Bijdrage Partij voor de Dieren AO Landbouw en Visse­rijraad


9 december 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Als eerste wil ik ingaan op de dierproeven. We hebben overlegd met de minister van VWS over de Nederlandse inzet bij de wijziging van de dierproevenrichtlijn. Toen we dat AO hadden was er discussie over de positie van Nederland met betrekking tot het gebruik van primaten. De Europese Commissie heeft een voorstel gedaan om het gebruik van primaten te beperken tot onderzoek dat is gericht op levensbedreigende of gezondheidsondermijnende aandoeningen, maar de Nederlandse regering wilde niet aan die beperking. We hebben daarover van gedachten gewisseld en toen is op tafel gekomen dat een aantal aandoeningen mogelijk buiten het onderzoek zou vallen. De Kamer heeft de minister gevraagd of zij wilde laten zien waar haar stelling op gebaseerd is dat een aantal onderzoeksgebieden niet meer goed zou kunnen worden uitgevoerd. De minister heeft daarop gereageerd, maar die brief is eigenlijk een herhaling van wat zij al eerder aan de Kamer had geschreven. Eigenlijk kunnen we dus concluderen dat zij haar stelling dat een aantal onderzoeksgebieden in gevaar komt niet goed kan onderbouwen. In Nederland gaat de minister van VWS hierover, maar in Europa beslist de Raad van Landbouwministers erover. Ik wil dus aan deze minister vragen om gewoon het voorstel van de Europese Commissie te volgen. Ik heb al aangekondigd dat ik hier graag een motie over wil indienen als ik deze toezegging vandaag niet krijg. Ik denk dat het belangrijk is om het gebruik van primaten zoveel mogelijk te beperken. Volgens mij is het voorstel van de Europese Commissie dan ook een goed voorstel. Daardoor blijft onderzoek naar levensbedreigende of gezondheidsondermijnende aandoeningen mogelijk. Ik begrijp dan ook niet zo goed waar Nederland naartoe wil met een verruiming.

Ik loop even de agenda langs. Allereerst wil ik iets zeggen over het verslag van de vorige bijeenkomst over ivoor. De heer Polderman heeft daar al iets over gezegd en ik begrijp dat mevrouw Snijder daar iets over zal inbrengen. Kortheidshalve sluit ik mij daar dus bij aan. Ik wil de minister op het hart drukken om vooral alle beperkingen die mogelijk zijn te ondersteunen en niet zoals vorig keer, meen ik, mee te gaan met redeneringen als wanneer we een keer een illegale transactie toestaan, we de boel vooruit helpen. Het is gebleken dat dergelijke polderafspraken alleen leiden tot een toename van de handel in illegaal ivoor, dus daar moeten we niet meer mee willen experimenteren. Dan staat het punt van de inzet van Nederland met betrekking tot illegaal hout op de agenda. Dat lijkt me prima. Houdt dat vol, zou ik zeggen.

Mijn volgende punt heeft betrekking op de dierenwelzijnlabeling. De minister kent de opvatting van de Partij voor de Dieren dat labeling vooral niet mag gaan over het geven van een positief gevoel aan consumenten bij producten die wellicht een klein stukje diervriendelijker zijn dan gangbaar, maar nog lang niet echt dierenwelzijn betekenen. Wat ons betreft gaat het om eerlijke en neutrale informatie op een etiket en geen blij varkentje als de enige welzijnsverbetering bij wijze van spreken een handjevol stro is geweest. Ik zou dus graag zien dat de minister zich daarvoor inzet. Eerlijke en neutrale informatie is de beste informatie die je op een etiket kunt wensen.

Dan kom ik op de visserij. In het verslag van de vorige Raad hebben we gelezen dat er over tonijn is gediscussieerd. Ik heb daar vragen over. Italië moppert over de beperking van de vangst van de blauwvintonijn en daarover zegt de minister dat de TAC-daling niet begrensd is met de gebruikelijke limiet van 15%. Dat verbaasde mij een beetje. Is er dan een afspraak dat de daling altijd maximaal 15% mag zijn? Daar heb ik graag een toelichting op. Ik druk de minister op het hart dat het met de blauwvintonijn heel slecht gaat. Ik heb haar de vorige keer al gevraagd of we niet gewoon de Europese wateren kunnen sluiten voor de vangst. Toen heeft ze gezegd "Europa is gekke Henkie niet". Echter, als het dier definitief uitsterft, heeft niemand er meer wat aan. Ik wil mijn voorstel dan ook maar herhalen. Het lijkt mij goed als we in elk geval onze eigen verantwoordelijkheid nemen, even los van wat andere pipo's in de wereld zich menen te kunnen veroorloven. Excuus voor deze misschien wat badinerende uitdrukking, maar als je niet in de gaten hebt dat het echt afgelopen moet zijn met de vangst op tonijn, is die kwalificatie misschien toch wel terecht. Ik zou hierop graag een reactie willen van de minister.

Ik wil graag nog iets zeggen over de eigen visbestanden. Ik heb me verbaasd over de uitspraak van de minister dat ze het niet eens is met de voorgestelde verlaging voor tarbot en griet. Ze zegt dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is, dat het bovendien om een bijvangstsoort gaat en dat het, omdat het een bijvangst is bij de vangst op tong en schol waarvan de quota weer hoger zijn, zou leiden tot discards. Je kunt natuurlijk echter ook voorstellen om met lagere quota voor tong en schol te werken. Sterker nog, dat heeft de Europese Commissie gedaan. De minister vindt deze verlaging echter te strikt. Ik heb twee vragen daarover: waarom beginnen we vanuit het voorzorgsbeginsel niet met de meest kwetsbare soorten en stellen we van daaruit de quota vast voor de soorten die daarmee samenhangen? Als er geen wetenschappelijke onderbouwingen beschikbaar zijn, zou Nederland dan niet moeten varen op het voorzorgsbeginsel en niet denken zelf te weten wat we dan nog wel kunnen vangen? Ik zie dat ook bij de platvisserij. Daar zegt de minister dat wij een andere mening dan de Commissie hebben en dat de Commissie verkeerd gerekend heeft. Zij wil slechts een daling van 10% in plaats van 13,3%. Als je niet weet wie er gelijk heeft, zou ik zeggen dat het voorzorgsbeginsel voorop moet komen.

De heer Waalkens (PvdA): Met betrekking tot de vaststelling van de TAC van de doornhaai zou ik aan mevrouw Ouwehand willen vragen wat zij vindt van de aantekening dat er een bijvangstmogelijkheid is van 10%.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De doornhaai heb ik niet gezien in het stuk.

De heer Waalkens (PvdA): Daar zijn de TAC's voor vastgesteld en daar is een aantekening voor gemaakt van 10% bijvangstmogelijkheid. Wij vinden eigenlijk dat als je de TAC op nul zet, je ook de bijvangst zou moeten veroordelen en niet als aantekening in de quota moet opnemen. Bent u het daar mee eens?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Met dat principe ben ik het eens. Ik heb dat over de doornhaai niet gelezen, dus inhoudelijk kan ik niet beoordelen of de heer Waalkens gelijk heeft. Ik ga er echter zomaar van uit dat dat het geval is en ik ondersteun uiteraard het pleidooi om de bijvangst dan ook op nul te zetten en dat overeenkomstig in de TAC te regelen.

Minister Verburg: Ik kom op de opmerkingen en vragen over CITES en de illegale handel in ivoor. De heer Polderman, mevrouw Snijder en mevrouw Ouwehand hebben daarover zeer terechte opmerkingen gemaakt, want de toename van de illegale handel en dus ook het onderscheppen daarvan baart grote zorgen. Op de CITES-conferentie in Den Haag is achttien jaar geleden het bekende historische compromis geformuleerd. Mevrouw Snijder heeft hieraan gerefereerd. Iedereen was het over dit compromis eens en het is dan ook dood- en doodzonde en heel ernstig dat dit compromis het niet houdt en het in zijn effecten toch weer leidt tot illegale handel. We zijn nu bezig de zaak in kaart te brengen. We hebben het CITES-secretariaat al geïnformeerd en ik vind dat die ook gealarmeerd is en moet zijn. Ngo's in Afrika worden nu door CITES gevraagd om nieuwe cijfers aan te leveren om de zaak zo goed en zo scherp mogelijk in beeld te krijgen, want een van de kenmerken van illegaliteit is dat je er geen zicht op hebt en je alleen maar taxaties kunt doen. Op het moment dat je illegaal ivoor onderschept weet je echter dat er iets mis is. Je moet dus goed kijken naar wat er precies aan de hand is en hoe het komt zodat je wellicht de oorzaken kunt wegnemen. Ik zal in de aanloop naar de CITES-conferentie die in maart 2010 zal plaatsvinden, blijven sturen richting het CITES-secretariaat. Tegelijkertijd zal ik dit punt ook in Europa ter sprake brengen, zoals mevrouw Snijder heeft gevraagd. Ik zal me in Europa actief inzetten om niet alleen deze zorg die is geuit in het EU-standpunt verwoord te krijgen maar ook om, indien mogelijk, op verdergaande maatregelen aan te dringen. Ik vind het van groot belang dat Europa hier met één stem spreekt, aandringt op maatregelen en verder gaat dan alleen het uitspreken van zorg. Het is het beste om dat ook al in de aanloop naar de CITES-conferentie te doen, want je moet druk opbouwen zodat je tijdens zo'n top afspraken kunt maken.

Dan wil ik graag ingaan op de etikettering van dierenwelzijn, waarover de heer Polderman en mevrouw Ouwehand hebben gesproken. Ik ben blij met het rapport van de Commissie. Etikettering en informatiecampagnes zijn zinvolle instrumenten om dierenwelzijn te verbeteren. Ze moeten gericht zijn op het promoten van diervriendelijke producten. Mevrouw Ouwehand zegt dat het moet gaan om eerlijke en onafhankelijke informatie. Dat ben ik zeer met haar eens. Ik breng in Europa wel eens het Nederlandse voorbeeld naar voren. In Nederland werken de dierenbescherming, de primaire producenten, de verwerkende industrie en de supermarkten samen om diervriendelijke producten tot stand te brengen en de consumenten te overtuigen van de meerwaarde van deze producten. Zo'n soort combinatie van de keten van het bedrijfsleven en een aantal ngo's zou ik ook graag in breder verband willen zien. Ik hoop dat de Commissie op grond hiervan vrij voortvarend in 2010 zal komen met concrete voorstellen.

Mevrouw Ouwehand heeft ook een vraag gesteld over dierproeven. Zij zegt dat de brief een herhaling is van eerdere brieven en onderbouwd is met de stelling dat onderzoek in gevaar komt. Ik wil u het volgende mededelen. Hier wordt iedere keer steeds stevig over overlegd en onderhandeld. Er bestaat op dit moment een compromistekst en daarin is de passage over de primaten verduidelijkt. In informeel overleg van de Europese Commissie met het Europees Parlement en de Raad is een informeel akkoord opgesteld dat nu wordt voorgelegd aan de Raad. In de eerste plaats is het woord "potentieel" toegevoegd aan "levensbedreigend". Het gaat dus niet om "levensbedreigend", het gaat om "potentieel levensbedreigend". Daarnaast is er een passage toegevoegd waarin de term "gezondheidsondermijnende aandoening" nader wordt toegelicht. De toelichting is dan dat dit een beperking is in het normale fysieke of psychische vermogen om te functioneren. In de actuele compromistekst worden geen ziekten of aandoeningen genoemd. In de derde plaats mogen apensoorten die op de Europese lijst van bedreigde dieren voorkomen niet worden ingezet voor fundamenteel onderzoek. Dat alles is naar mijn mening een fundamentele verbetering.

Mevrouw Ouwehand vroeg naar de blauwvintonijn en hoe Europa zich ten opzichte hiervan zou moeten opstellen. Het algemene principe is meerjarig beheer, minder jaarlijkse schommelingen, jaarlijkse schommelingen van plusminus 15% en in geval van uitzonderlijke omstandigheden schommelingen van meer dan 15%. Dat geldt dus ook voor blauwvintonijn. Dat is een forse verlaging, maar, zoals ik al eerder heb gezegd, is het in dit geval wellicht niet genoeg. Daarom denk ik dat het belangrijk is om daarop Europees en internationaal stevig te blijven inzetten. Zoals ik de vorige keer al heb gezegd, is het voor mij geen optie om, als we het internationaal niet eens worden, de vissers in Europa maar aan de kant te houden en de vissers in andere delen van de wereld maar gewoon hun gang te laten gaan. Er moet overeenstemming komen, want de blauwvintonijn moet inderdaad kunnen overleven. Sterker nog, het bestand moet weer gaan groeien.

Mevrouw Ouwehand sprak over het voorzorgsniveau voor geassocieerde soorten. In een aantal gevallen weten we weinig van bepaalde bestanden. Dat geldt bijvoorbeeld voor tarbot en griet, maar ook voor enkele andere soorten. Op die soorten wordt niet gericht gevist, maar ze zitten wel in de bijvangst bij de schol- en tongvisserij. Bij de schol stelt de Commissie 15% extra TAC voor en bij tong een geringe verhoging. Als we tarbot en dergelijke verlagen met 15% maar ze toch gevangen worden, moet de vangst overboord. Dat vind ik niet gewenst en daarom is mijn inzet op een status quo. We kunnen niet alles fors verlagen als wetenschappelijk advies zegt dat sommige doelsoorten het goed doen. Laten we onze zegeningen tellen als de wetenschappelijke adviezen zodanig zijn dat de bestanden vooruitgaan en dat het mede daardoor ook mogelijk is om sommige TAC's te verhogen. Ik zou zeggen dat we op dat moment een ideale koers te pakken hebben, want dan gaat het goed met de visbestanden en kan het ook wat beter gaan met de visserijsector. Als we die koers te pakken hebben doen we het goed; een verbetering van de bestanden, ieder jaar een beetje meer en tegelijkertijd ook de mogelijkheden voor de visserijsector goed in het oog houden. Dat is soms balanceren op een slap koord, maar dat proberen we heel zorgvuldig te doen in Europa en u houdt mij daarbij scherp.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Over de dierproevenrichtlijn ben ik niet tevreden. Ik heb de brief van minister Klink gelezen en ik hoor minister Verburg zojuist zeggen dat we het niet over specifieke ziekten en aandoeningen hebben. Waar hebben we het dan over? Het aanvankelijke voorstel van de Europese Commissie is het gebruik van primaten beperken tot onderzoek dat gericht is op "vermijding, voorkoming, diagnose of behandeling van levensbedreigende of gezondheidsondermijnende aandoeningen". Dat lijkt mij nog een behoorlijk ruime categorie. De minister zegt dat we nu een compromisvoorstel hebben waarin geen concrete ziekten worden genoemd, maar dat heeft de minister van VWS wel gedaan. Hij heeft het bijvoorbeeld over dyslexie, over verslaving en over obesitas. Dat zijn onderzoeken waarover maatschappelijk gezien nogal wat discussie bestaat of je daar al dan niet dierproeven voor zou moeten doen en zeker primaten staan wat dat betreft hevig ter discussie. Ik begrijp dus niet waarom Nederland de aanvankelijke formulering van de Europese Commissie, waar toch echt "gezondheidsondermijnende aandoeningen" in worden genoemd, te beperkt vindt. Ik zal daar een motie over indienen, want ik geloof dat de Kamer in eerder overleg heeft aangegeven er toch ook wel wat voor te voelen om het daarbij te houden.

Daarnaast heb ik een vraag over het uitfaseren van in het wild gevangen primaten. Uit de brief werd mij niet duidelijk wat precies de data zijn waaraan de Commissie moet denken en wat Nederland zou willen om dat nog verder op te rekken. Ook daarover zou ik anders een motie in willen dienen.

De minister heeft gezegd dat ze het compromis inzake ivoor niet langer omarmt en dat ze in gaat zetten op een stevige inzet in Europa in aanloop naar CITES. Betekent dit dat zij zich ook in de Europese Unie volop zal verzetten tegen pogingen van Tanzania en Zambia om de olifant te "downlisten"? Ik krijg graag een toezegging op dat punt.

Gebeurt er inderdaad wel het een en ander in de aanloop naar CITES? Kan de minister de Kamer een brief sturen met een schets van de beslismomenten? Ik heb namelijk het gevoel dat we te laat zijn als we pas twee weken voor CITES met de minister overleggen. In de tussentijd gebeurt er echter kennelijk toch wel het een en ander.

Mijn laatste vraag betreft de quota. Ook daar overweeg ik een motie over in te dienen. Ik begrijp gewoon niet dat de minister zegt dat de voorgestelde verlaging van de visserijinspanning voor kabeljauw conform het meerjarenplan is, maar dat dit voor schol en tong niet geldt. We weten dat kabeljauw als bijvangst in de tong- en scholvisserij behoorlijk sneuvelt. Ik denk dus dat we gewoon het voorstel van de Commissie moeten volgen en ik begrijp niet waarom de minister daar niet in mee wil.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben nog iets vergeten, namelijk om de minister de toezegging te vragen dat ze op de komende Landbouwraad niet over de ggo's zal beginnen. Dat heb ik haar niet horen zeggen en ik begrijp dat het voor de Milieuraad ook staat geagendeerd. Mag ik ervan uitgaan dat het kabinet het volledig opschort totdat de Kamer erover gesproken heeft?

Minister Verburg: Voorzitter. Ik wil u ten aanzien van CITES het volgende toezeggen. Allereerst wil ik nog wel even zeggen dat het compromis van 2007 uit Den Haag een goed compromis was. Wij moeten ervoor oppassen dat tussenzinnetjes een eigen betekenis krijgen. Er was te veel ivoor op voorraad. Dat kon goed benut worden en onder strikte afspraken zou dat worden verkocht. Dat was het compromis. Daar loop ik niet voor weg, want het was een belangrijk en historisch compromis. Het was dus even een misvatting of een misformulering van mevrouw Ouwehand als ze zegt dat ik daar nu afstand van neem. Het compromis moet uitgevoerd worden volgens de afspraken die we daarover hebben gemaakt.

Over de visserij is er een aantal opmerkingen gemaakt door de heer Polderman en mevrouw Ouwehand. Wat mevrouw Ouwehand zei over het kabeljauwplan klopt volgens mij niet helemaal, want daar valt volgens onze berekeningen de platvisvisserij niet onder. Vandaar ons standpunt over het aantal zeedagen. Dat gaat niet om het quotum, maar om de dagen op zee; 10% in plaats van 13,5%, de heer Atsma heeft dit ook al opgemerkt. Vissers moeten wel reëel in staat zijn om hun quotum ook op te vangen. Bij een aantal visserijen komt daar op het eind van het jaar een klem op te staan en dan komt er druk op en wordt gezegd: we hebben nog wel quotum, maar geen zeedagen meer. Dat moet toch wel een beetje met elkaar matchen en dat is ook conform het platvisbeheerplan in de Noordzee.

Mevrouw Ouwehand heeft nog de vraag gesteld naar het gebruik van primaten in het onderzoek naar ziekten. De minister van VWS heeft in zijn brief inderdaad enkele ziekten genoemd die mogelijk daaronder vallen. Telkens zal een dierexperimentcommissie echter het doel van de proef en het ongerief van het dier afwegen. Dat zijn toch heel stevige waarborgen. Ik ken haar nu al een tijdje en kan dus niet uitsluiten dat zij hierover toch een motie gaat indienen, maar die wacht ik in alle vertrouwen af.

Mevrouw Ouwehand heeft ook nog gesproken over het uitfaseren van primaten die in het wild gevangen worden. In de huidige compromistekst staat een deadline voor het gebruik van primaten die behoren tot de tweede generatie en wel tien jaar. Voor apen die in gevangenschap worden geboren uit ouders die ook in gevangenschap zijn geboren, is tien jaar de minimale eis.