachten, waarin de afspraak is opgenomen om het lijden van dieren te beperken. Ik wil er duidelijk over zijn dat ik de huidige praktijk van het ritueel slachten onacceptabel vind. Daarin moet verbetering worden gebracht. De convenantspartners moeten daarin stappen zetten. De wetenschappelijke commissie in het kader van het convenant onbedwelmd slachten heeft zich dit jaar gebogen over een aantal van de opgeleverde onderzoeksrapportages, waaronder ook het rapport van het bureau van de NVWA. Zij heeft daarover advies uitgebracht. Dat advies en de voortgang die is gemaakt met de afspraken in het convenant zal ik, zoals is afgesproken in het convenant, eerst bespreken met de convenantspartners. Het is immers een advies aan de convenantspartners, dus het is gepast om het eerst daar te spreken en daarna krijgt de Kamer het. Mijn voorganger had de Kamer beloofd om u voor het eind van het jaar te informeren hoe we hiermee voortgaan. Vanwege mijn betrokkenheid bij dit dossier gaat het ietsje meer tijd kosten, ook vanwege de wisseling. Ik hoop dat u mij die tijd gunt. Mijn voornemen is om de Kamer begin 2016 zo snel als mogelijk een brief te sturen met de uitkomsten van het overleg in het convenant, mijn beleidslijn en de consequenties, ook voor de AMvB die moet worden ingevoerd, en om de Kamer daarbij ook te informeren over de diverse onderzoeksrapporten en de manier waarop we daaraan gevolg gaan geven.

Mevrouw Thieme (PvdD):
In 2012 kwam staatssecretaris Bleker met het convenantidee. Hij beloofde dat dat snel in werking zou treden en zou worden gepubliceerd in het Staatsblad. Hij beloofde dat in het convenant zou staan dat een dier als het 40 seconden nog bij bewustzijn zou zijn na de halssnede, nog een genadeschot zou krijgen. Dat is ongeveer de basis van het convenant. Wij zijn nu drieënhalf jaar verder en nog steeds is er geen overeenstemming met de partijen, de religieuze organisaties. Drieënhalf jaar! Ik wil graag een appreciatie van de staatssecretaris van het feit dat er na drieënhalf jaar nog geen echt convenant is dat in werking is getreden en dat er niets veranderd is in de praktijken rondom het onverdoofd ritueel slachten.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik heb net al gezegd wat ik vind van de huidige praktijk. Ik vind ook de voortgang van het convenant teleurstellend. Ik vind dus ook dat daarin meer voortgang zal moeten worden geboekt. Er was een afspraak tussen de overheid aan de ene kant en de convenantspartners aan de andere kant. In de wet zit zoals mevrouw Thieme heel goed weet een uitzondering op de reguliere slachtregels voor geloofsgemeenschappen. Aan die uitzondering kunnen nadere regels worden gesteld bij AMvB. De afspraak bij het convenant was dat er nadere afspraken over zouden worden gemaakt hoe die nadere regels eruit komen te zien. Die afspraken moeten er wel komen en moeten ook worden nageleefd. Daarvoor zal ik op korte termijn — dat lukt me niet meer dit jaar, maar wel zo snel mogelijk begin volgend jaar — het gesprek met de convenantspartijen weer oppakken, ook met het doel om te komen tot afspraken hoe, binnen de kaders zoals die er nu liggen, de afspraken in het convenant ook kunnen worden ingezet in regels in de AMvB die ertoe moeten leiden — want dat was de afspraak — dat het lijden van dieren bij de onbedwelmde slacht tot een minimum zal worden beperkt, zo ver als dat kan.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ik weet dat de staatssecretaris ook heel kritisch is ten aanzien van het idee dat je eerst een dier nog 40 seconden bij bewustzijn laat lijden terwijl de halssnede al is toegebracht. Wat heeft het dan voor toegevoegde waarde als je dat dier daarna pas dood gaat schieten? Ik begrijp uit zijn beantwoording dat de staatssecretaris zich gebonden voelt aan de uitslag van wat het gehele parlement, dus inclusief de Eerste Kamer, heeft gedaan ten aanzien van onverdoofd ritueel slachten. Ik wil alleen aan de staatssecretaris laten weten dat ik verder ga met mijn initiatiefwetsvoorstel om het onverdoofd ritueel slachten te verbieden.

De heer Graus (PVV):
Voor de Handelingen moeten wij altijd alles zuiver houden. In 2008 heb ik een motie ingediend waarin ik verzoek om een verbod op dierkwellende rituele slachtingen. Die motie werd niet gesteund door de Partij voor de Dieren, het CDA, de ChristenUnie, D66. Zelfs het lid Verdonk was tegen, net als GroenLinks en de PvdA, de partij van deze staatssecretaris, die ook tegen was. Er werd gezegd dat de Partij voor de Dieren hierom had gevraagd. Wij vroegen hier al jaren eerder om. Alleen halen wij de NPO er niet mee, wij hebben daar geen vrienden, dus ik haal daar geen podium. Maar ik wil dit toch even voor de zuiverheid gezegd hebben. Ik heb een motie klaarliggen, waarin ik vraag — en dat heb ik al een paar keer eerder geprobeerd — om een verbod in te stellen op het doden van dieren die nog bij leven zijn. En bedwelming schiet ook helemaal niet op. Een dier kan weer bijkomen. Dat mag niet. Een dier moet dood zijn alvorens te worden aangesneden of opengereten. Wij leven in Nederland, dat is een diervriendelijk land en wij kunnen het niet tolereren dat hier middeleeuwse en barbaarse dingen gebeuren met dieren. Dat moeten we gewoon niet accepteren.

En, voorzitter, ik wil hier toch gezegd hebben dat dat niets te maken heeft met Joden, moslims, smurfen of Nederlanders: niemand mag dat doen. Niemand!

Staatssecretaris Van Dam:
Ik heb in de debatten die ik destijds zelf heb gevoerd, de grote betrokkenheid van de heer Graus ook mogen ervaren. Daarover kan volgens mij geen enkel misverstand bestaan.

Ik wil even kijken of ik scherp heb wat de heer Graus bedoelt. Hij zegt dat een dier dood moet zijn voordat het wordt geslacht. Dat kan natuurlijk niet helemaal. De huidige bepaling is dat bij de reguliere slacht dieren buiten bewustzijn moeten zijn, voordat ze worden aangesneden, dus voordat slachthandelingen worden uitgevoerd. Alleen bij de rituele slacht wordt op dat bewustzijnsverlies een uitzondering gemaakt. Met de convenantpartners is de intentie afgesproken dat het bewustzijnsverlies zo snel mogelijk moet optreden. U hebt allemaal in het rapport van het bureau van de NVWA kunnen lezen dat daarover grote zorgen zijn en dat het bureau maatregelen op dat punt wenselijk vindt.

Ik zei net al dat het niet alleen de Tweede Kamer is die bepaalt. In dit geval was het zeer nadrukkelijk de Eerste Kamer die heeft bepaald wat het kader is. Zij heeft in haar oude samenstelling een wettelijk verbod op principiële gronden niet goedgekeurd en aangegeven dat dit niet paste binnen de vrijheid van godsdienst zoals die in de Grondwet is opgenomen. Dat is het kader waarbinnen wij opereren en binnen dat kader zal ik proberen met de convenantpartijen tot overeenstemming te komen over het zo veel mogelijk beperken van het lijden van dieren. Het gaat om het zo snel mogelijk verliezen van het bewustzijn. Die afspraken moeten er komen, want er moet ook een AMvB worden opgesteld en die moet worden ingevoerd op basis van de wetgeving. Die AMvB, zeg ik er maar voor de duidelijkheid bij, zal er komen.

De heer Graus (PVV):
Nu moet ik de sector toch complimenten maken, want een kippenslachterij meldde mij dat gewoon Nederlands geslachte kippen niet altijd dood zijn als ze uit het stroombad komen. Daar heb ik toen ook actie tegen ondernomen. Dat heeft niets — daarom zeg ik het ook — te maken met Joden of met moslims. Helemaal niet. Het gaat mij om het dierenleed. Dat staat voorop. Ik vind dat deze nieuwe, kersverse staatssecretaris ervoor moet zorgen dat dieren irreversibel bedwelmd zijn alvorens ze worden aangesneden of opengereten. Eenvoudiger kan het niet. We leven in een beschaafd land. Ik zeg dit met alle respect tegen alle bevolkingsgroepen die zeggen dat een dier bij leven moet zijn. Zij maken anders ook gebruik van verdovingen. Als er piemeltjes besneden worden, krijgen ze ook een verdoving. Als ze naar de tandarts gaan, krijgen ze ook een verdoving. Dat was een paar honderd jaar geleden ook niet zo.

Staatssecretaris Van Dam:
De heer Graus haalt aan hoe pluimvee geslacht wordt en dat daar helaas ook het een en ander misgaat. De problemen bij de reguliere slacht hebben mijn aandacht ook, net zoals ze die van mijn voorganger hadden. Ik ben het met de heer Graus eens: we willen het onnodig lijden van dieren overal wegnemen en daarom wordt ook gekeken naar alternatieve mogelijkheden voor het stroombad. In 80% vindt de slacht plaats na alternatieve vormen van bedwelming. De laatste 20% zou ik ook graag willen realiseren, omdat er ook bij het beruchte stroombad nog te veel misgaat. Het komt nog te vaak voor dat kippen nog bij bewustzijn zijn op het moment dat ze geslacht worden. Die ambitie deel ik met de heer Graus.

Ten tweede vraagt hij dat alle dieren buiten bewustzijn moeten zijn op het moment dat ze worden geslacht. Ik zei al: mijn opvatting daarover is zeer bekend. Die kunt u nalezen in het verslag van het debat destijds over de onbedwelmde slacht, maar de Eerste Kamer heeft daarover anders geoordeeld. De Eerste Kamer heeft geoordeeld dat de uitzondering die in de wet staat, erin moet blijven. Dat beperkt het kader waarbinnen ik kan handelen tot afspraken met de convenantpartners en de AMvB die op basis van de wet moet worden opgesteld.

De heer Van Gerven (SP):
Tijdens het debat over de rituele slacht is er ook een motie van mijn hand aangenomen over het verbieden van de kantelbox. Dat is ook vier jaar geleden. Die is nog steeds niet uitgevoerd. Wil de staatssecretaris die motie uitvoeren?

Staatssecretaris Van Dam:
Het lijkt mij het beste om dat debat te vervolgen op het moment dat de Kamer de adviezen heeft van bijvoorbeeld de wetenschappelijke adviescommissie die de convenantspartners heeft geadviseerd. De Kamer krijgt dat advies zodra het is besproken met de convenantspartners, omdat het advies aan de convenantspartners is gericht. Het lijkt mij de geëigende weg om het eerst daar met elkaar te bespreken voordat wij het naar de Kamer sturen. Op basis van dat advies lijkt het mij goed om dit debat te vervolgen met elkaar.

De heer Van Gerven (SP):
Dat is een rare figuur, want de Kamer heeft in meerderheid uitgesproken daar een voorstander van te zijn. Dat kan gewoon worden uitgevoerd. De voorgangers van deze staatssecretaris zeiden ook dat in werking te zullen zetten. In de praktijk komt daar tot nu toe weinig van terecht. Het wordt gewoon niet uitgevoerd. Wij zijn nu vier jaar verder. Als je het aan de convenantspartners overlaat, dan vermoed ik wat de uitkomst is. Kennelijk bestaat er op een of andere manier grote weerstand tegen het uitvoeren van die motie. Dus nogmaals, is de staatssecretaris bereid om de wens van de meerderheid van de Kamer ten uitvoer te brengen?

Staatssecretaris Van Dam:
Het is geen rare figuur, want de heer Van Gerven zal ook begrijpen dat de wetenschappelijke adviescommissie hier ook naar heeft gekeken en dat de commissie daar in haar advies bij stilstaat. Op basis van dat advies lijkt het mij goed om met elkaar in zijn algemeenheid te discussiëren over de vraag hoe wij verdergaan met de rituele slacht. Nadat ik het gesprek heb gehad met de convenantspartners zal ik de Kamer zo snel mogelijk informeren. Dan zal ik ook aangeven hoe ik de adviezen wil vertalen in de AMvB, bij voorkeur na overeenstemming daarover met de convenantspartners. Dat is het moment waarop wij dit debat het beste kunnen vervolgen. Dat zal al vrij snel zijn. Ik haal het eind van het jaar niet, zoals mijn voorganger had beloofd, maar ik heb beloofd dat zo spoedig mogelijk te doen in het nieuwe jaar.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ik probeer wat nuance in het debat te brengen. Er wordt hier continu verwezen naar een oordeel van het Bureau Risicobeoordeling & Onderzoeksprogrammering (BuRO) van de NVWA. Dat zou gezegd hebben dat er een verbod zou moeten komen op het ritueel slachten van dieren, maar ik lees in de brief twee dingen. In de eerste plaats gaat het inderdaad over een verbod op het onbedwelmd doden van dieren, maar daarnaast wordt gesteld dat er een goed alternatief is, namelijk het optuigen van een goede wettelijke regeling. Ik hoor de staatssecretaris nu zeggen dat hij de route van de AMvB kiest. De NVWA heeft in de begeleidende brief uiteindelijk ook aangegeven te kiezen voor een goede wettelijke regeling. Ik wil de staatssecretaris graag aanmoedigen om op dat traject door te gaan.

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Dik zegt het correct. Er is het advies van BuRO en daarbij de beleidsreactie van de inspecteur-generaal, die aangeeft dat er in elk geval een duidelijke regeling moet komen, omdat de NVWA op deze manier niet goed kan handhaven.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Voor de duidelijkheid, die goede wettelijke regeling is de tweede suggestie die door het BuRO is gedaan, maar die niet in de samenvatting terecht is gekomen. Dat maakt de discussie wat verwarrend. Maar het BuRO ziet twee trajecten. De directeur-generaal heeft uiteindelijk gezegd: ik kies voor die goede wettelijke regeling.

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Dik zegt het correct. In elk geval is duidelijk dat de conclusie van de NVWA is dat zij op dit moment te veel mis ziet gaan en dat zij moeite heeft om te kunnen handhaven. Daarom doet zij de aanbevelingen zoals ze in het rapport staan.

De voorzitter:
Ik stel ondertussen vast dat wij halverwege het tweede blokje zijn. Wij hebben vier blokjes. Als wij op deze snelheid doorgaan, gaat u met z'n allen hier de zon zien opkomen.

De heer Graus (PVV):
Maar dit is wel belangrijk.

De voorzitter:
Het is een heel belangrijk onderwerp, mijnheer Graus. Dat ben ik met u eens. Wij hebben nog een megastemming tussendoor. Ik geef het u allen ter overweging.

Staatssecretaris Van Dam:
Dan weet ik niet of het volgende onderwerp heel erg gaat helpen, want ik was toe aan mest. Daarover zijn de nodige vragen gesteld. De invoering van het stelsel van fosfaatrechten is namelijk ook iets waarover op korte termijn besluitvorming noodzakelijk is. Verschillende leden van de Kamer, mevrouw Lodders, de heer Geurts en de heer Dijkgraaf, hebben gevraagd naar de uitwerking van het stelsel. Laat ik meteen zeggen dat het een uitdaging en een complexe puzzel is. Ook in de melkveehouderij gaat het om produceren binnen randvoorwaarden, die uit het oogpunt van milieu noodzakelijk zijn, omdat te veel mest op het land dat uitspoelt naar ons grondwater als ook ons oppervlaktewater, effecten heeft op de natuur.

Voor de melkveehouderij liggen er economische kansen op de internationale markt. Er is veel vraag naar kwalitatief hoogstaande producten die onze boeren kunnen leveren. Die kansen moeten kunnen worden benut, maar daarbij is produceren binnen die maatschappelijke randvoorwaarden als ook het oog hebben voor het dierenwelzijn wel ontzettend belangrijk. Vanuit die milieuzorgen heeft Europa in de Nitraatrichtlijn een aantal kaders gesteld. Een van die kaders is het fosfaatplafond. De Nederlandse veehouderij mag per jaar maximaal 172,9 miljoen kilogram fosfaat produceren. Overschrijding van dit fosfaatplafond betekent dat Nederland niet langer voldoet aan de voorwaarden voor derogatie van de Nitraatrichtlijn. Dat is een uitzondering, die direct op het spel staat op het moment dat we door dat plafond heen gaan. Een verlies van de derogatie betekent dat er minder mest mag worden gebruikt op het land; de heer Houwers vroeg daar ook naar. Het zal de gehele veehouderij confronteren met forse extra kosten die naar schatting meer dan 100 miljoen euro zullen bedragen. Daarnaast moet jaarlijks 20 tot 24 miljoen kilo fosfaat uit dierlijk mest extra worden verwerkt en moeten melkveehouders extra kunstmest aanvoeren.

Het vervallen van de derogatie zal ook effect hebben op andere sectoren, doordat vanwege extra rundveemest op de markt andere mestsoorten mogelijk worden verdrongen. Uit cijfers van het CBS bleek in mei dat door de groei van de melkveehouderij het nationaal fosfaatplafond in 2014 op een haar na was bereikt. Die groei is doorgezet. Die ingezette groei van het aantal koeien leidt onvermijdelijk tot een verdere stijging van de fosfaatproductie. Ingrijpen vanuit de overheid is en was dus onontkoombaar Dat vond en vind de sector zelf ook.

Op 2 juli is in overeenstemming met de sectororganisaties het stelsel van fosfaatrechten in de melkveehouderij aangekondigd. Dat is dus ook de peildatum. Alle groei na die datum is voor risico en rekening van de melkveehouder zelf. Voor die groei zal hij geen fosfaatrechten krijgen. Uitgangspunt bij het vormgeven van het stelsel moet zijn dat grondgebondenheid en extensivering moeten worden gestimuleerd. Het stelsel mag in ieder geval geen prikkel zijn voor de intensivering van de landbouw. Op zich staan die twee zorgen los van elkaar — fosfaat gaat namelijk over het milieuprobleem — maar dit stelsel introduceert ook prikkels die op andere terreinen de verkeerde kant uit kunnen duwen.

Fosfaatrechten zijn een middel om het fosfaatreductieplafond te borgen. Tegelijk blijft via een dergelijk stelsel wel de dynamiek in de sector gericht op verdere verduurzaming en innovatie. Ik vind het belangrijk dat er snel duidelijkheid komt voor de melkveehouderij, maar dit is een complexe zaak die om een zorgvuldige uitwerking vraagt. Dat kost tijd, want er liggen een aantal lastige dilemma's op tafel. Mocht het fosfaatproductieplafond in 2015 worden overschreden, moet er bijvoorbeeld — ik zeg er maar bij dat dat waarschijnlijk is — voor gezorgd worden dat de fosfaatproductie gaat dalen en weer onder het plafond terechtkomt. De wet moet daarom een instrument bevatten om fosfaatrechten af te kunnen romen. Zo'n instrument kennen we overigens al in het stelsel van de varkens- en pluimveerechten.

In overleg met vertegenwoordigers van de sector en maatschappelijke organisaties wil ik het fosfaatrechtenstelsel uitwerken. Het lijkt me daarom niet verstandig om vandaag al verder vooruit te lopen op de invulling van het fosfaatrechtenstelsel. Laat ik er wel het volgende bij zeggen; de heer Geurts vroeg daar onder anderen naar, en dat signaal komt ook met enige regelmaat vanuit de sector. We moeten opletten dat we niet de ene regel op de andere stapelen. Dat neem ik ook mee in de uitwerking. Dat maakt het overigens ook weer niet eenvoudiger, maar daarmee kan het resultaat wel beter worden. Naast het fosfaatplafond is het van groot belang dat we streven naar een circulaire economie waarin maximaal gebruik wordt gemaakt van de bestaande natuurlijke grondstoffen, zoals mest. Daar ligt natuurlijk ook een enorme kans; laten we dat ook benadrukken. De heer Graus gaf dat ook al aan: er is een enorme kans om fosfaat te winnen uit dierlijke mest en om dat te benutten als kunstmest. Dat is op dit moment echter niet toegestaan als gevolg van de definities die in de Nitraatrichtlijn worden gehanteerd. Ik zou graag zien dat herwonnen mineralen, fosfaat en stikstof in de vorm van mineralenconcentraat, in de toekomst ook als kunstmestvervangers kunnen worden gebruikt. Dat is zelfs een duurzamere oplossing dan de huidige kunstmest, die geproduceerd moet worden met grondstoffen die moeten worden geïmporteerd. Ik zal mij hard maken voor een uitleg van de Europese regels die dit mogelijk maakt. Ik zal daar dus voor pleiten bij de Europese Commissie.

De heer Van Gerven vroeg mij gisteren of ik monovergisters zie als een oplossing voor het mestprobleem. Mestvergisting draagt enerzijds bij aan de productie van duurzame energie via biogas, maar anderzijds ook aan de realisatie van klimaatdoelen via vermindering van de broeikasemissies. Ik sta positief ten opzichte van dit soort slimme technologische oplossingen die bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie en aan het beperken van broeikasgassen en die tegelijkertijd ook kunnen bijdragen aan het toekomstige verdienvermogen van de agrarische sector. Met de stimuleringsregeling voor de productie van duurzame energie wordt daarom onder meer de productie van biogas gestimuleerd. Ik zeg daarbij dat monomestvergisting overigens geen vorm van mestverwerking is, maar wel kan bijdragen aan een betere businesscase voor mestverwerking door biogas te produceren en de mest hanteerbaarder te maken, waardoor verdere verwerking en verwaarding van mest mogelijk is. Ook daar liggen kansen die verder moeten worden verkend.

Is het stimuleren van de ontwikkeling van monomestvergisting niet strijdig met de ambitie om te komen tot extensivering en meer weidegang? Die vraag zat eigenlijk een beetje achter de vragen van de heer Van Gerven. Dat stimuleren doet daar eigenlijk niets aan af. Ook bij weidegang staan koeien een deel van de tijd op stal. Sterker nog: ook daarbij staan ze een groot deel van het jaar op stal. Ook daarbij wordt dus mest opgevangen in de stal. Ook met die mest moet iets gebeuren als op het bedrijf sprake is van een mestoverschot. Die mest moet verwerkt worden; die kan vergist worden. Dit kan dus juist bijdragen aan het oplossen van de problematiek.

Naast de fosfaatproblematiek staat de melkveehouderijsector ook voor een verdere verduurzamingsopgave. De sector streeft via de duurzame zuivelketen naar verdere verduurzaming van de melkveehouderij, waaronder het behoud van weidegang. Ik wil die ontwikkeling ook verder stimuleren. Ik heb dus ook de ambitie dat er in 2020 in ieder geval sprake is van 80% weidende koeien. Onder regie van het Convenant Weidegang, waarin brancheorganisaties, zuivelondernemingen, erfbetreders, retail, EZ en Onderwijs en Wetenschap vertegenwoordigd zijn, wordt op dit moment geïnventariseerd welke aanvullende maatregelen van partijen mogelijk zijn en kunnen worden afgesproken.

Tot slot vroeg de heer Van Gerven mij of ik de plannen van de Dutch Dairy Board en de NMV ook in overweging neem. Ik realiseer me dat het momenteel met de gedane investeringen en de huidige melkprijzen voor veel ondernemers een moeilijke periode is, maar het blijft een feit dat de uitgangspositie van de Nederlandse zuivelsector in internationaal perspectief goed is. Dat is ondanks de huidige situatie een goede basis voor de toekomst. We zullen alle plannen die in dat kader worden gemaakt, dan ook meenemen in onze afwegingen.

............................................

Staatssecretaris Van Dam:
Dat denk ik ook. Zoals gezegd, ben ik het met mevrouw Lodders eens dat het goed zou zijn als we erin zouden slagen om daarin stappen te zetten. Brussel laat zich helaas niet altijd door ons vertellen wat ze moet doen, maar op dit punt hebben we volgens mij echt een goed verhaal. Ik hoop dat we de Europese Commissie daarvan kunnen overtuigen. Mevrouw Lodders zei overigens wel dat we dit moeten doen "alvorens" we verder praten over verdergaande stappen. Die luxe hebben we helaas niet. We zullen het stelsel van fosfaatrechten moeten invoeren. Overschrijding van het fosfaatplafond is zeer waarschijnlijk. De officiële cijfers volgen natuurlijk pas in de loop van volgend jaar, maar gelet op de ontwikkelingen in de melkveesector is het zeer waarschijnlijk dat we dan door het plafond heen zijn gegaan. Als we de Europese Commissie niet laten zien wat we daaraan doen, dan is de kans op behoud van de derogatie zeer klein. Ik vind dat we dat risico niet kunnen nemen. De gevolgen daarvan voor de melkveehouderij, maar ook voor de rest van onze landbouwsector, zouden veel en veel te groot zijn. We moeten dus maatregelen nemen. Ik heb aangegeven dat we daarbij tegen een aantal vragen, een aantal dilemma's oplopen. We zullen fosfaatrechten moeten afromen, zoals ik al aangaf. De datum is 2 juli, maar waarschijnlijk was de totale productie op 2 juli al hoger dan het fosfaatplafond toestaat. We moeten in het stelsel aangeven hoe we dat gaan vormgeven. Bij een stelsel van fosfaatrechten willen we natuurlijk geen prikkels introduceren die de ambitie om te extensiveren, om de weidegang te bevorderen, juist weer gaan tegenwerken. Dus ook daarmee zullen we rekening moeten houden. We moeten ook rekening houden met wat de heer Geurts zei over de alsmaar stapelende regelgeving. De ambitie is dus om te bekijken of we dat allemaal bij elkaar kunnen brengen in één stelsel, maar ik wil wel helder zijn, ook in de richting van mevrouw Lodders: we hebben niet de luxe om eerst nog iets anders te doen, voordat we dit stelsel gaan invoeren. Het stelsel van fosfaatrechten moet er komen.

..............................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik zal daar in tweede termijn nader op terugkomen. Dat lijkt mij goed. Het is bekend dat wij daar zo snel mogelijk aan werken. De heer Geurts zei net dat jonge boeren er niet mee geholpen zijn, maar ik denk dat zij er zeer mee geholpen zijn dat deze regeling — laat ik erbij zeggen: eindelijk — wordt opengesteld. Het voornemen was natuurlijk om haar eerder open te stellen. Ik zei al dat ik hoop dat ik de Kamer op korte termijn kan berichten dat zij wordt opgesteld. Deze regeling valt onder de verantwoordelijkheid van de provincies; dat is nu eenmaal zo. Wij hebben onze ondersteuning juist aangeboden om de openstelling te versnellen. Ik denk dat jonge boeren daar heel veel aan hebben, zo zeg ik tegen de heer Geurts.

Mevrouw Dikkers heeft vragen gesteld over de weideslacht. Die vragen gaan eigenlijk ook over natuurlijk eten en kortere ketens. Het is op zichzelf een mooi voorbeeld: natuurboeren die het vlees van hun dieren verkopen. Mevrouw Dikkers zei al dat hiermee in Duitsland goede ervaringen zijn opgedaan. Ik zie daarin ook een kans voor Nederland. Er is dan ook goedkeuring gegeven voor een kleinschalig pilotproject dat de innovatieve methodiek voor kleinschalige en regionale vleesproductie met meerwaarde voor het dierenwelzijn en de vleeskwaliteit wil toetsen. Het gaat hierbij om het kleinschalig slachten van runderen op het erf. Het voordeel daarvan is natuurlijk dat dieren niet levend getransporteerd hoeven te worden. In de pilot zal bekeken worden welke voordelen op het gebied van dierenwelzijn en vleeskwaliteit door minder stress zijn aan te tonen. Volgens de geplande opzet van de initiatiefnemer wordt de totale keten, inclusief verwerking, distributie en retail, in één hand gehouden. Uiteraard moet daarbij worden voldaan aan onder andere de voedselveiligheidsnormen. Het vlees wordt daarbij als een regionaal nicheproduct met meerwaarde voor transparantie — je weet waar het vandaan komt — voor vleeskwaliteit en voor dierenwelzijn op de markt afgezet. Na afloop van de pilot zal worden besloten of het structureel toepassen van deze methode mogelijk is. Daarbij wordt gekeken naar de behaalde resultaten en naar de Europese ontwikkelingen.

....................................

Staatssecretaris Van Dam:
Dan ga ik in op de visserij en op de aanlandplicht, die veel vissers bezighoudt omdat deze formeel per 1 januari ingaat. Ook in de visserijsector wordt gewerkt aan verduurzaming. Met ingang van januari wordt de aanlandplicht ingevoerd, maar dat gebeurt gefaseerd. Door de aanlandplicht wordt voorkomen dat vis wordt teruggegooid in zee. Verschillende Kamerleden, mevrouw Lodders, mevrouw Dik en de heer Dijkgraaf, hebben hierover hun zorgen geuit. Laat ik eerst zeggen dat er een goede reden is voor de nieuwe verplichting. Tot nu toe gooien vissers de ongewenste vangst overboord. Dat kan oplopen tot 40% van de vangst. Het gaat daarbij om vis die te klein is om op de markt te brengen, maar ook om soorten vis die minder opbrengen en die de visser dus liever niet meeneemt naar het vasteland. Ik geef een voorbeeld: bij de visserij op tong worden ook schol en schar gevangen. Wij Nederlanders zijn daar best een liefhebber van, maar ze brengen op de markt veel minder op. Schol en schar worden dus teruggegooid, terwijl die op zichzelf heel bruikbare vissen zijn.

De aanlandplicht is erop gericht om de visserij selectiever te maken, zodat dit soort vangst van door de visser ongewenste vissen zo veel mogelijk wordt vermeden. Ik ben me bewust van de enorme gevolgen van deze omwenteling in het Europese beleid. Het is van groot belang dat we de invoering praktisch uitvoerbaar maken en dat we daarvoor rek en ruimte vinden binnen de bestaande kaders. Dat pak ik net als mijn voorgangers samen met de sector op.

Er is al het een en ander bereikt. Zo is inmiddels een gefaseerde, stapsgewijze invoering afgesproken voor de periode 2016 tot 2018. De sector krijgt dus de tijd om zich aan te passen. Zo hoeft schol niet al vanaf 1 januari te worden aangeland, maar pas in 2018. Dat geeft de sector de kans om wetenschappelijk onderzoek te doen naar de overlevingskansen van teruggegooide schol, kleine tong of schar. Indien deze overlevingskans groot genoeg is, kan voor deze soort in de specifieke visserij een uitzondering komen. Nederland heeft ook een de-minimisuitzondering gekregen voor kleine ondermaatse tong in de gerichte tongvisserij met de boomkor, omdat het praktisch zeer lastig is om ondermaatse tong uit te sorteren. Ook geldt er een de-minimisuitzondering voor ondermaatse kreeftjes.

Daarnaast heeft Nederland zich er succesvol voor ingezet dat andere probleemsoorten, zoals de kabeljauw, ook zo laat mogelijk onder de aanlandplicht worden gebracht. Vanwege de knellende quota zouden deze soorten er anders voor kunnen zorgen dat de gemengde visserij voortijdig gesloten moet worden. Hiermee is de uitvoering van de aanlandplicht voor 2016 al veel praktischer geworden dan gevreesd werd. We houden de vinger aan de pols en blijven continu met de sector in gesprek over zaken waar hij tegen aanloopt.

Mevrouw Dik-Faber heeft gevraagd hoe we gaan handhaven. Europa stelt minimumvereisten aan de controle op zee en op het land. De praktische uitvoering van de controle is een nationale bevoegdheid. Dat geldt overigens voor het hele gemeenschappelijke visserijbeleid en dus ook voor de aanlandplicht. Een gelijk speelveld is daarbij van groot belang. De NVWA overlegt daarom intensief met de andere lidstaten in de regionale groepen over de handhaving van de aanlandplicht. De controleagentschappen stellen een gezamenlijk advies op voor een geharmoniseerde controle. Als eerste belangrijke stap is overlegd over de vraag hoe vissers aan boord hun bijvangsten moeten registreren. Vissers geven aan dat zij met name bezorgd zijn dat zij buitenlandse inspecteurs die aan boord komen controleren, ter plekke er niet van kunnen overtuigen dat ze registreren volgens de Nederlandse regels. De NVWA heeft daarom toegezegd dat alle vissers een brief krijgen waarin in vier talen de Nederlandse wijze van registreren, die met de andere landen en met de Europese Commissie is afgestemd, wordt aangegeven.

De heer Dijkgraaf heeft gevraagd of we de aanlandplicht een halfjaar kunnen uitstellen. Dat is niet mogelijk. Het gaat om Europese wetgeving, waaraan ook Nederland moet voldoen. Ik vind uitstel ook niet aan de orde. Ik weet dat vissers nog zorgen hebben over de registratie van de ondermaatse vis. Ik snap die zorgen ook, maar ik deel niet de mening dat de registratie niet op orde is. Er moeten inderdaad nog ICT-systemen worden aangepast, maar in de tussentijd werkt de NVWA met een door Europa goedgekeurd systeem waarin de bijvangsten geregistreerd kunnen worden. De overheid kan deze gegevens gewoon ontvangen en er kan over worden gerapporteerd aan de Europese Unie in Brussel, zoals de regelgeving ook van Nederland vraagt. Dat systeem werkt al en wordt voor de pelagische sector al vanaf januari van dit jaar gebruikt.

Naast het werken aan een praktische invulling van de aanlandplicht wil ik ook verkennen hoe we ervoor kunnen zorgen dat de vis die nu aangeland moet worden, een goede prijs kan opleveren. Dat vergt inzet vanuit de sector, maar ook vanuit de retail en de marketing. Ik ben bereid om ook die handschoen samen met de sector op te pakken.

........................................

Staatssecretaris Van Dam:
Wij hebben volgende week een algemeen overleg over de decemberraad van de Landbouw- en Visserijraad. Visserij staat daar zeer prominent op de agenda, zoals de Kamer weet. Ik zal bekijken of het lukt om dat overzicht daarin al mee te nemen. Het is wel een ambitieuze tijdsplanning, maar wij gaan proberen of dat lukt. Daarmee ben ik gekomen aan het einde van het tweede blok.

Het derde blok gaat over beter eten. Ik heb al aangegeven dat onze toekomst in kwaliteit ligt. We waren daar al goed in, maar we worden steeds beter. We telen groenten met meer smaak. Kijk naar onze innovaties op het gebied van tomaten. Vroeger werden we daar nog weleens om bekritiseerd, nu hebben we een voorbeeldfunctie. Ons vlees onderscheidt zich van vlees elders op de markt. Nederlandse producten staan sterker op de internationale markt als ze zich beter onderscheiden. Innovatie, het zoeken naar nieuwe oplossingen, speelt hierin een belangrijke rol. Ik heb al aangegeven dat ik in Zuid-Afrika zag hoe sterk onze positie op dat gebied is. In dit blok kom ik te spreken over de rol die het groen onderwijs daarin speelt, over exportkansen, over voedselpatenten, biotechnologie, de regeldruk, de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de transparantie van de subsidies.

Meerdere woordvoerders hebben gevraagd naar het groene onderwijs, onder wie de leden Van Gerven, Geurts en Dijkgraaf. Het kabinet hecht grote waarde aan de kracht van de zogeheten gouden driehoek — die noemen ze elders in het land de triple helix — namelijk de samenwerking tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven. Het kabinet hecht natuurlijk ook grote waarde aan de kwaliteit van het groene onderwijs. In september heeft de Kamer een brief gekregen waarin mede op basis van twee rapporten een visie werd gegeven op het sectoronderwijs. Daarin was te lezen wat de sterke kanten zijn van ons groene onderwijs, dat gekenmerkt is door de sterke koppeling tussen onderwijs en onderzoek. Dit leidt tot kennisdoorstroming en tot benutting daarvan voor de topsectoren en de samenleving. Het is sterk praktijkgericht, met leren en werken in actuele bedrijfssituaties. Het is ook kleinschalig, want de menselijke maat wordt gehanteerd en we kennen een landelijk dekkend opleidingsaanbod. Daarnaast is er sprake van een verticale onderwijskolom, met doorlopende leerlijnen en samenwerking tussen vo, mbo, hbo en wo. Het is bovendien sterk gericht op internationalisering en betekenisvol voor en veelal koploper in het bevorderen van scholing en kennis over duurzaamheid.

Kennis en innovatie zijn de drijvende krachten achter het concurrentievermogen en succes van de Nederlandse agrosector. Een strategische meerjarige ontwikkelagenda voor 2015 tot 2025 is van groot belang voor de toekomstbestendige positionering van het groenonderwijsmodel binnen het stelsel, en voor het groenkennissysteem. Vernieuwing leidt tot structuurverbeteringen waarmee ook de taakstelling van 33 miljoen euro vanaf 2016 kan worden ingevuld. Die moeten we gezamenlijk vormgeven. Ik wil met het groene onderwijs en het bedrijfsleven snel aan tafel om hiermee voortvarend aan de slag te gaan. Dat geldt ook voor de Wageningen Universiteit, waar met name de SP naar vroeg. Met deze universiteit zal ik in gesprek gaan over de condities en randvoorwaarden waarbinnen kwalitatieve en duurzame groei kan plaatsvinden. De motie-Van Meenen c.s. verzoekt om voorbereidingen te treffen voor de overheveling van het groene onderwijs naar het ministerie van OCW. Laat ik vooropstellen: wat voor keuzes we ook maken, ik vind het vooral belangrijk dat de verworvenheden en kwaliteiten van het groene onderwijs behouden blijven. Ik zal in overleg met mijn collega van OCW de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de wijze waarop het kabinet gevolg zal geven aan de aangenomen motie.

Ik kom nu bij de internationale exportkansen. Internationaal staat de Nederlandse agrosector heel goed aangeschreven. Er liggen kansen voor onderscheidende producten. Ik sluit me heel graag aan bij de oproep van de heer Graus om "Made in Holland" sterker als merk te gebruiken en in te zetten op kwaliteitslabels. Bijvoorbeeld de varkenshouderij zegt dat we een meer onderscheidend kwaliteitslabel zouden moeten krijgen voor producten uit Nederland omdat dit zou helpen op de internationale markt. De Nederlandse concurrentiepositie is daarbij vooral gebaat bij open afzetmarkten. De heer Graus vroeg hoe de regering die nationale belangen gaat profileren. Dat doen we bijvoorbeeld met missies naar bestaande en potentiële afzetmarkten. Onze inzet is daarbij vooral de export van kennis en innovaties over eerlijker, natuurlijker en beter voedsel. Ik geloof dat daar onze toekomst ligt, zoals ik al een aantal keer heb benadrukt. De hogere kwaliteitsstandaarden zullen ons voedsel bij de export ook onderscheiden van dat van andere spelers op de wereldmarkt. Dat helpt om onze agrosector verder te versterken. Het is de ambitie van het kabinet om bij te dragen aan het uitbannen van honger en ondervoeding. Nederland is internationaal toonaangevend op het terrein van voedselproductie. Met kennis kan Nederland bijdragen aan grote uitdagingen, zoals het inspelen op de klimaatverandering, zowel op het gebied van kennis en innovatie als op het gebied van duurzaam geproduceerd voedsel. Ik zal mij daar de komende anderhalf à twee jaar voor de volle honderd procent voor inzetten.

Tot slot bedank ik mevrouw Thieme voor de dvd Cowspiracy, die zij mij aangeboden heeft. Ik heb die gisteravond helaas niet meer kunnen bekijken. Mevrouw Thieme is er niet, maar de heer Wassenberg luistert mee. De film is op 15 december geprogrammeerd in de grootste zaal van het departement. Alle medewerkers zijn uitgenodigd om de film te bekijken.

....................................

Staatssecretaris Van Dam:
Ik begrijp het heel goed. De Zwitsers hebben natuurlijk langjarig een heel degelijk imago opgebouwd waar ze op kunnen voortbouwen. Wij kunnen ook voortbouwen op prestaties uit het verleden en op de kwaliteit waar wij bekend om staan. Dat zal ik dus graag doen. Ik denk dat er nog veel meer kansen voor de toekomst liggen. Ik dank de heer Graus voor de voorzet die hij hierin gegeven heeft in zijn termijn. Daar gaan we mee verder.

Ik ga in op de vragen die zijn gesteld over biotechnologie. Dat is altijd een wat precair onderwerp, omdat het aan de ene kant kansen biedt, maar aan de andere kant altijd leidt tot maatschappelijke zorgen. Voorop moet staan dat, wat er ook gebeurt, het altijd veilig moet zijn voor mens, dier en milieu. We zien dat onder meer bij genetische modificatie van planten. Nederland heeft een "ja, mits veilig"-beleid ten aanzien van genetisch gemodificeerde planten vanwege de kans die biotechnologie kan bieden voor voedselzekerheid, voedselkwaliteit en duurzaamheid. Mevrouw Lodders noemde het programma van de universiteit van Wageningen voor duurzame resistentie tegen fytoftora, waarbij aardappelen door middel van cisgenese resistent worden gemaakt tegen deze aardappelziekte. Dat is een voorbeeld van een dergelijke toepassing die valt onder het Nederlandse beleid. Zij heeft gevraagd wat mijn agenda op dit punt is. Die zal niet heel veel anders zijn dan die van mijn voorganger.

Over de status van nieuwe veredelingstechnieken zoals cisgenese bestaat onduidelijkheid. De Europese Commissie heeft aangekondigd, nog dit jaar met een juridische analyse te komen ten aanzien van deze technieken. Ik zal mij, net als mijn voorganger, sterk maken voor duidelijkheid in Europa over deze technieken en voor vrijstelling van cisgenese van de regelgeving met betrekking tot genetische modificatie.

Ik zei het al: het biedt kansen, het kan bijdragen aan vraagstukken zoals de mondiale voedselzekerheid en duurzaamheid door te zorgen voor gewassen die weerbaar zijn tegen ziektes, tegen droogte of juist tegen hevige regenval. Daar moeten we in het kader van klimaatverandering allemaal rekening mee houden. Of het kan gaan om gewassen die juist consumentenvoordelen bieden, zoals een langere houdbaarheid van producten. We zien aan de andere kant echter ook dat de industrie dit soort technologie vooral heeft gekoppeld aan de verkoop van gewasbeschermingsmiddelen en aan het eigenaarschap van zaden en planten. Dat is nu net een ontwikkeling die ik niet altijd een positieve vind. Dat zorgt er ook voor dat er volop debat is over dat soort ontwikkelingen. Ik vind een genuanceerd debat daarover van belang, waarbij we goed kijken naar de kansen van deze ontwikkeling en ook de zorgen die daarover in de samenleving zijn, serieus nemen.

Ik kom te spreken over het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De nieuwe GLB-periode is net gestart en de eerste wensen voor de volgende periode zijn er al weer, en dat is ook terecht. Mevrouw Lodders deed gisteren een aftrap in dit debat door het Europees landbouwbeleid failliet te noemen. Dat is uiteraard een stellige uitspraak, maar ik neem aan dat die bedoeld is om het debat aan te zwengelen. Ik kon mij wel vinden in een aantal opmerkingen van mevrouw Lodders. Ik kon mij bijvoorbeeld vinden in het feit dat de sector wel erg afhankelijk is van GLB-geld. Het gaat ook om grote bedragen. Het gaat om 40% van de EU-begroting. Daar mogen we ook iets voor terugverwachten.

Meerdere partijen in de Kamer hebben gisteren aangegeven dat de wens en misschien wel de noodzaak bestaat om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te wijzigen. Ik sluit me daar graag bij aan. Ik deel de ambitie van onder anderen mevrouw Lodders om de transitie van inkomenssteun naar steun voor innovatie door te zetten. Daar hoort natuurlijk ook verduurzaming bij. Met innovatie en verduurzaming kunnen we ook een bijdrage leveren om de meest prangende problemen in de wereld het hoofd te bieden. Ik noem het voeden van een groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering en ook schaarste van grondstoffen. Ik zou daarom de komende tijd willen bekijken of niet meer geld kan worden ingezet op innovatie, waardoor boeren ook meer ruimte krijgen om te investeren om hun bedrijven toekomstbestendiger te maken.

Ik zal in elk geval, als ik het komende halfjaar voorzitter ben van de Europese Landbouwraad, een start maken met de discussie over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Ik wil dat onderwerp agenderen op de informele Landbouwraad van mei. Daar zullen we ook stilstaan bij de wenselijkheid van een eventuele midterm review van het lopende gemeenschappelijk landbouwbeleid. We komen hier dus nog met elkaar over te spreken in het kader van het voorzitterschap en op basis van de evaluatie van de vergroening in 2017. Ik verheug mij op dat debat, omdat ik, net als een meerderheid van de Kamer, zie dat er mogelijkheden zijn voor verbetering.

Ik wil ook inzetten op een verdere vergroening van het GLB. Het is een grote stap geweest om een flink deel van de inkomenssteun te koppelen aan maatschappelijke waarde, maar we moeten nog wel kijken naar de effectiviteit van die maatregel. De inzet van Nederland bij die vergroening was om het in te vullen met ambitie, een goede balans tussen economie en ecologie en geen greenwashing van de middelen.

Rapporten van het Europees Milieubureau, waar ook de heer Grashoff naar verwezen heeft, zijn kritisch over het effect van de vergroeningsmaatregel. Ook ik zie mogelijkheden tot verbetering. Daarom heb ik vorige maand een project gehonoreerd dat de sector uitdaagt om met ideeën te komen die de ecologische effectiviteit van de vergroening kunnen versterken, zowel voor de huidige GLB-periode als daarna. Ik zeg erbij dat ik ook gehouden ben aan het eerder genomen Kamerbesluit — de motie van mevrouw Dik-Faber — die het mogelijk maakt om ecologische aandachtsgebieden in te vullen met vanggewassen. Ik zie dat het grootste deel van de ondernemers daarvoor gekozen heeft, waarschijnlijk omdat het inzaaien van vanggewassen ook voor de vergoeding al werd gedaan.

In Nederland wordt de vergroening gemonitord. Met het oog op de evaluatie in 2017 zal daarover aan de Kamer worden gerapporteerd in de loop van 2016. Hoe het in de praktijk uitpakt moet nog blijken, maar de verwachtingen zijn niet heel optimistisch. De mogelijkheden die Nederland biedt voor het invullen van de ecologische aandachtsgebieden, kunnen jaarlijks worden aangepast. Mocht blijken dat de huidige invulling te weinig oplevert, dan moeten we daar dus ook op ingrijpen.

Tot slot een opmerking over de vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Die moet ervoor zorgen dat het geld ook echt terechtkomt op de plekken waarvoor het bedoeld is. Er zijn al stappen gezet, zoals rond landschapselementen — het was de wens van de Kamer om deze gemakkelijker mogelijk te maken — maar wij zijn er nog niet. Vereenvoudiging van het geheel is ook een speerpunt tijdens het voorzitterschap gedurende het komende halfjaar. Wij moeten toe werken naar een moderner GLB, maar ook een eenvoudiger GLB. Daarvoor zal ik aandacht vragen tijdens de informele Raad. Ik hoop dat dit een aanzet zal zijn, ook binnen Europa, voor verdere discussie over het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

.............................

Staatssecretaris Van Dam:
Dat zou moeten kunnen lukken, schat ik zo in.

Met het natuurbeleid zijn in de afgelopen jaren letterlijk meters gemaakt. Mijn voorganger heeft in de afgelopen drie jaar meer dan 100 natuurgebieden aangewezen. Ik ga met dat aanwijzen door. Daarmee komt de basis op orde. Die basis moet voldoende stevig zijn om met de samenleving te kunnen bouwen aan natuur die ertoe doet. Het moet ook natuur zijn die we kunnen beleven, bijvoorbeeld in de nationale parken, maar ook daarbuiten. Het moet natuur zijn die we kunnen benutten en als gevolg daarvan willen beschermen.

In de natuurvisie is geconstateerd dat het natuurbeleid dat jarenlang is gevoerd, onvoldoende effectief is gebleken om de biodiversiteitsdoelen te halen. De heer Wassenberg heeft mij gevraagd welke verantwoordelijkheid ik hierbij op me neem. Ik wil de aanpak voortzetten waarvoor is gekozen in de natuurvisie. Enerzijds werk ik aan een hecht fundament van onder meer een Nationaal Natuurnetwerk en een effectieve natuurwetgeving. Over de realisatie van zo'n Nationaal Natuurnetwerk zijn met de provincies afspraken gemaakt in het Natuurpact. Over de voortgang daarvan ga ik regelmatig met de provincies in gesprek. De samenwerking met de provincies verloopt goed. Een sterkere regie acht ik daarom niet nodig. Sterker nog, die zou volgens mij ook door de provincies als onwenselijk worden ervaren.

Andrrzijds bouw ik, meer dan voorheen, mee aan een verbetering van de biodiversiteit, door onder andere het stimuleren van groen ondernemerschap en natuur in combinatie met bijvoorbeeld gezondheid, waterbeleid en energiebeleid. De crux van de nieuwe aanpak is dat de verantwoordelijkheid voor een betere natuur een gedeelde verantwoordelijkheid moet zijn.

Gisteren liep de heer Van Gerven meerdere malen naar de microfoon om op te merken dat de oppervlakte van natuur in Nederland afneemt. Uit de eerste voortgangsrapportage van de provincies over de uitvoering van het natuurpact, die ik onlangs van het IPO heb ontvangen, blijkt een duidelijke toename van verworven en ingericht natuurnetwerk in de periode van 2011 tot en met 2014. In deze periode is ongeveer 11.500 hectare verworven en 25.294 hectare ingericht. Er is derhalve sprake van een toename van het Natuurnetwerk Nederland. Daarmee ligt de uitvoering goed op schema om in 2027 ten minste 80.000 hectare extra natuur te realiseren. Waar de heer Van Gerven naar zou kunnen verwijzen, is de zevende voortgangsrapportage van het groot project EHS over 2014, die lijkt te wijzen op een afname van de verworven oppervlakte natuurnetwerk. Er is echter sprake van verschillende definities. Met provincies zal ik overleg voeren om te komen tot een eenduidige systematiek. Die kunnen we opnemen in een overzichtskaart — ik meen dat de heer Grashoff hiernaar vroeg — waarmee de Kamer in een oogopslag duidelijkheid krijgt waaraan gewerkt wordt. Voor de zomer kom ik met een brief aan de Kamer waarin een en ander duidelijk zal worden.

In 2016 gaan we van start met een nieuw stelsel voor agrarisch natuurbeheer. Centraal daarin staat een focus op kansrijke gebieden en uitvoering door collectieven van agrariërs. Het wordt effectiever en moet ook effectiever. We doen dat door samenwerking tussen boeren, door meer ruimte voor lokale expertise bij de invulling van het beheer en door een concentratie van middelen waar ze effect kunnen hebben. Het wordt ook efficiënter: we gaan terug in het aantal subsidierelaties van 14.000 naar 40. Er is in de afgelopen jaren heel veel werk verzet door collectieven, provincies en uitvoeringsorganisaties om het nieuwe stelsel mogelijk te maken. We hebben de Europese Commissie weten te interesseren voor deze aanpakken. De Commissie heeft haar eigen regelgeving ervoor aangepast. Vooral door de boeren in de collectieven is een grote omslag gemaakt. Zelfstandige ondernemers zijn gaan denken en samenwerken vanuit het gemeenschappelijke belang. Meer en meer worden maatschappelijke organisaties betrokken bij de plannen die collectieven maken. De collectieven hebben daarin een grote prestatie geleverd, maar het stelsel is voor iedereen nieuw: voor boeren, voor collectieven en voor overheden. Iedereen moet ermee leren werken en leren hoe we het beste uit het stelsel halen.

Ik ben het eens met de heer Grashoff, die aangaf dat middelen effectief ingezet moeten worden en die vroeg of er een ex-ante-evaluatie kan komen. Gebiedsaanvragen worden om de effectiviteit te borgen getoetst aan de doelen in de provinciale natuurbeheerplannen. Op basis van de subsidiebeschikking stellen de collectieven hun beheerplannen op, waarin de concrete beheermaatregelen door individuele boeren worden vastgelegd. Alterra heeft begin 2015 geanalyseerd in hoeverre de provinciale ontwerpnatuurbeheerplannen bijdragen aan de effectiviteit van het nieuwe stelsel. Als vervolg hierop wordt in overleg met provincies, Stichting Collectief Agrarisch Natuurbeheer en maatschappelijke organisaties ingezet op een doelgerichte ex-ante-evaluatie naar de te verwachten effecten van de ingediende beheerplannen. Met die conclusies en de ervaringen gaan we het stelsel en de effectiviteit daarvan steeds verder verbeteren. We noemen dat "lerend beheren". Wanneer we collectieve problemen tegenkomen, kunnen ze erop rekenen dat ze bij provincies en Rijk een luisterend oor en een helpende hand vinden.

De heer Wassenberg vroeg mij waarom ik bezuinig op natuur, maar wel meer geld uitgeef aan natuursubsidies aan boeren. We bezuinigen niet op natuur. Er is deze periode juist extra geïnvesteerd in natuur. Een belangrijk doel van het natuurbeleid is om onze prachtige landschappen, onze unieke natuur en onze kwetsbare dieren te beschermen. Een deel van de soorten waarvoor Nederland een internationale verplichting heeft, komt vooral voor buiten Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland en is afhankelijk van agrarisch gebied. Denk aan de weidevogels, waarover ik zo nog apart kom te spreken, en de akkervogels. Om de goede leefomstandigheden voor die soorten te creëren, is beheer door boeren nodig. Voor het uitvoeren van dat beheer ontvangen zij natuursubsidies.

Voorzitter. Ik kom zo te spreken over de weidevogels, maar gelet op de ingenomen posities hier tegenover mij, is het misschien niet verstandig om meteen daartoe over te gaan.

.......................................

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 83 van de leden Wassenberg en Thieme. Dat gaat ook weer over dierproeven. De minister van Economische Zaken heeft de Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI's) ingesteld. De minister van EZ heeft op 5 oktober jongstleden de innovatiecontracten 2016 en 2017 met de topsectoren ondertekend. Het is aan deze TKI's om de middelen uit de TKI-toeslagregeling optimaal in te zetten in publiek-private samenwerkingsprojecten. Daarbij is het essentieel dat het de TKI's vrijstaat om binnen de geaccordeerde programma's de middelen van de toeslagregeling in te zetten.

Als je nu op voorhand middelen oormerkt, zoals dit amendement wil voor het thema vervanging, vermindering en verfijning van dierproeven, belemmert dat de topsector om zelf zijn programma te maken. Het is aan de Topsector Life sciences & health om te bepalen hoe men die middelen inzet. De topsector heeft het thema proefdiervrije innovatie inmiddels expliciet in de kennis- en innovatieagenda opgenomen. Omdat het amendement dus indruist tegen de systematiek van de TKI's ontraad ik het amendement, maar het is niet uitgesloten dat de topsector zelf een dergelijk initiatief neemt. Het zit al in de agenda.

De voorzitter:
Mevrouw Thieme, kort graag.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Omdat zowel vanuit het kabinet als vanuit deze Kamer regelmatig is aangegeven dat er nu echt vaart moet worden gemaakt met de vervanging van dierproeven, willen wij heel graag dat dit niet vrijblijvend blijft, maar dat de topsectoren hier echt mee aan de slag gaan. Vandaar dit amendement. Dat wilde ik graag nog even toelichten.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik zei al dat de topsector hiermee aan de slag gaat. Dat gebeurt ook zonder dit amendement, mevrouw Thieme. U amendeert op een budget waarvan met de topsector is afgesproken dat hij er zelf plannen voor aanlevert. Dat doet de topsector ook. Het thema proefdiervrije innovaties is al onderdeel van dat plan. Ik denk dat u door de topsector zelf bediend wordt, maar het ontnemen van budget aan de topsector is echt niet gepast en het druist in tegen de afspraken die met de topsectoren zijn gemaakt, dus ik blijf erbij: ik ontraad het amendement.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Het is niet ontnemen, maar oormerken. We hebben het topsectorenbeleid de afgelopen jaren gevolgd en daarbij hebben we gezien dat er te weinig wordt geïnvesteerd in de vervanging en verfijning van dierproeven. Vandaar dat wij het belangrijk vinden dat die middelen nu geoormerkt worden, zodat er echt vaart kan worden gemaakt. Het wordt vanuit de sector zelf te weinig opgepakt. Dat blijkt ook telkens uit allerlei onderzoeksrapporten.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik had de argumenten van mevrouw Thieme ook al in het amendement zien staan, dus dit verandert niet mijn oordeel. Ik blijf het amendement ontraden.


...................................

Het amendement op stuk nr. 97 gaat over een fonds voor natuurbeheer in Caribisch Nederland. Ik ben het met de indieners, mevrouw Thieme en mevrouw Ko?er Kaya, eens dat het natuurbeheer in het Caribisch deel van het Koninkrijk van groot belang is, vanwege de intrinsieke waarde van natuur, maar natuurlijk ook voor de economie van de eilanden. Daar moet men het namelijk ook van toerisme en natuurtoerisme hebben. In de afgelopen jaren heeft het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een periode van tien jaar jaarlijks 1 miljoen euro beschikbaar gesteld voor een fonds voor de Dutch Caribbean Nature Alliance, om van daaruit het beheer van de natuurparken op de zes eilanden van de Antillen te ondersteunen. Daaruit worden natuurontwikkelingsprojecten gefinancierd. Deze middelen zijn adequaat. Ik vind verhoging dus niet noodzakelijk. Daarom ontraad ik het amendement.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ik ben er geweest. Ik heb gesproken met de mensen van de Dutch Caribbean Nature Alliance die daarover gaan. Zij zeggen: we hebben het nu mooi opgestart, ook dankzij Nederland, want de BES-eilanden doen zelf niets. Zij hebben daar geen geld voor. Die eilanden kunnen daarvoor ook geen geld krijgen van de Wereldbank, omdat ze onderdeel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden. Men zegt bij de DCNA: we zitten nu dus in niemandsland. Toch is dit van groot belang. Het zou zonde zijn als wat er in de afgelopen tien jaar is opgebouwd, in het water valt omdat er geen vervolg aan kan worden gegeven. Ik vraag de staatssecretaris dus nogmaals, er toch nog even naar te kijken. Anders zijn die investeringen namelijk allemaal voor niets geweest.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik ken de kwetsbare positie van de natuur, ook in Caribisch Nederland. Ik heb de Kamer echter zojuist mijn oordeel gegeven, namelijk dat de bestaande middelen op dit moment adequaat zijn. Als er in de toekomst aanleiding is om daar op een andere manier naar te kijken, dan komen we er wel op terug. Ik blijf er echter bij, dit amendement te ontraden.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Waarom is het volgens de staatssecretaris adequaat? Dat fluisterde mijn collega Ko?er Kaya mij zojuist ook al in. Hoe komt de staatssecretaris tot het oordeel dat de middelen adequaat zijn? Men zegt tegen mij: we hebben geen geld.

Staatssecretaris Van Dam:
Er is natuurlijk altijd de wens, meer geld beschikbaar te hebben om natuur beter te kunnen beschermen. Ik snap die wens. Ik heb echter al gezegd dat de minister van Binnenlandse Zaken er voor tien jaar budget voor heeft vrijgemaakt.

De voorzitter:
Mevrouw Ko?er Kaya wil hier ook nog op ingaan. Houdt u het heel kort.

Mevrouw Ko?er Kaya (D66):
Dan moet er ook een onderbouwing komen van de stelling dat de middelen adequaat zijn. Die onderbouwing hoor ik niet. Waarom zijn de middelen adequaat?

Staatssecretaris Van Dam:
Omdat de financiering in mijn ogen voldoet aan de ambities die er liggen. Er is al financiering. Maar als ik mevrouw Ko?er Kaya daarvan niet kan overtuigen, dan zal zij daar ongetwijfeld in de tweede termijn op terugkomen, en dan zal ik daar in mijn tweede termijn weer op reageren. Het lijkt me voor de voortgang van het debat nu het handigst om het zo te doen.

Mevrouw Ko?er Kaya (D66):
Het punt is dat er geen adequate financiering is. Als de staatssecretaris zegt dat de financiering adequaat is, dan wil ik daar een onderbouwing bij, wellicht schriftelijk, voordat we de tweede termijn gaan houden.

Staatssecretaris Van Dam:
Als mevrouw Ko?er Kaya het niet eens is met mijn oordeel, dan hoor ik het in haar inbreng in tweede termijn en kom ik erop terug in mijn betoog in tweede termijn.

.........................................

Voorzitter. In het amendement-Thieme op stuk nr. 99 wordt voorgesteld om het budget van de NVWA met 10 miljoen te verhogen. Ik heb al aangegeven in mijn brief van 30 november dat ik allereerst de efficiency van de NVWA wil laten doorlichten en een herijking van het takenpakket wil doen om helderheid te krijgen over het financiële perspectief. In die brief heb ik toegezegd dat ik de Kamer over de uitkomsten van de doorlichting en de herijking alsmede over de voortgang van de uitvoering van het plan van aanpak zal informeren in het voorjaar van 2016 en dat ik indien nodig bij de Voorjaarsnota kom met aanvullende maatregelen. Tegen die achtergrond ontraad ik het amendement.

...............................................

Tweede termijn; moties indienen

Mevrouw Thieme (PvdD):
Dank u wel. Ik heb al aangekondigd dat ik met een initiatiefwetsvoorstel zal komen om het onverdoofd ritueel slachten te verbieden. Ik zie uit naar dat debat met onder anderen de staatssecretaris. Ik zie uiteraard ook uit naar alle andere debatten in de komende periode. Ik wens de staatssecretaris daarbij veel succes.

De heer Graus (PVV):
Wordt die initiatiefwet nu weer zo'n second-bestverhaal? Ik heb dat overigens gesteund. Ik heb dat vorige keer ook gesteund. Gaat mevrouw Thieme nu voor het hele verhaal? Zeggen we: oké, we spreken niet meer over irreversibel en reversibel, het dier moet gewoon dood zijn? Er mag ook geen sprake zijn van reversibele bedwelming. Dat wil ik graag weten.

Mevrouw Thieme (PvdD):
De heer Graus probeert hier telkens opnieuw een discussie te verengen tot het reversibel of irreversibel bedwelmen, alsof daar nu de enorme crux zit met betrekking tot het verbieden van onverdoofd ritueel slachten. De heer Graus wil graag het hele rituele slachten verbieden, dus er mag zelfs niet eens een gebed over het slachten worden uitgesproken. Wij willen heel graag dat het niet uitmaakt voor een dier welk geloof zijn slachter heeft en dat de voor het dier best beschikbare methode voor het slachten wordt gehanteerd. Volgens mij verschillen de heer Graus en ik daarover niet van mening. Als er een reversibele methode van bedwelming bestaat die te risicovol is, dan vindt de heer Graus ons aan zijn zijde om daar onmiddellijk mee op te houden. Daarom heb ik ook een motie ingediend om het CO2-bedwelmen bij varkens niet langer toe te staan. Ik denk dus dat de heer Graus op zijn wenken wordt bediend en dat wij niet anders dan hetzelfde doel nastreven.

De heer Graus (PVV):
Ik wil allereerst een opmerking maken. Ik maak hier heel ernstig bezwaar tegen. Wij worden iedere keer in een hoek gedrukt met uitspraken die wij niet hebben gedaan. Dat gebeurt in de kranten, dat gebeurt in de media en dat wordt hier nu ook door een Kamergenoot gedaan. Het zal me een worst wezen wat iedereen bidt en doet. Het zal me echt een worst wezen! Het gaat mij puur en alleen om het dierenwelzijn.

Ik heb in mijn termijn gezegd: of het nu smurfen, gele mensen, zwarte mensen, bruine mensen, moslims, joden of Nederlandse boerenjongens zijn, het gaat om het dierenleed. Ik heb nadrukkelijk gezegd dat het me niet om dat gebed gaat. En toch probeert mevrouw Thieme het dan nog even. Ik zie overigens dat er niet eens meer journalisten zitten. Die zijn allemaal al naar huis toe. Het gaat er gewoon om dat dit soort dingen levensgevaarlijk zijn. Die worden er uitgepikt door de luie journalisten en in de krant gezet alsof ik dat gezegd zou hebben. En dat gebeurt aan de lopende band.

Ik maak hier ernstig bezwaar tegen. Ik ben het zo spuugzat dat we iedere keer in een bepaalde hoek worden gezet, terwijl we het niet hebben gezegd. Er worden heel veel dingen over de PVV gezegd die we helemaal nooit hebben gezegd. Mevrouw Thieme kan dat nergens aantonen. Maar het wordt wel nog even gezegd door een beëdigd lid van de Staten-Generaal. Kunt u zich voorstellen dat de mensen thuis totaal geen vertrouwen hebben in de Kamer? Als je die onzin allemaal hoort! En dan zien ze op een gegeven moment dat het niet zo is. Wij kunnen dat aantonen. Die mensen geloven heel veel Kamerleden gewoon niet meer. Ik begrijp die mensen. En ik begrijp ook dat mevrouw Thieme eromheen draait. Wij willen dat een dier dood is alvorens het wordt opengereten of aangesneden. Dat zou de Partij voor de Dieren ook moeten willen. Dat is misschien ook de reden dat zij het eerste verzoek van mij in 2008 niet gesteund heeft.

De voorzitter:
Ik verzoek u om tot een vraag voor mevrouw Thieme te komen. Daarvoor is een interruptie bedoeld.

De heer Graus (PVV):
Ik ga niet meer in discussie met iemand die zulke domme onzin uitkraamt. Sorry hoor, ik laat het hierbij. Echt waar!

De voorzitter:
Er is geen vraag gesteld. Mevrouw Thieme, u mag dit voor kennisgeving aannemen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Dat doe ik ook. De heer Graus heeft moties ingediend waarin een verbod op het ritueel slachten staat. Daarmee wil hij dus kennelijk ook alle rituelen die niets te maken hebben met dierenwelzijn, verbieden. Anders zou er wel in staan dat er een verbod op onverdoofd ritueel slachten zou moeten komen. Dus als daar het misverstand in zit, dan heeft de heer Graus op dit moment heel duidelijk gemaakt dat hij dat dus niet beoogt met zijn moties. Dat is heel mooi.

Tweede termijn kant van het kabinet:

De motie op stuk nr. 144 gaat over een plan van aanpak waarbij de NVWA dierenwelzijnsrisico's systematisch kan gaan monitoren en registreren. In het verbeterplan van de NVWA is reeds opgenomen dat risicoanalyses worden uitgevoerd en dat op basis daarvan ook het toezicht gerichter wordt ingezet. Met het plan van aanpak van de NVWA komen er ook betere registratiesystemen van de inspecties en maatregelen, ook op het gebied van dierenwelzijn. Eigenlijk laat ook de eerste risicobeoordeling van het bureau daar de resultaten al van zien, want die zijn het gevolg van die nieuwe aanpak. De motie is derhalve overbodig. Daarom moet ik haar ontraden.

Mevrouw Thieme (PvdD):
In het rapport staat nu juist dat zo'n registratie en zulke systemische controlemomenten nu ontbreken. Ik begrijp dit dus even niet. Waarom zou het bureau, als dit er al zou zijn, komen tot het advies om er betere systemen voor te bedenken?

Staatssecretaris Van Dam:
Ik zei niet dat het er al is, maar ik zei dat de komst van die systemen onderdeel is van het verbeterplan. Het bureau zegt dat dit er moet komen, maar het komt er dus ook.

De voorzitter:
Geeft dit aanleiding tot herziening van het oordeel, staatssecretaris?

Staatssecretaris Van Dam:
Nee. Ik zei immers dat er al wordt gewerkt aan wat er in de motie wordt gevraagd.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Omdat de motie overbodig is, trek ik haar in.

De voorzitter:
Aangezien de motie-Thieme (34300-XIII, nr. 144) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik kom op de motie op stuk nr. 145 waarin wordt gevraagd om verbetering van de naleving op het verstrekken van nestmateriaal bij zeugen en afleidingsmateriaal bij varkens en om de NVWA extra te laten toezien op de naleving. Ik zal met de varkenssector in gesprek gaan over een betere naleving. De NVWA ziet reeds toe op de naleving, maar als u vraagt om extra inzet, ook in de discussie die wij eerder hebben gehad, leidt dat tot extra kosten voor de NVWA. Op dit moment is het budget al niet toereikend voor de gestelde ambities. Als u daar nog een ambitie aan toevoegt, zult u daar ook budget voor moeten vinden. Met het huidige budgettaire kader kan ik daar immers niet aan voldoen. Of, als u geen budget toevoegt, zult u moeten aangeven waar u elders het toezicht zou willen verminderen. Met die overwegingen ontraad ik deze motie.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Daar heb ik op geanticipeerd, want ik heb een amendement ingediend waarin ik de NVWA 10 miljoen extra wil geven om het personeel weer op het oude niveau terug te brengen.

De voorzitter:
Geeft dat de staatssecretaris aanleiding tot herziening van zijn advies?

Staatssecretaris Van Dam:
Nee, ik ontraad de motie in haar huidige vorm. Ik kan bij mijn oordeel sowieso geen rekening houden met de wijze waarop de Kamer over andere voorstellen van mevrouw Thieme stemt. In de motie wordt gevraagd om een extra inzet, maar er wordt niet aangegeven waar het geld vandaan moet komen.

Ik kom op de motie op stuk nr. 146 waarin wordt gevraagd om de maatschappelijke kosten van de huidige vlees-, vis- en zuivelproductie en -consumptie opnieuw te meten en te verdisconteren in de kostprijs. In de reactie op het WRR-advies heeft het kabinet aangegeven dat true pricing wordt verkend in overleg met het bedrijfsleven en maatschappelijke partijen, waarbij externe kosten ook inzichtelijk moeten worden gemaakt om te zien hoe dit de transitie naar meer duurzaamheid zou kunnen ondersteunen. Het gaat hierbij niet om het in de prijs verdisconteren van externe kosten, maar om door inzicht in de kosten de bedrijfsvoering te kunnen aanpassen. In de motie wordt gevraagd om een en ander te verdisconteren in de kostprijs en daarom moet ik haar ontraden.

Mevrouw Thieme (PvdD):
En als ik dat laatste stukje, dus "en te verdisconteren in de kostprijs", eruit haal, kan de staatssecretaris dan leven met deze motie?

Staatssecretaris Van Dam:
Dan wordt het een beetje een overbodige motie. Ik heb aangegeven wat het kabinet heeft gezegd in reactie op het WRR-advies, namelijk dat true pricing wordt verkend met als doel om de externe kosten inzichtelijk te maken. Als het u alleen maar gaat om het inzichtelijk maken van de externe kosten, dan heeft het kabinet u in zijn reactie op het WRR-advies al laten weten dat samen met het bedrijfsleven te verkennen.

De voorzitter:
Leidt dit tot het intrekken van deze motie?

Mevrouw Thieme (PvdD):
Mijn vraag betreft de maatschappelijke kosten van de huidige vlees-, vis- en zuivelproductie en -consumptie. Betreft het dan inderdaad deze vier producten?

Staatssecretaris Van Dam:
Het gaat om externe kosten voor de voedselproductie. Dat is nog meer, denk ik.

Ik kom op de motie op stuk nr. 147 waarin wordt verzocht om retailers een bewijslast op te leggen waarin wordt aangetoond dat de primaire producent voor de overeengekomen prijs kan produceren binnen de wettelijk of bovenwettelijk gestelde normen. In mijn eerste termijn heb ik duidelijk aangegeven dat ik een groot voorstander ben van een eerlijke prijs, met name voor de primaire producent. Dat is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van de ketenpartijen. Ik vind ook dat de ketenpartijen die verantwoordelijkheid hebben en moeten voelen en nemen. Nieuwe regelgeving past hier niet, zoals ik uitvoerig uiteen heb gezet. Die leidt tot extra administratieve lasten en extra handhavingskosten. Je kunt je de vraag stellen of het überhaupt mogelijk is om dit goed te handhaven. Ik heb uitvoerig uiteengezet dat ik meer geloof in een andere aanpak. Ik ontraad deze motie dus.

Dan de motie op stuk nr. 148 over de gehaktbalbelasting. Het kabinet is geen voorstander van het verhogen van het btw-tarief op vlees. Een dergelijk instrument om te verduurzamen achten wij niet effectief. Er zijn bovendien veel juridische en uitvoeringstechnische haken en ogen aan. Ik ben hierop ook schriftelijk ingegaan naar aanleiding van de eerste termijn. Ik moet deze motie dan ook ontraden.

De motie-Thieme op stuk nr. 149 gaat over de paardenmarkten. Ik ben daar schriftelijk al uitgebreid op ingegaan en heb aangegeven geen voorstander te zijn van een verbod. Samen met de paardenmarkten en de Dierenbescherming enzovoorts is gekeken naar mogelijkheden tot verbetering. Hoewel de Dierenbescherming uit het protocol is gestapt, zou ik toch dat traject van verbetering willen voortzetten. Zoals gezegd ben ik geen voorstander van een verbod. Ik kom derhalve tot het oordeel "ontraden".

De motie-Thieme/Dik-Faber op stuk nr. 150 gaat over het slachten van drachtige koeien. Mijn voorganger heeft hierover op 15 oktober jl. Kamervragen beantwoord. De laatste drie maanden van de dracht wordt er sowieso al niet meer geslacht. Aan de EFSA is advies gevraagd op welke wijze het aanbieden van drachtige dieren voor de slacht het beste teruggedrongen kan worden en, als drachtige dieren desondanks toch geslacht worden, hoe dan het beste met de ongeboren vrucht kan worden omgegaan. De EFSA zal hierover uiterlijk 30 november 2016 rapporteren. Op basis daarvan zal ik met mijn collega's in de EU overleg voeren over de vraag welke passende maatregelen gewenst zijn. Ik geloof niet dat de indieners hun motie zo lang zullen kunnen aanhouden volgens de regels van de Kamer, maar dát lijkt mij het geëigende moment om hierover verder te spreken en dus niet op dit moment. Gelet op het proces dat loopt, moet ik de motie ontraden.

De motie-Thieme/Van Dekken op stuk nr. 151 gaat over alternatieven voor CO2-bedwelming. Ik heb gezegd dat ik vanuit het oogpunt van dierenwelzijn het ermee eens ben dat CO2-bedwelming vervangen moet worden door een betere methode. Er loopt een verkennend onderzoek van Wageningen University naar het ontwikkelen van dergelijke betere alternatieven. Hierbij wordt ook de samenwerking gezocht met onderzoeksinstellingen in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. In de eerstvolgende standvanzakenbrief over dierenwelzijn, die ook al in het eerste kwartaal van 2016 komt — het wordt een druk halfjaar naast het voorzitterschap — zal ik de Kamer informeren over de voortgang op dat dossier. Dat maakt dat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer kan laten.

In de motie-Thieme/Ko?er Kaya op stuk nr. 152 wordt de regering verzocht om een pilot te starten met de Agrilaser. Ik ben graag bereid om dit initiatief bij provincies onder de aandacht te brengen, maar wijs er wel op dat de provincies verantwoordelijk zijn voor het ganzenbeleid en voor de inzet van dergelijke instrumenten. Het is dus ook aan hen om dergelijke pilots te starten. Als ik de motie zo mag uitleggen dat ik de provincies zal stimuleren, dat ik het bij hen onder de aandacht breng en dat de beslissing nadrukkelijk daar ligt, dan kan ik het oordeel over deze motie aan de Kamer laten.

De voorzitter:
Gelet op de exegese van de staatssecretaris vraag ik mevrouw Thieme of dit akkoord is.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ja, dat is akkoord. Ik zal nadenken over de vraag of ik deze motie in stemming ga brengen.

Staatssecretaris Van Dam:
In de motie-Thieme op stuk nr. 153 wordt de regering verzocht om de vos van de vrijstellingslijst te halen. Er staan alleen dieren op de nationale vrijstellingslijst waarvan op voorhand is aangetoond dat ze aanmerkelijke schade aan landbouw en flora en fauna toebrengen. De vos is indertijd op verzoek van de Kamer aan de lijst toegevoegd. Als de Kamer nu tot een ander oordeel zou komen, dan gaat de vos weer van de lijst af. Het is nadrukkelijk aan de Kamer, want zij heeft de vos er zelf op gezet. Ik laat het oordeel over deze motie derhalve aan de Kamer.

De motie-Wassenberg op stuk nr. 154 gaat over het voorkomen dat genetisch gemanipuleerde dieren zoals de zalm op de Nederlandse markt komen. Voor genetisch gemanipuleerd voedsel geldt de toelatingsprocedure inclusief de veiligheidsbeoordeling van de EFSA. Voor genetische gemodificeerde zalm is geen toelating. Die mag dus niet worden ingevoerd op de Nederlandse en de Europese markt. Deze motie is overbodig.