Bijdrage Thieme Begroting Buiten­landse Handel en Ontwik­ke­lings­sa­men­werking


27 november 2013

Mevrouw Thieme (PvdD):
Voorzitter. We kennen de minister als enthousiast, altijd geïnteresseerd, luisterend, bewogen en bevlogen. Maar hoe is dat nu toch te rijmen met de snoeiharde koers die zij zonder blikken of blozen moet — of wil, dat is de vraag — varen? Zij spreekt Coolcat, Wibra en Prénatal aan op hun verantwoordelijkheid om uitbuiting tegen te gaan en te stoppen met business as usual. Als je dan echter kijkt naar het beleid van deze minister, dan moet je helaas constateren dat haar beleid gericht is op vrije handel. Ruim baan voor big business as usual. Een ziel, twee gedachten?

Bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking en het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking omdopen tot het ministerie van Hulp is Handel: kort gezegd is dat de situatie waarin we verkeren. We proberen opkomende economieën niet te behoeden voor onze fouten uit het verleden. Integendeel, we exporteren onze fouten in de onbedwingbare behoefte naar economische groei en geld. Onze welvaartsverslaving is de grootste bedreiging geworden van ons welzijn en onze welvaart, met name van die van de toekomstige generaties.

Hulp die verkocht wordt als handel, het klinkt nog steeds als: "kan ik u helpen", maar dan vanachter de toonbank van bv Nederland. Are you being served, maar dan niet om te lachen. Nederland en andere landen in het rijke westen hebben een periode van ongekende welvaart afgesloten, maar een kleine planeet met een groeiende wereldbevolking laat geen ongebreidelde groei toe. Hoe goed het met ons gaat, meten we in euro's. Als onze portemonnee maar eerst weer beter gevuld is, dan kunnen we anderen gaan helpen of ons bekommeren om dieren en de natuur. We staan voor grote uitdagingen om de groeiende wereldbevolking te voeden. Daan van Doorn van de commissie-Van Doorn, die de toekomst van de Nederlandse veehouderij onderzocht, merkte op dat, wanneer het westerse consumptiepatroon zou worden overgenomen door de rest van de wereld, we drie tot vier aardbollen nodig zouden hebben, en dat die er simpelweg niet zijn. Ja, denk je dan, dat is een slimme vent.

Wat doen wij ondertussen? Wij sturen onze minister-president en onze koninklijke familie uit voor handelsmissies naar China, Vietnam, Indonesië en naar Rusland om daar promotie te maken voor onze megastallen en fokbedrijven, voor Nederlands varkensvlees en voor Nederlandse melk, terwijl dat het meest milieuvervuilende onderdeel van ons voedselpakket is. Ruim baan voor big business as usual. We laten op dit moment een zuivelpromotiecentrum in China bouwen. We hebben de vorige Chinese premier wijsgemaakt dat alle Chinese schoolkinderen — dat zijn er zo'n 300 miljoen — elke dag een halve liter melk zouden moeten drinken, terwijl overigens 90% van die kinderen lactose-intolerant is. Alleen al het Chinese schoolmelkprogramma zou tot een dagelijkse extra uitstaat van broeikasgassen leiden van ruim 200 miljoen kilo CO2-equivalenten. Hoe verantwoord vindt de minister het niet respecteren van de lactose-intolerantie en de bevordering van de uitstoot van broeikasgassen?

Wij zijn totaal niet voorbereid op de toenemende voedselconcurrentie en de grondstoffenschaarste. We hebben gezien wat er gebeurt met de schappen in de supermarkten als bijvoorbeeld de Chinezen hun familie hier vragen om babyvoeding te kopen en dat op te sturen naar China. We moesten er allemaal een beetje om lachen dat Chinezen melkpoeder kwamen kopen in onze supermarkten. Niemand lijkt er echter bij stil te staan dat dit nog maar het beginnetje is van wat ons te wachten staat, van wat er gaat gebeuren met de beschikbaarheid van granen voor ons voedsel, voor veevoer, voor de vleesindustrie, als China, Brazilië, Rusland en India gaan groeien zoals de veehouderij hier in het westen is gegroeid. Wie zal dan als eerste het loodje leggen? Wie zal er dan recht krijgen op al die granen? Zal dat Nederland zijn of zal het dat grote en machtige China zijn? De agressieve exportstrategie van met name onze veehouderij leidt niet alleen tot economische problemen, maar trekt ook diepe sporen in onze leefomgeving. Nederland gebruikt in het buitenland voor de export van dierlijke producten vier keer het eigen landoppervlak. Die grond is nodig voor de productie van veevoer. Ik zal straks nog terugkomen op de soja. Dit landgebruik leidt tot biodiversiteitsverlies en uitputting van de bodem. Het houdt bovendien kostbare landbouwgronden bezet.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Ik hoor het betoog van de Partij voor de Dieren. Daarin wordt een tamelijk negatief toekomstbeeld geschetst. In hoeverre is mevrouw Thieme ook op de hoogte van het feit dat er heel goede innovaties door het bedrijfsleven worden doorgevoerd? Daarmee kan juist meer opbrengst per hectare worden gerealiseerd. Dat kan gebeuren op een heel goede en gezonde manier. Ik ben onlangs nog bij een prachtig bedrijf hier in de buurt op bezoek geweest. Zulke bedrijven kunnen vanuit Nederland echt bijdragen aan het oplossen van problemen op wereldniveau. Ziet mevrouw Thieme dat ook, of ziet zij alleen maar het negatieve beeld dat zij schetst?

Mevrouw Thieme (PvdD):
Het is goed dat mevrouw Mulder daarnaar vraagt. Het zou namelijk onterecht zijn als zij het beeld zou scheppen dat de Partij van de Dieren uitgaat van een soort doemscenario. Wij staan echter wel voor de keuze of we doorgaan op de oude weg van meer produceren ten koste van de biodiversiteit en het milieu, of dat wij een nieuwe weg inslaan. Wij eten bijvoorbeeld ontzettend veel dierlijke producten. Dat gaat ten koste van mensen in derdewereldlanden die de gronden daar niet zelf kunnen gebruiken, omdat die worden gebruikt voor het verbouwen van voer voor het vee in Nederland. Dat is onrechtvaardig. Ik kan mij wél voorstellen dat het Nederlandse bedrijfsleven heel goed kleinschalige biologische boerenbedrijven in bijvoorbeeld Afrika kan helpen bij het verhogen van de productie. Dat moet echter gebeuren binnen de grenzen die de aarde stelt, dus binnen de biologische en ecologische randvoorwaarden die we nu eenmaal moeten stellen als we een gezonde aarde voor toekomstige generaties willen overhouden.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Het doet me goed om te horen dat de Partij voor de Dieren de kwaliteit van ons bedrijfsleven erkent. Het doet met goed om te horen dat ook de PvdD vindt dat er voor dat bedrijfsleven een rol is weggelegd in ons ontwikkelingsbeleid.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ja, het is echter wel vervelend dat juist daar niet op wordt ingezet door de minister. Zij zet niet in op kennisoverdracht en agro-ecologische landbouw, maar zij is druk met handelsmissies naar China en Vietnam. Daarmee wil zij vooral bevorderen dat men daar Nederlandse melk gaat drinken en Nederlands kalfsvlees gaat eten. Is dat nu wel zo verstandig? In de eerste plaats zijn dit milieuvervuilende producten en in de tweede plaats moet je je afvragen of het niet beter is als de mensen daar hun eigen landbouw ontwikkelen. In plaats daarvan bevordert de minister het dumpen van goedkope producten uit Nederland, omdat wij voor geld de melkboer en de slager van de wereld willen zijn.

De voorzitter:
Mevrouw Thieme vervolgt haar betoog.

Mevrouw Thieme (PvdD):
De enorme schade die ontstaat bij het winnen van grondstoffen en het produceren van granen, hout en soja, grondstoffen en landbouwproducten die wij importeren, laten wij voor rekening van de ontwikkelingslanden. Dat is natuurlijk omgekeerde ontwikkelingshulp. Het gaat daarbij om geldstromen die van zuid naar noord vloeien, die ons rijker maken en de arme landen nog armer. Dit gebeurt, terwijl er zo veel kansen zijn voor het bevorderen van een betere samenleving en een betere wereld. Volgens de Universiteit van Minnesota kunnen we 10 miljard mensen voeden als we ophouden met het telen van veevoer voor onze vleesconsumptie en voor biobrandstoffen. Wat een kansen en wat een perspectief! Wat jammer dat Nederland daarbij geen voortrekkersrol op zich wil nemen.

In de vrijhandelsakkoorden die de EU met de VS, Japan en Canada wil afsluiten, ligt ook weer de nadruk op export en import van dierlijke en plantaardige producten, dus op voedsel. Dat levert niet de voorgespiegelde hoorn des overvloeds op. Sterker nog, de prijs voor de minimale economische groei die de akkoorden misschien opleveren, is torenhoog. Het niveau van de bescherming van de kwaliteit van onze voedingsmiddelen, van het dierenwelzijn en van het milieu dreigt te worden aangepast aan de minder strenge Amerikaanse normen. In een brief van de Amerikaanse Senaatscommissie voor Financiën wordt duidelijk waar de Amerikanen van af willen. Zij willen af van de EU-beperkingen voor genetisch gemanipuleerde gewassen. Zij willen af van het verbod op het gebruik van hormonen bij runderen. Zij willen af van beperkingen op ontsmettingsmiddelen in vlees en van beperkingen op het gebruik van groeibevorderaars. Dat zou allemaal moeten verdwijnen om maar hormoonvlees te kunnen importeren in Europa. Ecotoxicoloog dr. Everts merkte in oktober van dit jaar in een messcherp betoog in Het Parool op dat de EU en de VS hun regels en verordeningen vooral willen harmoniseren en erkennen, en dat dit voor de EU het accepteren van de Amerikaanse normen betekent. Die Amerikaanse normen zijn op veel terreinen, met name op het gebied van milieu, voedselveiligheid en landbouw, veel minder strikt dan de Europese.

Voorzitter. Er wordt ook nog eens grotendeels in het geheim onderhandeld, terwijl het hier gaat om de grootste bilaterale vrijhandelsovereenkomst uit de geschiedenis. Van de 135 bijeenkomsten voor het akkoord waren er 116 met alleen het bedrijfsleven, dat voormalige topambtenaren als lobbyist voor de eigen sector inzette. De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz zegt: als de onderhandelaars een echt vrijhandelsregime zouden creëren dat het openbaar belang vooropstelt en waarbij aan de opvattingen van gewone burgers ten minste evenveel gewicht wordt toegekend als aan die van de lobbyisten van het bedrijfsleven, dan pas zou ik optimistisch zijn dat het wat zou opleveren voor de economie en dat dit het sociale welzijn zou versterken. De realiteit is echter, zo stelt Stiglitz, dat wij een handelsovereenkomst voorbereiden die de bedrijfsbelangen vooropstelt, in een proces van onderhandelingen dat ondemocratisch en niet transparant is. Ik wil graag een reactie op de zorgen die Joseph Siglitz uit over de vrijhandelsakkoorden.

Welke consequenties zal het sluiten van een vrijhandelsakkoord met de VS hebben voor onze eigen voedselkwaliteit en -veiligheid? Dat de Europese Unie de import toestaat van kip die met een chlooroplossing wordt gedesinfecteerd aan het einde van de slachtlijn? Dat wij genetisch gemanipuleerd voedsel importeren? Dat wij Amerikaans varkensvlees importeren met de hier verboden groeibevorderaar ractopamine? Ik wil een duidelijk ja of nee horen. Indien het antwoord "nee" is, welke gevolgen heeft het akkoord dan voor onze boeren in Europa, voor onze voedselveiligheid en voor onze volksgezondheid? Hoewel de minister schriftelijk stelt dat de EU en Nederland beleidsvrijheid behouden op het gebied van gezondheid, veiligheid, arbeidsomstandigheden, milieu en culturele diversiteit, zijn de zorgen in de Kamer, bij maatschappelijke organisaties en bij boeren niet weg.

Een ander zeer kwalijk punt bij de vrijhandelsovereenkomst is het feit dat de minister instemmend toekijkt bij Investor-state Dispute Settlement. Investeerders in de Europese Unie en de Verenigde Staten worden hierdoor in staat gesteld om regeringen voor een internationaal tribunaal te dagen op grond van misgelopen te verwachten winsten, veroorzaakt door strenge milieu- en voedselveiligheidsregelgeving. Tabaksgigant Philip Morris heeft bijvoorbeeld Uruguay en Australië aangeklaagd vanwege hun antirookwetten. Toen Duitsland vorig jaar na de Fukushima-ramp besloot om te stoppen met kernenergie, werd het land met een beroep op een bilateraal investeringsverdrag voor 700 miljoen euro gedaagd door het Zwitserse bedrijf Vattenfall. Duizenden Europese en Amerikaanse bedrijven hebben dochterondernemingen aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, en dat belooft wat. Zij kunnen gebruikmaken van een trans-Atlantische investeerder om hun eigen regering voor het tribunaal te dagen. Philip Morris heeft deze flexibele-vestigingsmethode al toegepast. Is de minister van plan om dit tegen te gaan? Of is het weer ruim baan voor big business as usual?

Ik kom op agro-ecologische landbouw en het recht op voedsel. Ontwikkelingshulp gaat over landbouw, en het recht op voedsel gaat met name over landbouw. Het produceren van voedsel voor de eigen markt in ontwikkelingslanden komt op veel plekken in de wereld niet op gang wegens onze dumpingpraktijk. Ik debatteerde hier al over met mevrouw Mulder. Wij importeren nog steeds vooral grondstoffen uit het Zuiden om daarvan vervolgens goedkope producten te maken. De verrekenprijzen door grote multinationals worden extreem laag gehouden, waardoor de ontwikkelingslanden nauwelijks belastinginkomsten krijgen over hun aardschatten. Ik hoor graag van de minister wat zij daartegen gaat doen.

De Kamer heeft onze motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om de ontwikkelingsgelden die besteed worden aan voedselzekerheid, ten goede te laten komen aan kleine boeren en het ondersteunen van agro-ecologische landbouwpraktijken. Nu lezen wij in de speerpuntenbrief van de minister dat in dertien partnerlanden wordt ingezet op verhoging van de voedselproductie door een betere beschikbaarheid van onder andere zaaizaad, landbouwgif en kunstmest. Kan de minister uitleggen hoe het bevorderen van het gebruik van kunstmest en landbouwgif zich verhoudt tot agro-ecologische landbouw? Is het zaaizaad lokaal zaad dat door de boerengemeenschappen zelf bewaard en ontwikkeld wordt of is het zaad uit Nederland en wordt hier toch weer gekozen voor big business as usual?

In de beantwoording van feitelijke vragen over de nota over hulp, handel en investeren stelt de minister dat bij ondersteuning van kleine boeren en boerinnen agro-ecologische landbouwpraktijken worden ondersteund, voor zover de lokale boerinnen en boeren daarom vragen. Ik wil weten of er naast het voorbeeld van samenwerking in Uganda met Simon Lévelt en de biologische koffieteelt nog andere aanvragen zijn gedaan en hoe boeren in die landen geïnformeerd worden over de mogelijkheden om ondersteund te worden bij hun agro-ecologische projecten. Deelt de minister de mening dat de agro-ecologische landbouwtranche breder is dan alleen gecertificeerde biologische landbouw? In de speerpuntennota wordt gerefereerd aan climate-smart agriculture als manier om duurzaam te produceren. Is de minister het met mij eens dat de klimaatslimme landbouw niet alleen op klimaatverandering anticipeert maar dat deze de klimaatverandering ook niet mag verergeren? Kan zij dan ook uitleggen waarom tijdens de laatste handelsmissie naar Indonesië werd ingezet op de meest milieubelastende landbouw, namelijk melk- en vleesproductie?

Veel bedrijven leiden consumenten om de tuin met maatschappelijk verantwoord ondernemen, oftewel greenwashing. Onderzoekster Schouten van de Universiteit Utrecht heeft daarmee korte metten gemaakt in een overtuigend proefschrift. Zij heeft aangetoond dat de rondetafels voor duurzame palmolie en verantwoorde soja beperkt zijn in hun vermogen om duurzaamheidsproblemen adequaat aan te pakken. De minister zet juist in op de rondetafels. De onderzoekster zegt: de participerende bedrijven dragen alleen oplossingen voor duurzaamheidsproblemen aan waarvan zij zelf geen economische schade ondervinden. Er wordt bijvoorbeeld niet gesproken over het beperken van de consumptie van palmolie of soja. Ook bij het bespreken van meer fundamentele oplossingen voor duurzaamheidsproblemen, zoals ontbossing, komen deze initiatieven nauwelijks van de grond of helemaal niet aan de orde. Bovendien is deelname aan de rondetafels op vrijwillige basis en kan regelgeving niet afgedwongen worden. De onderzoekster stelt dat de nationale overheden tot nu toe niet in staat zijn geweest om dit soort duurzaamheidsproblemen die leiden tot grootschalige ontbossing, aan te pakken. Nu blijkt dat de rondetafels dat ook niet lukt, raadt de onderzoekster aan om het over een andere boeg te gooien. Ik wil graag weten wat de minister vindt van dit onderzoek en of zij van plan is om andere maatregelen te nemen om die duurzaamheidsslag te maken. Immers, de toch al schamele criteria rondom soja en palmolie worden nauwelijks gehandhaafd. Bijna alle grote westerse gebruikers van palmolie, zoals McDonalds, Walmart en Unilever, zijn lid van de rondetafel voor duurzame palmolie. Toch wordt in Zuid-Azië, waar palmolie wordt gewonnen, nog steeds massaal ontbost voor palmolieplantages en worden mensen van hun land verjaagd. Wat gaat de minister doen, nu blijkt dat de rondetafel dit niet tegenhoudt? De minister heeft namelijk in haar functie als partijvoorzitter van de PvdA op 18 mei 2011 in haar column gloedvol betoogd "dat de maatschappelijke verantwoordelijkheid van bedrijven verder strekt dan mooie woorden en vrijblijvende projecten". Dat is nu precies wat een rondetafel is.

Het Planbureau voor de Leefomgeving gaf deze maand een helder, niet mis te verstaan advies: als Nederland via handelsketens verder wil bijdragen aan duurzame ontwikkeling elders, dan kan de overheid verduurzaming niet alleen overlaten aan de voorhoede in de markt. De overheid zal meer invloed moeten uitoefenen om meer bedrijven te stimuleren, over te stappen naar duurzame alternatieven. Wat gaat de minister doen met dit advies?

Uit het dit jaar gepubliceerde rapport van Oxfam Novib blijkt dat de tien grootste voedingsconcerns allemaal ernstig onder de maat presteren met betrekking tot duurzaamheid. De markt kent geen ethiek; dat weten we allemaal. Overheden zouden die moeten toevoegen aan het marktmechanisme. Daarom vraag ik de minister of zij bereid is om heldere randvoorwaarden te stellen aan bedrijven. Gaat de minister minimale duurzaamheidseisen opstellen? Gaat zij ook inzetten op een adequaat toezicht en sanctioneringssysteem? Of is het hier ook weer ruim baan voor big business as usual?

De minister kiest voor economische groei om welvaart voor iedereen te realiseren. Het is naïef te geloven dat wij kunnen doorgaan met groeien; wij hebben de fysieke grenzen van de aarde al ruim overschreden. En terwijl dit kabinet rond de Brusselse totempaal danst om maar krampachtig vast te houden aan een begrotingstekort van om en nabij de 3%, is het ecologische begrotingstekort inmiddels opgelopen tot meer dan het tienvoudige daarvan, meer dan 30%!

De dag waarop wij de natuurlijke grondstoffencapaciteit overschreden, Earth Overshoot Day, viel in 1980 op 14 december. Op die dag waren de grondstoffen voor dat jaar op. Dit jaar viel die dag op 20 augustus. Daarmee laten wij dit jaar het ecologisch tekort aan grondstoffen oplopen tot meer dan 30%. Als je meer natuurlijke bronnen gebruikt dan de aarde kan bieden, bouw je een ecologische schuld op. Je leeft dan op de pof van toekomstige generaties. De Nederlandse overheid geeft iedere dag 50 miljoen euro meer uit dan er binnenkomt. Dit betekent dat ons tekort elke dag met €3 per Nederlander oploopt, maar het ecologisch tekort is dus nog vele malen groter. Daar moeten wij op inzetten.

Naast het feit dat wij moeten ophouden om de slager en melkboer van de wereld te willen zijn ten koste van ons milieu en van mensen in ontwikkelingslanden, moeten wij ook de consumptie in het rijke westen naar beneden halen. Wij kunnen niet blijven consumeren alsof wij vier aardbollen ter beschikking hebben. Dit betekent ook dat wij moeten ophouden met het exporteren van onze onhoudbare leefstijl naar andere landen. Mensenrechtenexpert Olivier de Schutter van de Verenigde Naties wijst daar met nadruk op. Wij zullen welvaart moeten delen en het begrip moeten herdefiniëren. Wij moeten af van de illusie dat wij de koek groter kunnen maken; wij moeten de koek eerlijker gaan verdelen.

Als wij onze eigen handelspolitiek niet veranderen, zullen ontwikkelingslanden onze handel niet als hulp ervaren. Bij het uitblijven van concrete acties voor het verminderen van onze eigen voetafdruk op de wereld en bij het uitblijven van de erkenning dat onze exportdrift ten koste gaat van de mogelijkheden voor ontwikkelingslanden om zichzelf te ontplooien, blijven mooie woorden symboolpolitiek. Er moet een einde komen aan big business as usual ten koste van mens, dier, natuur en milieu.

En voorts ben ik van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

Interupties bij andere partijen:

Mevrouw De Caluwé (VVD): Een ander punt waarvoor de VVD een motie wil indienen, betreft de noodhulp. Het noodhulppotje is een specifieke post onvoorzien. Het is goed dat Nederland in tijden van nood een bijdrage kan leveren. De minister kan in voorkomende gevallen snel geld toezeggen voor acute en eerste hulp. In de meeste gevallen gaat het om bedragen tussen de 2 en 5 miljoen per incident. Met een bijdrage van 17 miljoen ineens voor Syrië werd in september het noodhulpbudget in één klap bijna geleegd, terwijl de bijdrage uit andere landen zoals Rusland zeer bescheiden bleef. De totale bijdrage voor Syrië kwam daarmee ruim boven de 20 miljoen, een bedrag dat gelijkstaat aan een heel partnerlandbudget. De minister kan daar heel goede redenen voor hebben, maar er bestaat op dit moment onvoldoende inzicht in die redenen. De VVD wil daarom dat de minister bij uitgaven boven de 5 miljoen in één keer de Kamer, zodra dit besluit genomen is, informeert over het hoe en waarom van de uitgaven. Daarin moet ook betrokken worden wat andere landen en de EU doen en hoe dit zich verhoudt tot de bijdrage van Nederland. (...) Het probleem is dat het potje vrij snel leeg is gegaan. In september zat er al bijna niets meer in. Bezuinigingen zijn er niet op noodhulp, zeg ik tegen de heer Sjoerdsma.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Er wordt wel degelijk bezuinigd op de noodhulp, 10 miljoen euro. Hier zegt mevrouw De Caluwé met droge ogen dat dat niet zo is. Ik vind echt dat de VVD-fractie zich zou moeten schamen om hier in de Kamer te zeggen dat deze minister niet meteen kan helpen in landen waar een ramp is maar wij er hier eerst een debat over moeten gaan voeren of er in andere landen ook wel wordt gegeven, terwijl de mensen daar sterven van de honger. Ik vind dat gewoon onfatsoenlijk!

Mevrouw De Caluwé (VVD):
Ik heb niet gezegd dat er vooraf een debat moet zijn. Dat is gewoon onjuist. Wat ik heb gezegd — dat op de noodhulp niet wordt bezuinigd — gaat over volgend jaar. Er wordt volgend jaar niet bezuinigd op noodhulp.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Als aan mevrouw De Caluwé hier in de Kamer wordt gevraagd welke rampen niet financieel hadden moeten worden gesteund, kan zij niet aangeven welke rampen ten onterechte steun van ons hebben gekregen. Zij zegt dat zij dat niet kan omdat we niet precies weten welke rampen er nog aankomen en omdat we niet precies weten wat effectief was. Hoe kunnen we dat vooraf dan wel weten?

Mevrouw De Caluwé (VVD):
Ik kan tegen mevrouw Thieme zeggen dat er dit jaar geen ramp is geweest waaraan we geen steun hadden moeten geven. We moeten ook steun geven aan Syrië. Maar we moeten af en toe ook bekijken of we altijd als eerste vooraan moeten staan om de portemonnee te trekken. Dat is wat ik heb gezegd.

(...)

De heer Jan Vos (PvdA):
Voorzitter. Nederland is een van de meest open landen ter wereld. Ons land is voor eigen welvaart en welzijn afhankelijk van de ontwikkelingen in het buitenland. (...) Nederland zou wel naïef zijn als het ervan zou uitgaan dat met een verschuiving van hulp naar handel, democratische bestuursvormen en de hulp aan de allerarmsten in deze wereld vanzelf tot stand zouden komen. Wij maken ons daarover nog steeds ernstig zorgen. In de eenentwintigste eeuw bepaalt economische macht steeds vaker politieke macht. Die macht ligt wereldwijd steeds vaker in handen van een kleine elite. De plutocratische staat, met plutocratische machthebbers, wint terrein. Dat zien we niet alleen in Rusland en China, maar ook in ons eigen Europa, waar Berlusconi het in Italië op die manier lang voor het zeggen had. Een wereld waarin economische en politieke macht op een ondemocratische manier worden samengebald, bedreigt ons pluriforme en op rechtstatelijke begrippen gedefinieerde wereldbeeld. Nederland mag dan misschien een klein landje zijn, maar ik vind het wereldbeeld dat we hier hebben groots.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ik ben het daar helemaal mee eens. Er is een democratisch deficiet, met name als het gaat om de vrijhandelsakkoorden die op dit moment worden voorbereid. Van de 135 bijeenkomsten in het kader van de totstandkoming van het vrijhandelsakkoord met Amerika werden er 116 met het bedrijfsleven en zijn lobbyisten gevoerd. Geen enkele ngo is daarbij aanwezig. Democratische controle kan niet plaatsvinden, want deze bijeenkomsten worden in het geheim gehouden. Wat vindt de heer Vos daarvan?

De heer Jan Vos (PvdA):
Dat akkoord is inderdaad een heel belangrijke kwestie, omdat het twee van de grootste machtsblokken verbindt, die op een democratische, pluriforme en rechtsstatelijke manier georganiseerd zijn, namelijk de EU en de VS. Degenen die het in die landen in gouvernementele zin voor het zeggen hebben, onderhandelen dat akkoord met elkaar uit. Ik denk dat dat goed is, want het is een belangrijke machtsfactor ten opzichte van landen die fundamenteel anders denken over democratie, het milieu en mensenrechten. Maar ik ben het wel met u eens dat er nog wat zorgpunten in dat akkoord zijn. Daar kom ik graag later op terug.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Daar kijk ik naar uit. In dit akkoord wordt mogelijk gemaakt dat bedrijven regeringen kunnen aanspreken op het feit dat ze strengere regels kennen dan in het land waar het bedrijf is gevestigd. Er kunnen dus grote claims komen. Regels die door democratische organen zijn vastgesteld, kunnen dus door het bedrijfsleven onderuit worden gehaald door dit akkoord, en doordat er grote claims komen via rechtszaken. Kunt u daarop ingaan?

De heer Jan Vos (PvdA):
U doelt op het Investor-state Dispute Settlement, het ISDS. Dat is arbitrage op grond van afspraken in een investeringsverdrag. Dat ISDS past Nederland in heel veel verdragen toe. Het is oorspronkelijk bedoeld om, als landen bijvoorbeeld overgaan tot onteigening van bezittingen van onze multinationals, die multinationals in staat te stellen een claim in te dienen bij de overheid van zo'n land, en wel bij een arbitragehof buiten dat land, bijvoorbeeld bij de Wereldbank. Dan kan een vergoeding worden uitbetaald aan die multinationals. Het is in het algemene belang van Nederland dat dat soort clausules wordt opgenomen in die investeringsverdragen. In het recente verleden hebben we echter ook gezien dat die clausules worden misbruikt. Ik wil dit toch even afmaken, voorzitter.

De voorzitter:
Ik hoopte dat u al aan het einde van uw uitleg was gekomen. Maar ik begrijp dat dat niet zo is.

De heer Jan Vos (PvdA):
Ik ben er bijna.

De voorzitter:
Maar u hebt beloofd dat u er verderop in uw tekst op terugkomt. Dat doen we nu.

De heer Jan Vos (PvdA):
Zet u de klok weer aan, dan ga ik door met de beantwoording van de vraag van mevrouw Thieme.

In een aantal gevallen worden die clausules misbruikt. De fractie van de Partij van de Arbeid vraagt dan ook aan de minister om zich in Europees verband in te zetten voor de opname van bepalingen in het handelsakkoord, die deze mogelijk negatieve gevolgen ondervangen. Is de minister daartoe bereid? Zo ja, hoe schat zij dit in? Zo'n arbitragesysteem biedt bedrijven de mogelijkheid, nationale rechtsgangen te omzeilen, en het kan bovendien leiden tot ongewenste claims en tot voordelen voor buitenlandse bedrijven die Nederlandse bedrijven niet hebben. Die zorg deel ik met mijn coalitiepartner.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Kort gezegd, dat systeem van investeringsbescherming kan nooit worden gebruikt om nationale wetgeving te omzeilen. Dat is het soort misbruik dat de heer Vos en ik ook willen voorkomen in Europa. Wij vragen de minister om te voorkomen dat dit soort clausules in het verdrag komen.

De heer Jan Vos (PvdA):
Inderdaad moeten eerst nationale rechtssystemen worden uitgeput. Wij als politici in de Kamer willen beleid kunnen wijzigen, bijvoorbeeld op het gebied van milieu. Stel dat wij in Nederland zeggen: wij gooien alle kolencentrales dicht; dat kan echt niet meer met het klimaat, die 3,6 graden. Wij moeten dat dan ook kunnen doen en vervolgens niet miljarden aan bedrijven hoeven te betalen. Zo zit mijn wereld in ieder geval niet in elkaar. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld schaliegas. Ik wil niet dat dadelijk een Amerikaans bedrijf een claim indient als wij besluiten om niet tot schaliegaswinning over te gaan omdat het niet schoon en veilig kan. Dat is een wereld die wij moeten voorkomen.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Daar ben ik het mee eens. Nu zie je dat Nederland en de rest van Europa om die claims te voorkomen, met de Amerikanen gaan onderhandelen teneinde min of meer gelijke regelgeving te realiseren. Amerikaanse producten hoeven dan niet aan strengere regelgeving te voldoen in Nederland of in de andere landen van Europa. Is dat wenselijk? Dat betekent dus dat er hormoonvlees op de Europese markt komt. Dat zijn dingen die wij niet zouden willen.

De heer Jan Vos (PvdA):
Hormoonvlees is zo'n voorbeeld. Een ander voorbeeld is genetische modificatie. In Europa gaan wij daar anders mee om dan in de Verenigde Staten. Ik hoor graag hoe de minister hierover denkt. Of neem arbeidsrechten. De bescherming van vakbonds- en arbeidsrechten is in Nederland heel anders geregeld dan in de Verenigde Staten. Zien wij straks ons recht op vrije vakbeweging en collectief onderhandelen ondermijnd worden door het vrijhandelsverdrag met de VS?

Mevrouw Thieme (PvdD):
Wij hebben in de speerpuntennota het antwoord van de minister kunnen lezen. Zij schrijft: ik heb daartoe beleidsvrijheid, ik houd beleidsvrijheid om nadere eisen te stellen aan producten. Is de heer Vos met mij van mening dat dit onvoldoende garantie biedt voor ons dat het akkoord ook in het belang van onze voedselveiligheid, ons milieu en het dierenwelzijn gesloten wordt?

De heer Jan Vos (PvdA):
Ik denk dat het akkoord in het algemeen van groot belang is. Het gaat hierbij om 800 miljoen mensen die gezamenlijk ter waarde van 500 miljard euro handel drijven. Dat is de helft van alle handel wereldwijd. De EU-landen en de VS zijn landen die in het algemeen — straks kom ik nog op een andere uitzondering — op een manier zijn georganiseerd die mij bijzonder aanstaat. Het zijn pluriforme democratieën, rechtsstaten. Gezien de manier waarop de wereld in elkaar zit, is het belangrijk om met dit soort landen gezamenlijk een vuist te maken tegen landen die veel minder democratisch georganiseerd zijn of die zelfs plutocratisch georganiseerd zijn. Ik heb al een aantal voorbeelden gegeven. In die zin ben ik een voorstander van het verdrag. Het zal ook een beetje geven en nemen zijn. Ik heb behoorlijk wat zorgpunten en als ik de reacties zo hoor, delen wij die voor een groot gedeelte met elkaar.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Voorzitter, mag ik nog een keer interrumperen? Dan ga ik daarna weer gewoon rustig zitten.

De voorzitter:
Dan geef ik u nog de gelegenheid.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Dank u wel. "Een beetje geven en nemen." Ik wil het graag wat specifieker hebben. Wat vindt de heer Vos een toelaatbare "aderlating"? In hoeverre mag worden meebewogen met Amerika?

De heer Jan Vos (PvdA):
Ten aanzien van dwangarbeid en kinderarbeid zijn een aantal kernconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie, de ILO, niet ondertekend door de VS, omdat die conventies in strijd zouden zijn met de Amerikaanse wetgeving. Ik ben erg benieuwd hoe de minister dit ziet voor Europa. Hoe wil zij daarop ingaan? Dat is een zorgpunt.

(...)

De heer Sjoerdsma (D66):
De minister meldde vorige week trots: Nederland is ontwikkelingsvriendelijk. Nederland stond op plek vijf op een mooie internationale ranglijst. De minister zei direct: deze uitkomst laat zien dat we op de juiste weg zijn met de combinatie van hulp en handel. Felicitaties. Maar de minister is nog niet helemaal begonnen aan de uitvoering van haar visie. Dat gebeurt pas in 2014. Het jaar 2013 was namelijk het jaar waarvoor D66, de SGP, het CDA, de ChristenUnie en GroenLinks, maar niet de PvdA, de bezuiniging op ontwikkelingssamenwerking zodanig keerde dat Nederland op de norm van 0,7% bleef steken. Ik vraag de minister dan ook met wiens veren zij, als een trotse Jan, te pronken staat. (...)

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ik heb het zojuist in een debat met de heer Vos gehad over de vrijhandelsakkoorden, waaronder het akkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten. Ik heb gezegd wat mijn bezwaren zijn. Er kunnen door dat akkoord producten in Europa op de markt komen die niet voldoen aan onze milieueisen of eisen rond dierenwelzijn. Zelfs aan eisen rond arbeidsomstandigheden kunnen zij niet voldoen. Vindt de heer Sjoerdsma dat Nederland een eigenstandige positie in de Europese Unie heeft waardoor het nee kan zeggen tegen dit akkoord als het niet voldoet aan onze eisen?

De heer Sjoerdsma (D66):
Ja, dat vind ik, en wel om de volgende redenen. In de eerste plaats vind ik dat, omdat bijvoorbeeld onze Europarlementariërs nauw betrokken zijn geweest, niet alleen bij het opstellen van het mandaat, maar ook bij de uitvoering van de onderhandelingen die momenteel gaande zijn. Ik noem als voorbeeld mijn collega, de Europarlementariër Marietje Schaake. Zij is de woordvoerder namens de het Europees Parlement en is daar in staat om een vinger aan de pols te houden. In de tweede plaats hebben we over dat mandaat met de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en met minister Kamp van gedachten kunnen wisselen. Ook daar is er een mogelijkheid voor controle. We hebben het vertrouwen gekregen, maar het mandaat ligt overigens inmiddels al ruimschoots op straat. Dan zijn er ook de onderhandelingen, die waarschijnlijk nog een hele tijd zullen duren. Tijdens die onderhandelingen zullen wij ook nog de gelegenheid hebben om met de ministers van gedachten te wisselen. Tot slot komt het verdrag ook nog in de Kamer aan de orde. Dus ja, ik vind dat Nederland zowel aan de voorkant als tijdens het proces en aan de achterkant voldoende middelen heeft om daarop in te gaan.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Dat is goed om te horen. Hoe gaat het op dit moment met de onderhandelingen over het akkoord? Er zijn immers zorgen over genetisch gemodificeerde gewassen, voedsel en hormoonvlees, en natuurlijk over de claims die ons boven het hoofd hangen, mocht een bedrijf dat naar Nederland wil importeren te maken krijgen met regels die het niet zint.

De heer Sjoerdsma (D66):
Onze zorgen zijn nog breder dan wat u schetst. Wij hebben ook zorgen over de privacy en over een mogelijke verdringing van het mkb door grote multinationals. Dat laat onverlet dat in de basis van het verdrag natuurlijk wel een heel mooie kans schuilt, namelijk de kans dat we door middel van handel niet alleen een enorme hoeveelheid banen scheppen, maar ook een enorme hoeveelheid inkomen. Die twee moeten we met elkaar zien te verbinden.

(...)

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik heb net in antwoord op de vraag van mevrouw De Caluwé een aantal landen genoemd die in een bepaalde fase van hun ontwikkeling in sterke mate op buitenlandse hulp zijn aangewezen. In het geval van Azië kan ik het voorbeeld van Vietnam nog een keer geven. Die landen hebben nu onze hulp niet meer nodig; sterker nog, zij dragen nu via de handelsmissies en de investeringen die onze bedrijven daar doen, bij aan onze economische groei. Daar heb ik geen enkel probleem mee, integendeel, dat vind ik prima, maar ik heb wel een probleem met mensen die doen alsof de hulp die wij daar gegeven hebben, helemaal niets heeft uitgehaald en niet heeft bijgedragen aan datgene waar wij nu de vruchten van plukken.

De voorzitter:
Gaat u verder met uw betoog.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik was net begonnen met de minister complimenten te maken op een aantal punten, maar ja, toen werd ik geïnterrumpeerd.

De voorzitter:
Ik had u al de gelegenheid gegeven om verder te gaan met uw betoog, maar mevrouw Thieme heeft nog een vraag.

Mevrouw Thieme (PvdD):
Ik ben een beetje verbaasd dat de heer Van Ojik zegt dat hij geen enkel probleem heeft met die handelsmissies naar Vietnam, China en al die andere landen die nu opkomende economieën zijn, omdat deze bijdragen aan onze economische groei. Ik ken GroenLinks als een partij die zegt: wacht eens even, is het wel van zo'n groot belang dat wij proberen om allerlei landbouwproducten, zoals dierlijke producten, naar die landen te verschepen en dat wij handelsmissies uitvoeren om varkensoren te verkopen in China en kalfsvlees in Japan, terwijl dat een enorme ecologische voetafdruk veroorzaakt; moeten wij wel die kant op? Ik stel op dit punt dus nog even een vraag ter verheldering.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dat stel ik op prijs. Ik neem aan dat mevrouw Thieme weet dat wij bij alle debatten die wij in de Kamer voeren over handelsmissies en Nederlandse investeringen in derde landen, op alle mogelijke manieren voorwaarden bepleiten op het gebied van ecologie, sociale omstandigheden, lonen et cetera. Ik ben dus geen voorstander van handel en investeringen tegen elke prijs. Ik vind dat die wel degelijk gebonden moeten zijn aan allerlei regels op het gebied van milieu, sociale omstandigheden en arbeidsomstandigheden. Dat neemt niet weg dat ik inderdaad gezegd heb dat ik er geen enkel bezwaar tegen heb als Nederlandse bedrijven investeren in of handel drijven met landen die tot voor kort nog op hulp waren aangewezen. Ik geloof dat het zo kan zijn dat dit niet alleen in het belang van Nederland, maar ook in het belang van die landen is. Ik ben het echter helemaal met mevrouw Thieme eens dat dit geen ongelimiteerd pleidooi is voor vrijhandel en investeringen.