Bijdrage Partij voor de Dieren AO over de Neder­landse visie op nieuwe Europese visse­rij­beleid (GVB)


16 december 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Met lichte verbazing heb ik het stuk gelezen dat de minister ons heeft gestuurd, met daarin haar visie op de herziening van het Europese visserijbeleid. Uit de interrupties werd al een beetje duidelijk dat ik daarin belangrijke onderdelen heb gemist. De minister schrijft: "De herziening biedt kansen om onze lijn om van de visserij een winstgevende, duurzame en maatschappelijk geaccepteerde bedrijfstak te maken, ook in Europees verband aan de orde te stellen". Dat zou natuurlijk mooi zijn, maar dan moeten we wel weten of ons eigen duurzame visserijbeleid werkt. Daar was de Algemene Rekenkamer niet heel erg positief over. De Algemene Rekenkamer zei ook dat zij het zojuist ingezette beleid nog niet in zijn totaliteit kan overzien en dus niet weet welke effecten het heeft. Als de minister echter in Europa aan de orde wil stellen wat wij hier doen, dan moet zij ook weten of dat effectief is. Ik vraag de minister dus op welke termijn zij een evaluatie van haar eigen beleid heeft gepland, zodat we kunnen beoordelen of het wel zin heeft om onze aanpak Europees te promoten.
Verder viel mij op dat de minister veel wollig taalgebruik bezigt in haar stukken. De Algemene Rekenkamer is daar eerder al kritisch over geweest. Ik verbaasde me over de definitie die zij kiest voor de ecosysteembenadering. Ze schrijft: "De ecosysteembenadering is gericht op het zoveel mogelijk nut halen uit de levende natuurlijke hulpbronnen in zee en tegelijkertijd de gevolgen daarvan voor het milieu te minimaliseren". Volgens mij is een goede ecosysteembenadering eerst gericht op behoud van ecosystemen. Als je dat goed hebt gedaan, kun je daarna bekijken of je er hulpbronnen kunt uithalen zonder schade aan te richten. Het zijn mooie woorden, maar als je goed leest, klopt het niet. De minister schrijft ook, in haar visie op 2020: "De visserij maakt gebruik van de meest duurzame technieken". Wat betekent dat? Een techniek is duurzaam of hij is het niet. Het is niet een beetje rood of een beetje roze. We moeten kleur bekennen. Ik had dus graag gezien dat de minister duidelijker was. Zij schrijft ook: "Subsidies worden gericht ingezet op het verbeteren van visserijtechnieken, beperking van de invloed op het ecosysteem, besparing van energie en marktwerking". Hoe substantieel wordt dat? Hoe groot zijn onze ambities daarbij? Gaan we verduurzamen door bijvoorbeeld vier metertjes van een kor af te knippen, of schaffen we de boomkorvisserij helemaal af? Ik zie die duidelijkheid niet. De Algemene Rekenkamer heeft er ook al opmerkingen over gemaakt. Ik vind het een groot gemis in deze nota.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik verbaas me over deze opmerkingen van mevrouw Ouwehand. Ik vind ze nogal conservatief, als zou het begrip "duurzaamheid" iets zijn wat je op enig moment bereikt en dat is het dan. Nee, dat is een voortschrijdend proces. Daarom is de formulering "meest duurzaam" uitdagender dan wat mevrouw Ouwehand vertelt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind het helemaal niet erg dat ik een conservatief gedachtegoed lijk te hebben in de ogen van mijn collega's. De tactiek die de minister toepast door niet te spreken over duurzaamheid maar over verduurzaming als werkwoord, laat veel te veel ruimte voor eigen definities en eigen interpretaties van duurzaamheid. Duurzaamheid is, zoals de heer Van der Vlies vast ook wel weet, het meest misbruikte containerbegrip van deze tijd. Ik denk dat je een vastomlijnde definitie moet kiezen, waarbij je uitgaat van de draagkracht van het ecosysteem en een aantal andere randvoorwaarden. Dan weet je of iets tegemoetkomt aan de criteria. Als iets nog niet aan de duurzaamheidscriteria tegemoetkomt, kun je dat ook benoemen. Je moet echter niet spreken over "meest duurzaam" of zeggen dat het een werkwoord is en werk in uitvoering. Dat schept namelijk alleen verwarring. Ik kom later op het onderwerp dierenwelzijn, want ook dat hebben wij node gemist.
Hoe moet het dan wel? Als je de situatie van de zeeën en oceanen bekijkt, kun je niet anders dan concluderen dat we nu moeten handelen en goed en scherp ook. Sluiting van 40% van de zeeën bijvoorbeeld, om de natuur te laten herstellen en belangrijke gebieden te beschermen. In dat licht is onze naleving van de Europeesrechtelijke verplichtingen met betrekking tot de bescherming van de natuur en van andere internationale verdragen bedroevend. Wil de minister ten minste integratie van de natuur- en milieuwetgeving en natuur- en milieuregelgeving in het GVB bepleiten?
De visserijinspanningen moeten worden bezien vanuit de ecologische draagkracht. Je sluit gebieden en voor wat er over is bepaal je wat het systeem aankan. Op basis daarvan bepaal je je vangst- en vlootcapaciteit. Dat maakt het een stukje makkelijker, kan ik u zeggen. Gedoe met quota en gedoe met visserijdagen en bijvangsten kunnen allemaal verleden tijd zijn als we ervoor zorgen dat de vloot niet groter is dan het ecosysteem kan dragen. Waarom denkt de minister niet in die richting? Het scheelt een boel belastinggeld en het is duidelijk voor iedereen. Als er een beschermd gebied is, weet je dat je daar niets te zoeken hebt. Het kan snel en makkelijk worden gecontroleerd. Als je ziet hoeveel geld er nu al in de toch al minimale controle gaat zitten, is het de moeite van het overwegen waard om op die manier te denken. Als we dus de ecologische grenzen echt gaan respecteren, en niet met de wollige woorden die zowel de minister als de Europese Commissie spreken, is dat winst voor iedereen. We weten waar we aan toe zijn. Natuurlijk, er zal gesaneerd moeten worden en dat is een zware dobber voor vissers die al die tijd, ook van deze regering, te horen hebben gekregen dat het eigenlijk niet op kan. Duidelijkheid biedt echter uiteindelijk de beste perspectieven voor de toekomst. Want voor iedereen die bij het woord "visser" nog denkt aan Kapitein Iglo die op zijn houten boot de zee bevaart: helaas, de moderne vistechnieken zijn niets anders dan massavernietigingswapens, gericht op het binnenhalen van het leven dat nu nog in de zeeën zit.
Mevrouw Snijder-Hazelhoff sprak er gelukkig ook al over: er zijn netten waar dertien Boeings 747 in passen. De verduurzaming waar de minister op aanstuurt betreft bijvoorbeeld de lange lijnen, waaraan inderdaad geen bodemberoering te pas komt, maar waarin wel allerlei diersoorten vast komen te zitten. Dat zijn ook beschermde diersoorten als haaien, albatrossen en schildpadden. Alsof dat nog niet destructief genoeg is, hebben we ook nog steeds de boomkorren, die de bodem omploegen en niets anders achterlaten dan een levenloze moddervlakte. De minister vindt ook wel dat die zouden moeten worden afgeschaft, maar pas als er een alternatief is. Voor de zee hebben we echter geen alternatief. Ik vraag de minister dus om hier meer vaart mee te maken.
Mijn volgende punt is het dierenwelzijn. Dit kabinet heeft ambities op het gebied van integrale duurzaamheid. Die ambities steunt de Partij voor de Dieren. Over de invulling hebben we nog wel eens een robbertje te knokken met de minister, maar de ambitie staat. Integraal duurzaam betekent ook dierenwelzijn. Ik heb het woord "dierenwelzijn" één keer gezien in de nota. Dat was toen de minister schreef dat er verschillend over wordt gedacht. Dat is natuurlijk niet genoeg. We willen toch ook integraal duurzaam met het Europese visserijbeleid bezig zijn en dus ook een plaats hebben voor dierenwelzijn? Kan de minister dat toezeggen?
Ik sluit af met de opmerking dat de minister, als zij meer wil doen dan alleen zeggen en suggereren dat duurzaamheid belangrijk voor haar is, concrete stappen moet zetten. Die mis ik nu. Zij moet substantiële stappen zetten naar echte duurzaamheid, want we hebben geen tijd meer om te experimenteren met verbeteringen op de vierkante centimeter. Het moet groot en het moet nu. Dat is het enige eerlijke antwoord dat we kunnen geven op de ronduit beroerde situatie waarin we onszelf hebben gemanoeuvreerd. Dat antwoord is eerlijk naar de samenleving, eerlijk naar toekomstige generaties en eerlijk naar de vissers van nu. Van valse toekomstperspectieven is nog nooit iemand gelukkig geworden.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan begrijp ik het niet. Als de minister zegt dat het op de agenda moet komen en in de visie moet belanden, begrijp ik niet dat er over vissenwelzijn in de ons toegestuurde visie alleen wordt gesproken in directe relatie tot de verantwoordelijkheid van de vissers zelf. Als het de minister menens is, en dat hoop ik heel erg, vind ik dat zij die ambitie moet neerleggen; of wij daar nu wetenschappelijk voldoende over weten of niet. Ik vind dat zij moet zeggen dat dierenwelzijn een van de kaders vormt van het toekomstig gemeenschappelijk visserijbeleid. Zegt de minister dat of zegt zij wat ze eigenlijk al heeft opgeschreven, namelijk dat zij het belangrijk vindt dat de sector erover gaat nadenken?

Minister Verburg: U moet recht doen aan wat u in de visie ziet. Ik vind dat de sector erover moet nadenken en dat het onderdeel van de Europese visie moet zijn. Beide zaken staan in de visie die voor u ligt, anders hebt u misschien de visie van mijn Spaanse collega in handen. Dat is een grapje natuurlijk. Beide zaken moeten gebeuren: de visserijsector moet er zelf over nadenken en het moet onderdeel uitmaken van de Europese visie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik blijf het oneens met de minister over dierenwelzijn. Ik lees vooral dat zij er wel aandacht voor heeft, maar op een vrijblijvende manier en middels een oproep aan de sector. In haar horizonschets zie ik bijvoorbeeld niet de ambitie dat kwetsbare gebieden beschermd worden en dat vissen niet meer 60 minuten liggen te stikken op het dek. Zo'n ambitie zou je gewoon moeten neerleggen. Ik ga daar dus een motie over indienen, want ik vind dat dit geen vrijblijvend criterium mag zijn.
Als het gaat over moties heb ik eigenlijk sowieso de neiging om alles dicht te timmeren. Ik krijg namelijk een beetje buikpijn van de mooie woorden en de weinig concrete invulling. Als wij uitgaan van de ecosysteembenadering en ik de minister hoor zeggen dat dit onder andere betekent dat er een belangrijke rol is weggelegd voor wetenschappelijk advies, vraag ik me af of het zo kan zijn dat wij de komende jaren bij de onderhandelingen besluiten dat Nederland vindt dat het niet alleen een belangrijke rol moet spelen, maar dat wij dat bindend verklaren? Ziet de minister die ruimte nog of houdt ze het bij een belangrijke rol?
De minister heeft niet gereageerd op mijn vraag of wij het natuur- en milieubeschermingsrecht moeten integreren in het herziene GVB. Daar zou ik namelijk een warm voorstander van zijn.