Bijdrage over de minimale beraad­termijn voor de afbreking van zwan­ger­schappen


28 januari 2022

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik spreek ook namens Eva van Esch van de Partij voor de Dieren. Zij kan er vanavond niet bij zijn.

Voorzitter. Ik ben opgegroeid in een plattelandsgemeente in het oosten van het land. Daar spraken we zelden over seksualiteit, over abortus of over voorbehoedsmiddelen. Er was altijd een soort gevoel van gêne, alsof je het niet over dat soort onderwerpen mocht hebben, alsof seksualiteit eigenlijk ook niet mocht bestaan. Vanuit die achtergrond wil ik de indieners bedanken voor het schrijven van deze wet en voor het indienen ervan en omdat we het vanavond hierover hebben. Natuurlijk ook dank aan mevrouw Dijkstra, die hier even achterin stond. Want we moeten het over deze onderwerpen hebben. We moeten het hebben over zaken die gewoon onderdeel zijn van het leven en die overal om ons heen plaatsvinden. Laten we het juist bespreekbaar maken en laten we goede wet- en regelgeving maken om mensen juist te helpen. Dus nogmaals dank aan de collega's, omdat zij niet duiken voor moeilijke onderwerpen — want dat is het allermakkelijkste — maar zaken hier bespreekbaar maken. Ondanks dat er soms ook heftige reacties kunnen komen, hebben we vanavond hopelijk toch een heel goede discussie over dit onderwerp.

Voorzitter. Ik lever onze inbreng langs drie lijnen. Ten eerste betreft dat de waarborgen voor een zorgvuldige besluitvorming, want het is onze taak als Kamer om wetten te toetsen op effectiviteit en proportionaliteit, maar natuurlijk ook op de uitwerking ervan in de praktijk. Ten tweede betreft dat de autonomie van de vrouw en ten derde de positie van de arts in het proces.

Voorzitter. Ik vond het natuurlijk interessant om de wet te lezen, maar ook om in de memorie van toelichting wat meer achtergrondinformatie te krijgen over de totstandkoming van deze wet. Daarin las ik dat in 1911 abortus strafbaar werd gemaakt door een toevoeging aan de Zedelijkheidswet. Ik vond dat interessante achtergrondinformatie. Maar misschien wel interessanter is wat er soms niet letterlijk op papier staat, namelijk de implicatie dat de strafbaarheidsstelling van abortus in de zedenwet terugkwam, een wet die "de bestrijding van de zedeloosheid en de beteugeling van de speelzucht" als doel had. Dat zegt natuurlijk alles over hoe er werd gekeken naar zaken als abortus en ongewenste zwangerschap: alsof dat te maken heeft met zedeloosheid. Maar helaas klinkt de geschiedenis ook vaak door in het heden en zien we ook in onze huidige samenleving een dubbele moraal op het gebied van seksualiteit, terwijl het — zoals ik al eerder zei — gewoon onderdeel is van onze samenleving, en terwijl het belang van goede voorlichting over het voorkomen van ongewenste zwangerschappen, maar ook het ontdekken en het leren je grenzen aan te geven, belangrijker zijn dan ooit. Ik denk dat de afgelopen weken dat nogmaals hebben onderstreept.

Voorzitter. Abortus is geen lichtzinnige keuze, zowel mentaal als lichamelijk. En als een vrouw dan die keus heeft gemaakt, dan krijgen vrouwen vaak te maken met stigmatisering, worden ze lastiggevallen bij abortusklinieken en worden ze soms ook uitgemaakt voor moordenaar. Ik wil over deze wet twee misverstanden wegnemen. Allereerst: een abortus gebeurt altijd met de grootst mogelijke zorgvuldigheid. Ten tweede: niet de beraadtermijn vervalt, maar de verplichte vijf dagen worden afgeschaft. Deze wet zorgt dat de vrouw samen met de arts afspreekt hoelang die beraadtermijn is. Het is ook logisch dat je daar samen over praat, want situaties verschillen nou eenmaal. Het is goed dat er niet een standaardtermijn is, maar dat er echt wordt gekeken naar wat er past bij de vrouw en bij de keuze van de vrouw.

Voorzitter. Al sinds 1984 weten we dat vijf dagen verplichte beraadtermijn niets toevoegen; het is eigenlijk gewoon een manier om abortus moeilijker te maken. Dat is omdat er hier in deze Kamer altijd partijen zijn geweest die tegen het recht zijn om te kiezen, en daar moeten vrouwen die wel die keuze maken, onder lijden. Maar dat is ook eigenlijk het enige echte effect van die beraadtermijn. Die doet vrouwen pijn. Hij zet vrouwen weg als wezens die zelf geen keuze kunnen maken, waar de wetgever een keuze voor moet maken. Dat weten we eigenlijk al sinds 1984; dat is misschien nog wel het treurige. En als we het toen nog niet wisten, dan werd het nog een keer duidelijk bij de eerste evaluatie van de wet in 2005. Ook bij de tweede evaluatie — die was twee jaar geleden — werd weer duidelijk dat het verplichte karakter van de beraadtermijn eigenlijk geen voordelen heeft. Het zorgt niet voor een meer weloverwogen keuze, maar het is vooral vervelend en het is betuttelend voor vrouwen.

Dat sluit aan op het punt dat ik wilde maken over gedegen wetgeving. Want dit is een voorbeeld van een traject waarbij de Kamer haar kerntaak niet goed heeft uitgevoerd. Wij moeten wetgeving toetsen op nut en noodzaak, en als wetgeving niet nuttig maar schadelijk is, dan moeten wij ingrijpen. Dat is niet gebeurd. De aanbeveling uit 2005 was helder, en die aanbeveling luidde — en ik heb het over 2005, hè; dat is een hele tijd geleden — toen al: laat die verplichte vijf dagen los en stap over op een flexibelere beraadtermijn, zodat elke vrouw precies zoveel tijd krijgt als ze nodig heeft. Geen enkel kabinet heeft sindsdien het initiatief genomen om die beraadtermijn af te schaffen. Aan degenen die dat wel doen hier heb ik twee vragen. De eerste vraag is: zijn er eigenlijk andere medische handelingen met een beraadtermijn? En de tweede vraag is: waar zijn die vijf dagen die in de wet staan eigenlijk op gebaseerd?

Voorzitter … Ja, dit is een vrij logisch moment, voorzitter.

De voorzitter:
Dat vindt mevrouw Bikker ook. Mevrouw Bikker, ChristenUnie.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ja, dank u wel, voorzitter. Ik zou toch iets willen vragen aan de collega van GroenLinks. Ze heeft, denk ik, vanuit haar perspectief de geschiedenis van deze wet geschetst, en ook van de beraadtermijn. Maar als ik het teruglees in die Handelingen van 1984 — ik denk dat wij allebei toen nog niet eens op de kleuterschool zaten — heb ik de indruk dat daarin ook wel gezocht is naar een balans. Dat is enerzijds die autonomie van de vrouw, die daarin zelf kan kiezen. En zo is dat destijds ook door velen gevierd; kijk, in mijn politieke stroming niet, maar in die van u zeker wel, denk ik. Maar het is daarnaast ook de waarde van het ongeboren leven, en van leven dat groeit. Ik zou aan GroenLinks willen vragen hoe zij die balans ook in deze wet weegt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Misschien is het allereerst goed om aan te geven dat deze wet primair gaat over de beraadtermijn en de vraag of de verplichte termijn van vijf dagen wel of niet in stand moet worden gehouden. De indieners zeggen dat dat schadelijk is. De indieners zeggen — daar sluiten wij ons bij aan — dat het beter is om die verplichte beraadtermijn af te schaffen en daar een volwaardig gesprek tussen vrouw en arts over te hebben en gezamenlijk die keuze te maken. Dat is natuurlijk de wet. Mevrouw Bikker vraagt naar de balans tussen ongeboren leven en het recht van de vrouw. Maar abortuswetgeving is natuurlijk al omgeven met hele strikte richtlijnen over wanneer een abortus wel en niet mag worden uitgevoerd. Ik ga dadelijk in mijn spreektekst ook verder in op hoe dat nou plaatsvindt en hoe die gesprekken met de arts plaatsvinden. Maar er is al een hele zorgvuldige afweging. Vandaar dus ook dat wij deze wet die vandaag is ingediend, willen steunen. Wij denken namelijk — dat lezen we ook in de toelichting van de wet — dat het de wet alleen maar beter maakt op dit punt.

Mevrouw Bikker (ChristenUnie):
Ik wil mevrouw Westerveld bedanken voor dit antwoord, maar ik ben nog steeds benieuwd naar het volgende. Destijds is juist gekozen voor die beraadtermijn, zodat ook de waarde van het ongeboren leven gewogen werd. Ik denk dat de visies daarop ook verschillen. Er werd al naar verwezen, maar je ziet ook dat een kindje groeit en in het beeld steeds meer een mensje is. Ergens is het dan wel een zoektocht: bepaalt alleen een moeder dan hoe dat gewogen moet worden of is dat ook een zelfstandige waarde, die je juist ook bij deze beslissing mee hebt te wegen? Er is ook een ander leven aan het groeien, dat ook een autonomie ergens in zich heeft. Dus ik ben heel benieuwd, juist vanuit dat autonome denken, hoe GroenLinks en mevrouw Westerveld daarnaar kijken.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik denk dat ik daar een heel duidelijk antwoord op kan geven: uiteindelijk bepaalt de vrouw dat. Dat bepaalt niet de wetgever. Dat bepaalt de vrouw uiteindelijk. Dat gebeurt op dit moment natuurlijk ook in gesprekken. Dat gebeurt heel zorgvuldig. Abortus is niet zomaar iets waar iemand lichtzinnig over denkt. Maar uiteindelijk is het altijd aan de vrouw om de keuze te maken of zij wel of geen abortus wil.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik moet daar toch even één vraag over stellen. Wij stellen hier toch beperkingen aan abortus? Je kan bijvoorbeeld niet met 40 weken een abortus uitvoeren. Er worden beperkingen gesteld. Dat is niet alleen maar aan de vrouw. Dat moet u toch erkennen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dat klopt. We hebben daar inderdaad met elkaar afspraken over gemaakt. Die afspraken zijn heel erg strak. Maar precies daarbinnen bepaalt de vrouw dus of zij wel of geen abortus ondergaat. Dat mag inderdaad niet met 40 weken. Er wordt gekeken naar de levensvatbaarheid van een kind, van een ongeboren vrucht. Wanneer is dat nou levensvatbaar? Daar is die grens natuurlijk gesteld. Daar is door de medische wetenschap over gesproken. Daar hebben we in de Kamer inderdaad hele zorgvuldige wetten op gemaakt. Maar als we dan met elkaar bespreken dat die abortuswetgeving er is, als we dan zeggen dat abortus in Nederland mag, maar wel met hele strikte voorwaarden, dan is het uiteindelijk wel aan de vrouw om daarover te bepalen. Mijn volgende blokje gaat daar ook over.

De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
In die zin is het wel een hele mooie overgang. Ik wil het hebben over de positie van de vrouw. Ik wil het hebben over "baas in eigen buik". Dat is een ontzettend krachtige slogan. Het is een van de krachtigste leuzen die ik ken. Toch ben je dat in Nederland niet helemaal. Maar al te vaak menen andere mensen, soms wildvreemden, dat ze de baas over jouw buik zijn. Maar al te vaak staan er bij klinieken anti-abortusclubs die vrouwen lastigvallen en die zich bemoeien met een persoonlijke, maar ook een lang bevochte keuze, zonder dat je daarom hebt gevraagd. Iemand die abortus ondergaat, moet vaak ver reizen om het recht op die keuze te kunnen uitoefenen. Daarna is er nog een verplichte beraadtermijn van vijf dagen. Vervolgens worden ze lastiggevallen bij klinieken. Ik vind dat kwalijk, want als wij in Nederland zeggen dat je de keuze mag maken, dan moeten we er ook op vertrouwen dat die keuze gemaakt kán worden, dat je autonoom bent en je eigen beslissing kan maken. Ik wil de indieners vragen of er nog meer gedaan kan worden om steun te bieden aan vrouwen bij het maken van deze keuze.

Voorzitter. Voor die goede ondersteuning zijn er natuurlijk ook goede zorgverleners nodig. Die hebben we in Nederland. Uit beide evaluaties blijkt dat vrouwen erg tevreden zijn over de zorgverlening van de Nederlandse abortusartsen. Die artsen gaan echt niet zomaar over tot abortus. Zij praten met de vrouwen. Zij luisteren. Zij geven als het nodig is informatie over de verschillende opties. Ze proberen ook uit te vinden of een vrouw al dan niet wordt gedwongen. Maar bovenal moeten ze zich ervan vergewissen dat de vrouw het wil. Pas als daaruit blijkt dat abortus de juiste keuze is, kun je overgaan tot abortus.

Voorzitter. Als we erop vertrouwen dat de Nederlandse abortusartsen hun werk professioneel en zorgvuldig uitvoeren, dan is een verplichte vaste beraadtermijn niet nodig. Want een zorgverlener gaat niet over tot abortus, totdat de zorgverlener weet dat de vrouw dat echt wil. Ik zeg dit omdat het af en toe lijkt alsof sommige mensen in Nederland denken dat je abortus op bestelling kunt krijgen, dat je het zomaar even doet: je gaat naar een kliniek en maakt een afspraak, en klaar. Maar dat is absoluut niet zo. Als je dit denkt, dan heb je geen idee van het goede en zorgvuldige werk dat abortusartsen in Nederland doen.

Voorzitter. Ik zei het al: bij het maken van een keuze over abortus hoort ook dat je daar goed over nadenkt en dat er zorgvuldig over wordt gesproken. Dat gebeurt gelukkig al bij de gesprekken in die klinieken, maar gelukkig vanavond ook hier in de Kamer. Ik zou de initiatiefnemers willen vragen om iets meer te vertellen over de totstandkoming van het wetsvoorstel. Het viel me namelijk op dat in de eerste versie van de wet stond dat de arts en de vrouw samen een beraadtermijn kunnen vaststellen. Daaruit vloeit ook voort dat je niet per se zo'n beraadtermijn hoeft vast te stellen. De Raad van State maakte er een aantal opmerkingen over. Daarop hebben de initiatiefnemers gereageerd, zoals dat hoort bij een zorgvuldig wetstraject. Daarop is de wet aangepast, zodat arts en vrouw nog altijd samen moeten kijken hoeveel tijd er nodig is voor een weloverwogen besluit. Ik wil de initiatiefnemers ook vragen: in hoeverre telt de tijd daar, dus voordat een vrouw de arts bezoekt, mee? Met andere woorden, kan deze termijn ook met terugwerkende kracht ingaan, of gaat deze pas tellen vanaf het bezoek aan de arts?

Voorzitter, ik rond af. In mijn inleiding gaf ik aan hoe belangrijk het is om met elkaar te praten, om moeilijke onderwerpen bespreekbaar te maken. Het zijn onderwerpen waar soms heel wat gêne bij hoort. Dat is eigenlijk heel gek, want het hoort gewoon bij het leven. Bij dat gesprek — dat moet ook met de samenleving worden gevoerd — hoort ook goede seksuele voorlichting. We weten namelijk uit nationaal en internationaal onderzoek dat dit helpt om ongewenste zwangerschappen te voorkomen. Goede voorlichting helpt ook bij het maken van de juiste keuzes, bij het ontdekken van je grenzen en bovenal bij het aangeven van wat die grenzen nu zijn. Maar in een samenleving als de onze zou het ook vanzelfsprekend moeten zijn om anticonceptie niet te zien als primair probleem van een vrouw, maar om ons daar gezamenlijk verantwoordelijk voor te voelen. Mijn vraag is: hoe zien de indieners dit? Zijn ze het met GroenLinks eens dat het kan helpen om ongewenste zwangerschappen te voorkomen, als iedereen gewoon anticonceptiemiddelen kan krijgen? Zijn ze het met GroenLinks eens dat dit eigenlijk ook gewoon een publieke voorziening zou moeten zijn en terug zou moeten komen in ons basispakket?

Dank u wel, voorzitter.