Bijdrage Partij voor de Dieren eerste termijn VWS-begroting 2010


10 november 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. De minister is het inmiddels wel van mij gewend: ik wil het bij de begrotingsbehandeling vooral hebben over de proefdieren. Een ondergesneeuwd dossier. Als je de grote vraagstukken ziet waar het ministerie van VWS voor staat, valt daarvoor begrip op te brengen. Toch zeg ik dat wij geen aandacht moeten afleiden van een onderwerp dat ook onder de verantwoordelijkheid van deze minister valt.
Aangezien het tijdstip waarop wij elkaar spreken dit jaar veel gunstiger is dan vorig jaar, hoop ik dat wij nu samen met de minister wat knopen kunnen doorhakken. Want dat is nodig.
Het gaat om dieren: wezens met bewustzijn en gevoel, wezens die pijn, stress en angst ervaren als experimenten op hen worden uitgevoerd. Dat gebeurt ondanks alle mooie woorden volop. Wij zetten ratten en muizen in luchtdicht afgesloten hokken om er vervolgens allerlei gassen in te laten lopen om te zien hoe ziek deze dieren daarvan worden. Wij strooien irriterende stoffen die veel pijn veroorzaken, in de ogen van konijnen om te zien hoeveel schade je aanricht als je waspoeder in je eigen ogen gooit. Wij bouwen varkens met katheters en slangen om tot een model voor de hardcore fastfoodconsument. Wij breken de schedels open van katten voor een onderzoek naar incontinentie.
Daar zijn belangrijke vragen over te stellen.
De belangrijkste is: wanneer kun je nog besluiten dat een bepaalde dierproef verdedigbaar is en wanneer niet? Vinden wij het moreel toelaatbaar om dieren op te offeren voor de winst van farmaceuten en levensmiddelenfabrikanten die producten op de markt willen brengen die op zichzelf niets toevoegen aan het bestaande aanbod? Hoe zit het met dierproeven voor onderzoek naar de gevolgen van aantoonbaar ongezonde leefwijzen, de zogenaamde lifestyleziekten, of naar kwalen die door de farmaceutische industrie via indringende mediacampagnes worden gepromoveerd tot ziekte, zoals een overactieve blaas of rusteloze benen? De Consumentenbond ageerde er laatst ook al tegen. Hoe zit het met onderzoek naar maatschappelijk irreële geneeskunde, zoals het genoemde incontinentieonderzoek bij katten? De wetenschapper wilde daarbij weten of het mogelijk zou zijn om een elektrode in te bouwen in de hersenen, zodat je via een kastje aan je lijf kunt bepalen wanneer je het toilet bezoekt. Dat zou dus gaan om een ingrijpende en gevaarlijke hersenoperatie voor een heel vervelend, maar toch relatief klein probleem zoals incontinentie. Zouden artsen en patiënten kiezen voor een dergelijke oplossing?
Het is tijd voor een fundamentele discussie over de toelaatbaarheid van dierproeven, waarbij de vragen over de doelen en het maatschappelijk belang van proefdieronderzoek niet mogen worden geschuwd. De ethische dilemma's moeten besproken kunnen worden, niet in geheime commissies maar in de samenleving en in de Kamer. Gaan wij die discussie voeren?
Op dit moment werkt de minister aan een trendanalyse. Daarin wordt ook aandacht besteed aan lifestyleziekten. Dat is mooi, maar ik wil graag een toezegging dat ook andere problematische onderzoeksdoelen aan de orde kunnen worden gesteld, zoals de onderzoeksdoelen die ik hiervoor heb genoemd. Op dat punt krijg ik graag een toezegging van de minister.
Op twee soorten van duidelijk problematisch proefdieronderzoek wil ik hier alvast even ingaan, allereerst op dierproeven voor zogenaamde voedingsadditieven. Vorig jaar heb ik de minister gevraagd naar de oorzaak van het grote aantal dierproeven dat wordt verricht voor toevoegingen aan voedingsmiddelen. Ik vermoed namelijk -- dat lijkt helemaal niet onwaarschijnlijk -- dat er een relatie bestaat tussen dierproeven voor voedingsadditieven en het toenemend aantal producten met een gezondheidsclaim dat wij tegenwoordig aantreffen in de supermarkt: koekjes tegen een te hoog cholesterolgehalte, yoghurtjes voor een gezonde darmflora en drankjes tegen hoge bloeddruk. Hoewel de minister in eerste instantie aangaf dat hij dit een relevante vraag vond, kwam hij in zijn tweede termijn met een verhaal over administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Het was toen al na 01.00 uur. We konden daar dus niet op doorgaan vanwege het beperkte aantal interrupties, maar ik pak de draad vandaag graag weer op. Want hoezo administratieve lasten? Ik vroeg alleen om inzicht in deze categorie dierproeven. Alle vergunninghouders rapporteren al jaarlijks over die dierproeven en voor alle proeven moet een advies zijn gevraagd. Er zijn dus al gegevens, op meerdere plekken zelfs. Daarom opnieuw de vraag of de minister inzicht kan verschaffen in dierproeven die worden verricht voor toevoegingen aan onze voedingsmiddelen.
Dan het wetenschappelijk onderzoek. Uit het voorbeeld van zojuist, het incontinentieonderzoek bij katten, blijkt dat in Nederland dierexperimenteel onderzoek plaatsvindt waarbij je je kunt afvragen wat daarvan precies het belang is voor mens of dier. Zo zijn er wel meer voorbeelden te noemen, bijvoorbeeld op het gebied van gedragsonderzoek. Ik zou graag zien dat wij deze vragen meenemen in de fundamentele discussie waarvan ik hoop dat de minister die durft te voeren en wil voeren, maar er liggen hier ook andere vragen. Veel wetenschappelijk onderzoek wordt gefinancierd door de overheid. Zou het niet goed zijn om bij de beoordeling of het onderzoek in aanmerking komt voor financiering, de vraag te stellen of binnen het onderzoek sprake zal zijn van experimenten op dieren en of er gewerkt wordt aan alternatieven? Op die manier kan een bredere beoordeling worden gemaakt van de maatschappelijke implicaties van het onderzoek en kan die informatie worden meegewogen bij de beslissing om de gevraagde budgetten al of niet beschikbaar te stellen. Het voegt ook een nieuw instrument toe aan het beleid dat erop gericht is om het aantal dierproeven te verminderen. Aangezien de minister eerder stelde dat hij daar eigenlijk niet veel invloed op heeft, lijkt dit mij zeer de moeite waard. Hierop krijg ik graag een reactie van de minister.
Verder maakte de minister zich in het kader van de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven zorgen over fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. De inzet en de doorwerking van 3V-alternatieven bij fundamenteel onderzoek zijn complexer dan bij het veiligheidsonderzoek, stelt de minister in de kabinetsvisie.

De heer Zijlstra (VVD):
Er is onlangs een AO geweest over dierproeven. Daarin heeft de VVD naar voren gebracht dat op de Universiteit van Maastricht via gentechnologie en toxicologie een methode is ontwikkeld waarbij stoffen kunnen worden getest zonder dat daar dierproeven voor nodig zijn. Dat kost dan €10.000, terwijl een dierproef gemiddeld ongeveer 4 mln. of 5 mln. kost. Vindt u dat niet een veel efficiënter middel om van dierproeven af te komen door ervoor te zorgen dat die methode van goedkeuring, bijvoorbeeld van geneesmiddelen, door de Nederlandse overheid wordt toegestaan? Dat is toch veel efficiënter dan het kiezen van een moeilijke route via allerlei beperkingen op wetenschappelijk onderzoek met dierproeven? Kunnen we niet veel beter kiezen voor die makkelijke route, die het bedrijfsleven ook graag wil en die goedkoper, efficiënter en goed voor dieren is?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben heel blij met de steun van de VVD voor dit initiatief, maar ik zeg daarbij dat er sprake is van en-en. De PvdD heeft het initiatief waarover u spreekt, volop onder de aandacht van de minister gebracht. Ik ben blij dat de minister het initiatief heeft omarmd. Ik heb er straks nog wel enkele vragen over. De goedkeuring van de eenmaal ontwikkelde alternatieven is ook een zorgpunt waarop ik straks zal ingaan. De minister geeft zelf echter aan dat het maximaal gaat om ongeveer 8% tot 10% van de dierproeven. In het wetenschappelijk onderzoek gaat het om de helft. Ik wil dus graag op allebei die terreinen vragen stellen. Ik ben allicht blij met uw steun voor dit initiatief, maar ik denk dat wij die andere vragen niet moeten negeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog.
De minister heeft weinig zicht op de ontwikkeling van 3V-alternatieven in het fundamenteel onderzoek, zegt hij. Wat heeft hij dan gedaan? Constateren dat je er weinig zicht op hebt, is één ding, maar het er vervolgens bij laten zitten, is heel iets anders. Ik zou graag zien dat de minister daar wat harder voor had gelopen. Misschien kan hij daar vandaag of morgen een reactie op geven. Ik heb geen inspanningen gezien op dit terrein en ik zou graag willen weten waarom die er niet zijn.
Ik ben sowieso teleurgesteld over de inspanningen van dit kabinet op het gebied van alternatieven. Proefdiervrije technieken zijn beter voor mensen, kosten minder -- ik sluit me aan bij het pleidooi van de VVD op dit punt -- en besparen dieren akelige experimenten. Investeren in alternatieven levert dus win-winsituaties op. Dat zien wij bij ASAT: via innovatieve technieken kunnen stoffen in de toekomst veel beter, sneller, goedkoper en zonder dierproeven getest worden. Dat inzicht is inmiddels ook doorgedrongen tot de minister. Daar ben ik erg blij om, maar veel actie zien wij niet. Alternatieven komen niet vanzelf van de grond. Daar is allereerst geld voor nodig. Ook een stevige inzet van onze overheid is belangrijk om ervoor te zorgen dat ontwikkelde alternatieven daadwerkelijk kunnen worden toegepast. Het Nederlandse onderzoekspotentieel voor alternatieven voor dierproeven blijft al jarenlang grotendeels onbenut. Dat vind ik jammer, om meerdere redenen. Met een investering van 10 mln. kan innovatief onderzoek op dit punt eindelijk worden opgestart. Nu ligt het te verstoffen op de plank. De Partij voor de Dieren dringt voortdurend aan op investeren in alternatieven. Bij de algemene politieke beschouwingen van 2008 nam het kabinet een motie van de Partij voor de Dieren over. In die motie werd gevraagd om een substantieel interdepartementaal budget voor alternatieven. Inderdaad: het budget werd opgehoogd. Dat was een bescheiden, maar hoopgevende eerste stap. Het mocht echter niet duren. Het budget voor het komende jaar, 2010, is namelijk meer dan gehalveerd ten opzichte van 2009.
Ik voel me genoodzaakt de minister te herinneren aan een statement uit de kabinetsvisie die hij eerder heeft gepresenteerd. Ik citeer: "Nederland heeft in het onderzoek naar 3V alternatieven internationaal een vooraanstaande positie. De ontwikkeling van 3V alternatieven in zowel regelgevend onderzoek als fundamenteel onderzoek wordt door het
kabinet gestimuleerd." In welk opzicht is onze positie vooraanstaand? Kan de minister toelichten hoe deze ambitie zich verhoudt tot het schamele budget van 1 mln. dat hiervoor wordt uitgetrokken? Want wij zien niet heel veel terug van die mooie woorden van het kabinet, dat de alternatieven hoger op de agenda wilde zetten. Waar blijft een heuse visie? Wat is nu het verschil tussen het huidige en het vorige kabinet? Het budget is nog steeds laag. Ik heb een amendement ingediend om de goede richting aan te geven. Ik doe hierin een voorstel om het budget te verhogen naar 4,5 mln. Dat is nog steeds maar een fractie van wat het volgens onze fractie zou moeten zijn, maar goed, ik kan niet overal mijn zin in krijgen. Het is bedoeld om de richting aan te geven. De minister is vrij om verder te wandelen op dat pad. Ik kan hem geruststellen: het geld komt niet van zijn eigen begroting. Wij willen het geld halen uit de begroting van EZ, specifiek uit de investering in de life sciences. Dat geld blijft daar, wordt daar niet weggehaald, maar een klein gedeelte van dat budget willen wij oormerken voor de ontwikkeling van alternatieven. Dat is kansrijk volgens mij, maar ik hoor graag de reactie van de minister. Ik beveel het amendement ook warm aan bij mijn collega's.
Ik heb een vraag over het budget dat de minister wel zelf heeft gevonden. Vorig jaar complimenteerde ik hem nog met zijn inspanning om het ASAT-initiatief van de grond te krijgen. De minister heeft gezegd dat hij het initiatief niet door de benen zou laten zakken, maar de centjes lijken moeilijk te vinden. Wij hebben daarop doorgevraagd. In zijn brief van vorige week schrijft de minister dat hij zich garant stelt voor een overbruggingsbudget van 1 mln. Kan de minister dat toelichten? Waar komt dat vandaan? Is het een lening of een voorschot? Ik wil heel graag weten of het ten koste gaat van het budget voor dierproeven of dat het dit begrenst. Kortom: is het een potje dat al voor alternatieven bestemd was, of komt dat geld erbij? In het algemeen overleg van eind september vertelde de minister over zijn hoop dat andere departementen en private partijen mede zullen investeren in het ASAT-initiatief. Kan hij aangeven wat de laatste stand van zaken is?
Zoals gezegd, het gaat meer dan om alleen maar geld. Het kabinet heeft een visie gepresenteerd en het heeft beloofd een stimulerende rol te gaan spelen. De minister zei zelfs dat het onderwerp hem na aan het hart was komen te liggen. Dat belooft nogal wat! Maar wij zien niet veel actie uit vak-K. Keer op keer moet de Kamer, lees de Partij voor de Dieren, aan de bel trekken om ervoor te zorgen dat er iets gebeurt. Een voorbeeld is de alternatieventoepassing. Wij weten allang, de minister ook, dat het heel erg lang duurt voordat een alternatief is goedgekeurd door de regelgevers. Voor het experiment met het konijnenoog dat ik noemde, is er al twintig jaar een alternatief, maar dat is nog steeds niet goedgekeurd in de regelgeving.
Op zich is de inzet van de minister oké. Als die inzet echter niets oplevert, dan moet de minister naar nieuwe mogelijkheden zoeken en dat doet hij niet. Als wetenschappers dan aan de bel trekken omdat zij er ook genoeg van hebben dat het allemaal zo lang duurt, dan vind ik dat de minister zelf in actie moet komen. De Kamer moest daar tot twee keer toe op aandringen en nu komt er pas een analyse. Dat had toch eerder gekund?
De herziening van de Europese dierproevenrichtlijn loopt ook al jaren. Nederland heeft achterover geleund en kwam pas met een standpunt toen het Europees Parlement al lang en breed over de amendementen had gestemd. Ik vraag de minister: waarom toch?
De minister heeft beloofd de ontwikkeling van alternatieven en de coördinatie te stimuleren door een nationaal kenniscentrum alternatieven op te richten. Dat is ook mooi, maar de beloofde deadline werd niet gehaald. Zit er op het ministerie van VWS misschien niemand bovenop dit dossier? Graag een verklaring van de minister.
In het rijtje van voorbeelden waarbij het kabinet toch echt wat harder moet lopen dan nu het verbod op dieren voor cosmetica. Jaren geleden besloot de Europese Unie tot het instellen van een verbod op het testen van cosmetica op dieren. Dat is mooi, want dieren zijn geen testinstrumenten waarop je van alles kunt uitproberen. Het is goed dat er voor cosmetica in elk geval is gezegd: dat doen we niet meer! Het is wel een beetje jammer dat het zo lang moest duren. Er was sprake van lange overgangstermijnen, maar de minister kon het dus ook lang zien aankomen. Op 12 maart 2009 hadden er geen lippenstiften, oogschaduwtjes en bodylotions meer in de Nederlandse schappen mogen liggen, als die producten op dieren waren getest. Dat dachten we, maar er lagen deze zomer gewoon nog Chinese smeersels bij de drogist. Ik vraag de minister: hoe zit dat? Hoe komen die producten die op dieren zijn getest in de Nederlandse winkels terecht? De minister had dat verbod lang kunnen zien aankomen, maar hij heeft het later geïmplementeerd dan Europa heeft gevraagd. Kan de minister dat verklaren en hoe zit het met de handhaving? Ik dank de SP-fractie voor de vragen die zij ook over dit punt gesteld heeft. Volgens mij maakt de Kamer zich daarover grote zorgen en de minister moet wel even uitleggen hoe dat verbod gehandhaafd zal worden, want hij heeft op eerdere vragen daarover geen afdoende antwoord gegeven.
Dan nog de jaarverslagen van de dierenexperimentencommissies. Daarover hebben wij tijdens een algemeen overleg wat discussie gehad. Dit betreft een aangenomen motie. De minister heeft eerder gezegd dat de verslagen over 2008 openbaar zouden worden gemaakt. Dat betekent dus dat we die nu ongeveer hadden moeten ontvangen. Nu blijkt echter dat dit pas in 2010 ingaat. Welke verklaring heeft de minister daarvoor? Het moet beter. Het is gesleur en getrek. Het ministerie lijkt er geen prioriteit aan te geven en ook de eigen beloftes en ambities worden niet waargemaakt.
Ik stel dan ook voor dat de minister voortaan jaarlijks, uit zichzelf, de Kamer informeert over de stand van zaken en de ontwikkelingen op het gebied van dierproeven. Dat kan bijvoorbeeld bij het verschijnen van het jaarverslag van de VWA. Ik stel me voor dat we dat steeds in het eerste halfjaar van het lopende jaar krijgen, voor juli dus, en dat de minister bij dat rapport een appreciatie geeft van de ontwikkelingen die hij daarin ziet. Nu krijgt de Kamer het opgestuurd met een briefje van de VWA: alstublieft, hier heeft u het rapport. Wij lezen echter nergens hoe de minister de beleidsontwikkelingen en de effecten van zijn beleid beoordeelt. Ik krijg graag een toezegging van de minister op dit punt.
Ik ga nog even door over de cijfers van vorig jaar. Wij hebben een paar weken geleden de cijfers gekregen over de dierproeven die in 2008 zijn verricht en wat blijkt: tegenover de bescheiden daling van het aantal dierproeven staat wederom een explosieve stijging van het aantal proefdieren dat als overtollige voorraad aan zijn einde komt. Dit aantal is de afgelopen jaren verdubbeld van 227.000 in 2003 naar 455.000 in 2008, bijna een half miljoen dieren. Dit feit is natuurlijk minder mediageniek. Het kabinet vertelt graag aan bezorgde burgers dat het aantal dieproeven in Nederland daalt en dat is ook wel zo, ieder jaar een procentje of zo, maar het totaal aantal dieren dat sneuvelt in de proefdiersector stijgt. Dit ligt al een poosje boven de één miljoen dieren per jaar en dit is veel meer dan bijvoorbeeld vijf jaar geleden. Het zou de minister sieren als hij daar eerlijk over is. Het zou hem nog meer sieren als hij beleid ontwikkelt op dit punt. Ik heb hier vorig jaar vragen over gesteld. De minister antwoordde toen dat het fokken van overtollige dieren economisch niet zo interessant is en dat dit daardoor vanzelf niet zo uit de hand zal lopen. Ik was niet overtuigd door die redenering, want ik denk dat er zeker ook motieven zijn waardoor het aanhouden van voorraden dieren lonend kan zijn, bijvoorbeeld voor een proefdierfokker die geen nee wil verkopen aan zijn afnemers. Dit bleek ook toen ik deze zomer een bezoek bracht aan proefdierfokker Harlan in Limburg.
Op dat punt spelen dus bredere bedrijfseconomische motieven, dus de redenering van de minister gaat niet op. Belangrijker is echter dat ook collega's van de CDA-fractie en de VVD-fractie zich zorgen maken over het grote aantal dieren dat wordt verspild in de proefdiersector. Die dieren worden in voorraad gedood. Ik hoor graag van de minister de toezegging dat hij met beleid komt om dat aantal omlaag te brengen.
Tot slot: ik heb al even aangestipt dat er een aantal kansrijke initiatieven ligt op het gebied van alternatieven. Daarmee worden niet alleen dieren geholpen. Ook voor mensen leveren die alternatieven betere resultaten op. Ik stel graag een laatste vraag over vaccins. Nu is het zo dat iedere nieuwe batch van vaccins op dieren wordt getest. Ik heb een bezoek gebracht aan het RIVM. Er is een aantal trajecten ingezet om alternatieven te ontwikkelen, want het is bekend dat het effect van een stof bij dieren nog niet zo veel zegt over het effect bij mensen. Alternatieven kunnen dus betere voorspellingen opleveren over de effecten die een bepaalde batch uiteindelijk zal hebben op mensen die daarmee worden gevaccineerd. Ik wil heel graag van de minister weten wat de stand van zaken is op het gebied van de alternatieve ontwikkeling op dat punt. Welke mogelijkheden zijn er om bijvoorbeeld de goedgekeurde batches in de praktijk te volgen? Wat zijn de effecten op mensen die een bepaalde batch ingespoten hebben gekregen? Is het niet veel zinniger om die resultaten te koppelen aan de kennis die nodig is bij de volgende batch? Ik begreep van het RIVM dat men daarmee bij een aantal vaccins al bezig is. Het lijkt mij vanwege het belang voor de volksgezondheid en vanwege de doelstelling om het aantal dierproeven terug te dringen, een heel kansrijke ontwikkeling. Ik hoor daarover graag meer van de minister.

De heer Jan de Vries (CDA):
Deze begroting gaat niet alleen over dierenwelzijn, maar ook over zorg voor en welzijn van mensen. Mijn vraag aan mevrouw Ouwehand is de volgende. Welke toekomstvisie heeft de Partij voor de Dieren op de zorg, waardoor de zorg voor iedereen ook houdbaar en betaalbaar blijft?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben blij met uw vraag. De Partij voor de Dieren heeft tegen kiezers altijd eerlijk gezegd dat er grote, belangrijke problemen spelen in onze samenleving, maar dat het niet zo mag zijn dat dieren nooit aan bod komen. Wij hebben gezegd dat onze inzet gericht is op dieren, natuur en milieu. Dat betekent niet dat wij de andere onderwerpen negeren. Wel maken wij keuzes in wat wij aansnijden en wat niet. Als u de Partij voor de Dieren een beetje volgt, had u aan ons stemgedrag kunnen zien dat wij tegen marktwerking in de zorg zijn en dat wij zeker geen voorstander zijn van bezuinigingen in de zorg. Daarnaast zijn wij erg benieuwd naar de voorstellen van het kabinet. Wij zien dat het slecht gaat in de zorg en dat de kosten in die sector zullen stijgen. Wij zullen daarvoor oplossingen moeten zoeken, maar bezuinigingen hebben niet onze voorkeur.

De heer Jan de Vries (CDA):
Begrijp ik dus goed dat de Partij voor de Dieren nooit met eigen voorstellen komt op het terrein van zorg en welzijn, maar altijd alleen in haar stemgedrag laat blijken of zij voorstellen van andere fracties al dan niet steunt?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Wij laten inderdaad heel graag het debat over aan de partijen die op dit punt zinnige voorstellen doen. Ik meende in uw toon een beetje dédain te bespeuren. Wat mij betreft is daarvan geen sprake. Wij sluiten ons erg graag aan bij voorstellen die door andere, hardwerkende fracties op dit punt naar voren worden gebracht. Daarover hebben wij, zoals gezegd, tegenover onze kiezers geen woord gelogen.

Mevrouw KoÅŸer Kaya (D66):
Ik heb nog een vraag aan mevrouw Ouwehand over het vaccinatiebeleid. Ik begrijp overigens haar zorgen. Er worden nu veel discussies gevoerd over vaccinatiebeleid. Er bestaat veel verwarring over de voor- en nadelen van verschillende vaccinaties. Vindt u niet dat de minister morgen iets meer zou moeten vertellen over de wijze waarop het vaccinatiebeleid op dit moment wordt vormgegeven?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat is een goede suggestie, die ik graag vanaf deze plaats naar de minister doorgeleid. Wat betreft de huidige ophef over de vaccins tegen pneumokokken heb ik begrepen dat wij nog even moeten wachten op de resultaten van de onderzoeken. Ik verwacht niet dat de minister daarover heel veel kan zeggen. Maar ik wil graag dat de Kamer morgen in de beantwoording alle informatie krijgt die hij heeft.