Bijdrage Ouwehand Spoed­debat bijen­sterfte, n.a.v. Moord op de honingbij van Zembla


18 april 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Insecten spreken doorgaans niet zeer tot de verbeelding, maar ze zijn cruciaal voor ons ecosysteem. Zonder ecosysteem hebben wij niets te eten, niets te drinken en is het heel snel klaar met ons allemaal. Dit gaat vooral op voor de bij, maar ik stel ook met nadruk dat de manier waarop wij in Nederland landbouw bedrijven en met de natuur omgaan voor veel meer insecten grote nadelige effecten heeft. Ook voor de mens kan dit op soms niet zo heel lange termijn zeer nadelig uitpakken.
Wij spreken vanavond vooral over de bijensterfte. Wij hebben een indringende reportage van Zembla gezien waarin bleek dat er bij -- inderdaad -- de belangrijkste adviseur van dit kabinet, Wageningen Universiteit en haar vakgroep bijen@wur nogal wat kanttekeningen te plaatsen zijn.

Voordat de staatssecretaris er zelf weer over begint, wil ik als eerste zeggen dat de Partij voor de Dieren erkent dat de voorschrijdende bijensterfte een complex probleem is met verschillende factoren. Het zou mooi zijn als de staatssecretaris niet doet alsof wij dat niet erkennen. Eén van die factoren is het gebruik van giftige bestrijdingsmiddelen. De collega van de SP heeft het al aangegeven. Sinds die neonicotinoïden worden gebruikt, heeft de bijensterfte rampzalige vormen aangenomen. Wij denken dat daar een relatie mee is. Groot onderzoek toont dat ook aan. Waarom, waarom neemt dit kabinet geen actie naar aanleiding van die wetenschap? De Verenigde Naties hebben actie gevraagd. Dat is iets anders dan: wij wachten nog wel eventjes met onderzoek. Om het zekere voor het onzekere te nemen, moet er een moratorium op die gevaarlijke middelen komen zolang het onderzoek wordt uitgevoerd.

Kan de staatssecretaris bevestigen dat er banden zijn met de industrie zoals het bedrijf Incotec, dat patenten heeft op de giftige middelen waarin de zaadjes van planten worden gecoat, zodat de hele plant giftig wordt en dat kwalijke middel wordt verspreidt onder alles wat voorbijvliegt, waaronder dus de bij? Ik vind het heel erg belangrijk dat ik hier spreek over de motie die we bij het vorige debat hebben ingediend, en die is aangenomen, over de herbeoordeling van de middelen die schadelijk kunnen zijn voor bijen. Ik heb de staatssecretaris gevraagd om in een brief te laten weten hoe hij haar gaat uitvoeren. Ik was er al bang voor: we zijn niet tevreden over de uitvoering van die motie. De staatssecretaris zegt dat er 27 middelen zijn toegelaten die in aanmerking komen voor herbeoordeling en van die 27 middelen zullen alleen die toelatingen worden herbeoordeeld die niet eerder volgens de laatste normen zijn beoordeeld, schrijft de staatssecretaris. Dan blijven er nog zes over. Dat wordt dan even snel gedaan zonder nieuw onderzoek. Maar dat was niet de bedoeling van de motie. In de motie werd expliciet gevraagd om het meenemen van sublethale effecten en dat is tot nu toe simpelweg onvoldoende gebeurd. Dat wil zeggen dat er dus een nieuwe beoordelingsmethode moet komen. Ik wijs de staatssecretaris op een onderzoek van Cresswell, dat ik hem, als hij dat wil, kan overhandigen. Hij heeft aangetoond dat de huidige beoordelingsmethoden van landbouwgif niet voldoen. Ik wijs de staatssecretaris ook op een rapport van de Gezondheidsraad uit 2000 waarin ook al heel kritische noten worden gekraakt over de statistische methode die voor de toelatingen wordt gebruikt. Wat is er gebeurd met dat rapport?

Voorzitter. Ik zie dat mijn lampje al knippert. Dat vind ik erg vervelend. Graag toezeggingen over een deugdelijke uitvoering van de motie. Ik wil nog één punt maken. Ik was zeer verbaasd om in een agrarische krant een advertentie aan te treffen over een bestrijdingsmiddel, met een heel vrolijk plaatje waarop staat "bijvriendelijk". Ik geloof daar niks van, want daar zitten neonicotinoïden in. Ik wil van de staatssecretaris weten wat de regels zijn voor etikettering en reclame voor bestrijdingsmiddelen. Mag je claimen dat iets bijvriendelijk is als er nota bene een stof inzit waarvan in verschillende onderzoeken is aangetoond dat die een groot gevaar vormt voor de bij? Graag een reactie daarop.

De heer Koopmans (CDA): (…) Ik las dat kennisinstituut Alterra Wageningen per direct stopt met het monitoren van alle insectensoorten in Nederland. Met de hulp van 500 vrijwilligers worden insecten gespot en geteld in heel Nederland. Wij denken dat dit nuttig is; dat hebben we bijvoorbeeld gezien bij de blauwtongproblematiek, met de knut. Wij begrijpen dat Alterra hiermee stopt omdat het ministerie van EL&I de bijdrage van €65.000 per jaar stopzet. Is dat waar? Zit daar beleid achter? Wie weet zit er beleid achter, maar wij geven de staatssecretaris in overweging om dit besluit te heroverwegen.

(…)

Ik vind het buitengewoon ingewikkeld om per Kamermotie middelen wel of niet toe te laten. Wij zijn Kamerleden; wij zijn geen deskundigen. Wij dienen ons in mijn ogen bij dat soort besluiten te baseren op deskundige oordelen. Daarom zeg ik tegen de staatssecretaris: zorg ervoor dat het Ctgb zo snel mogelijk een eindadvies heeft met betrekking tot de herbeoordeling. Vervolgens is een politieke weging aan de orde, maar ik vind het erg vergaand om vooraf al een besluit te nemen. Ik wacht echter de antwoorden van de staatssecretaris af, want ik sluit niet uit dat wij dit zouden kunnen steunen. Maar in principe heb ik er moeite mee om dit per motie te doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij dat de heer Koopmans vragen heeft gesteld over het stopzetten van het reeds jaren lopende onderzoek van de insectenmonitoring door Alterra. Daar kwam ik door gebrek aan spreektijd niet aan toe. Ik steun zijn vraag daarover. Ik ben echter wel benieuwd naar het volgende. Ik heb gemerkt dat de CDA-fractie tot nu toe geen enkele motie heeft gesteund waarin wordt gevraagd nog eens naar het effect van die middelen op bijen te kijken. Nu de heer Koopmans deze stap gezet heeft, ben ik wel benieuwd of hij het met mij eens is dat het onderzoek goed moet worden uitgevoerd en dat er ook -- zoals in de motie wordt gevraagd -- naar de sublethale effecten moet worden gekeken, omdat we een breed beeld willen hebben van wat die middelen doen voor bijen.

De heer Koopmans (CDA): Om op het eerste punt in te gaan: als de staatssecretaris niet veel trek heeft om dat geld te regelen kan er weer een motie-Koopmans/Ouwehand komen. Dat is altijd prachtig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Laten we daar vast op toasten.

De heer Koopmans (CDA): We kunnen ook nog een amendementje indienen bij de suppletoire begroting, maar dit terzijde. Wat betreft de tweede vraag van mevrouw Ouwehand ben ik geïnteresseerd in het antwoord van de staatssecretaris. Ik kom daar in tweede termijn naar aanleiding van zijn antwoord op terug.

(…)

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): (...) Ik ben op zichzelf blij met het feit dat de staatssecretaris nu in zijn brief een herbeoordeling van de neonicotinoïden en hun effecten op bijen aankondigt. Ik herhaal niet het lijstje dat de heer Koopmans net noemde; ik zie de namen hier staan. Neonicotinoïden zijn dus zes heel belangrijke stoffen die een grote impact op bijen kunnen hebben. Ze zitten in 27 gewasbeschermingsmiddelen. Het Ctgb geeft aan hoe het dit onderzoek wil gaan uitvoeren. Dat is prima.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):Ik heb een vraag aan de VVD. In mijn termijn heb ik al gezegd dat het een complex probleem is, maar één van de in het oog springende factoren is toch het landbouwgif. Ik heb destijds een motie daarover ingediend, maar de VVD heeft niet voor die motie gestemd. Mevrouw Snijder spreekt er nu wel positief over dat die stoffen worden herbeoordeeld. Vindt de VVD-fractie ook dat dit naar de laatste wetenschappelijke inzichten moet gebeuren en dat het onderzoek ook statistisch goed moet zijn onderbouwd?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Mevrouw Ouwehand noemt landbouwgif in het algemeen. Ik denk dat wij ons moeten toespitsen op de neonicotinoïden die juist een groot effect hebben op de bijen. Ik ga ervan uit dat het Ctgb, een zeer vooraanstaand orgaan dat het onderzoek doet, de zaken doet zoals mevrouw Ouwehand die weergeeft. Wellicht kunnen wij vragen aan de staatssecretaris hoe hij dit ziet en hoe hij dit beoordeelt. Ik zou dat ook graag weten.

(…)

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. De zorg over de bijensterfte bestaat al enkele jaren. Het sterfteniveau ligt op ongeveer 20% tot 25%. Normaal is het 10% tot 15%. Dat is dus niet goed. Het probleem staat hoog op alle agenda's, die van de EU, de OESO en de VN. Uit alle analyses komt naar voren dat de oorzaken divers zijn. De varroamijt wordt veel genoemd, maar ook de gewasbeschermingsmiddelen, met name de neonicotinoiden, kunnen niet worden uitgesloten als mogelijke oorzaak. Recent is in een VN-rapport nogmaals aangegeven dat er niet één oorzaak is, maar meerdere. Dat is geen reden om oorzaken die wij kunnen beïnvloeden, dan maar op hun beloop te laten. Er is ontzettend veel onderzoek verricht, er is veel onderzoek gaande en er staat nog veel onderzoek op de rails. Er is gesproken over het onderzoek van de WUR. Ik ben zelf jarenlang onderzoeker geweest. Het allerslechtste argument om analyses of conclusies van een collega-onderzoeker ter discussie te stellen, vond ik altijd: je bent niet onafhankelijk. Heb dan het lef en het wetenschappelijk inzicht en de methodische analysecapaciteit om aan te geven waar het niet deugt. Ik vind het slecht om degene die het onderzoek heeft gedaan van een kwalificatie te voorzien en dat vervolgens aan te grijpen om te zeggen: en daarom deugt jouw onderzoek niet. Ik had aan niets méér een hekel dan aan die manier van wetenschap bedrijven. Ik vind trouwens ook dat het in de politiek niet thuishoort om zo over wetenschappelijke rapporten te spreken. Dan moet je klip-en-klaar zijn over waar het dan echt de mist in is gegaan. Wij leven gelukkig in een open samenleving. Er zijn alle mogelijkheden om gezaghebbende rapporten door andere wetenschappers aan de kaak te laten stellen, om te falsificeren. Wij hebben altijd nog Karl Popper. Een theorie falsificeren is nog veel interessanter dan een theorie bevestigen. Dat is de wetenschappelijke cultuur waarin wij werken. Ik doe niet mee aan het diskwalificeren van rapporten vanwege de persoon of de organisatie die ze heeft gemaakt, ik beoordeel rapporten op inhoud.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als wij op die manier het debat voeren over het benaderen van wetenschap en over de onderlinge benadering in de wetenschap, dan wil ik graag van de staatssecretaris horen of hij het op zijn plaats vindt dat als een onderzoeksinstituut zich beperkt tot één factor in de bijensterfte, dat instituut ook vergaande uitspraken doet over andere wetenschappers, die expertise hebben op het gebied van de effecten van bestrijdingsmiddelen. Hoe ziet de staatssecretaris dat?

Staatssecretaris Bleker: Doe die uitspraken. Als ze niet houdbaar zijn, als ze geen hout snijden, worden ze neergesabeld door collega-wetenschappers. Laten wij wel wezen, het eerste onderzoek dat onder meer met een miljoen van de overheid door de WUR is verricht, is begonnen met de mogelijke veroorzakers de varraomijt en de ziekte nosema. Die werden indertijd gezien als belangrijke factoren op de bijensterfte. Dat er daarna onderzoek is gedaan, is niet meer dan redelijk. Het vervolgonderzoek zal zich ook richten op de stoffen die in de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Dat is dus in de volgende fase aan de orde. Daar wordt nu een onderzoeksaanpak voor gemaakt, die ik binnenkort zal ontvangen. Ik zal de Kamer daarvan op de hoogte stellen, in alle openheid van wetenschappelijk debat en wetenschappelijke controle. Ook de effecten op de gezondheid van mensen zullen daarbij worden betrokken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris galoppeert mooi weg bij de vraag die ik eigenlijk heb gesteld. Ik heb geen twijfels geuit over het onderzoek van Wageningen naar de effecten van de varroamijt, ik heb vragen gesteld over de uitspraken die Wageningen meent te kunnen doen over het onderzoek en de relatie tussen de bestrijdingsmiddelen en de bijensterfte. Zij doen dat zelf niet, zij doen de varroamijt. Prima, maar dan kunnen zij dus geen vergaande uitspraken doen. Als de staatssecretaris zegt: doe die uitspraak, dan wordt ze wel neergesabeld, en ik ben degene die dat neersabelt, dan vind ik dat hij met twee maten meet. De vraag komt opnieuw op tafel: kan de staatssecretaris het zich voorstellen dat, als een universiteit die zelf geen onderzoek doet naar de relatie tussen bijensterfte en gif vergaande uitspraken doet, en we zien dat het kabinet die lijn eigenlijk volgt -- het blijven ontkennen en bagatelliseren -- er vragen komen over hoe dat eigenlijk zit met de financiële banden? Kan de staatssecretaris zich daar iets bij voorstellen?

Staatssecretaris Bleker: Nee, over die financiële banden enzovoorts kan ik me niets voorstellen.

(…)

Staatssecretaris Bleker: Wat zijn de regels met betrekking tot advertenties en "bijvriendelijk"? Volgens mij hebben wij in Nederland een reclamecode. Advertenties en reclames mogen niet misleidend zijn. Wij zullen bekijken of dit door de beugel kan. Zo niet, dan zullen wij ons melden bij de Reclame Code Commissie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wat betreft de advertenties en de claim van een "bijvriendelijk" bestrijdingsmiddel, waarin neonicotinoïde zit, ben ik blij dat de staatssecretaris gaat bekijken hoe dit zit. Ik denk echter dat er meer nodig is dan alleen een Reclame Code Commissie, die kan zeggen dat die claim vals is en dat dat niet mag. Zolang die bestrijdingsmiddelen te koop zijn -- ik heb liever dat daar helemaal geen sprake van is -- moet daar in ieder geval een goede en duidelijke waarschuwing op staan. Ik ben benieuwd welke regelingen er daarvoor zijn en of die voldoende zijn. Ik vraag de staatssecretaris of hij de Kamer daar schriftelijk over kan informeren, met daarbij eventueel zijn voorstellen voor aanscherping.

Staatssecretaris Bleker: Als er echt iets loos is, informeren wij u. Als het echter gewoon valt onder de gangbare Reclame Code Commissie enzovoort, laat ik het daarbij.
Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik bood de staatssecretaris nog even een uitweg om dit niet uit zijn hoofd te hoeven doen, maar wat zijn dan de regels waaraan je moet voldoen als je een potje bestrijdingsmiddelen in een tuincentrum wilt verkopen? Wat moet je dan op de verpakking hebben staan? Hoe groot moet dat zijn en wie controleert dat? Ik had juist gevraagd om daar schriftelijk op in te gaan, want ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris dit niet allemaal uit zijn hoofd weet.

Staatssecretaris Bleker: Ik weet het allemaal uit mijn hoofd, maar ik herhaal dat u van ons hoort als er naar aanleiding van die concrete advertentie iets mis is.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand, voor de laatste keer.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil ook weten hoe het staat met de middelen die in het tuincentrum tussen de gezellige plantjes en de konijnen staan en die mensen argeloos in hun karretje stoppen. Hoe worden zij gewaarschuwd voor de gevaren?

Staatssecretaris Bleker: Ik koop dat spul wel, natuurlijk alleen spul waar geen bijen van omvallen. Volgens mij zit daar een nette gebruiksaanwijzing bij en worden ook de bijwerkingen, de geboden wijze van toepassing en dat soort dingen vermeld. Dat is gangbaar bij dit type gewasbeschermingsmiddelen die je bij de Intratuin, de aankoopcentrale of de ACM kunt kopen. Ik denk dat ik met het kopen van dit soort spullen gewoon meer ervaring heb dan mevrouw Ouwehand. Ik ben op dit punt echt koploper.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daarom moet ik het ook vragen. Ik weet het niet. Ik koop die dingen niet.

Staatssecretaris Bleker: Dat staat er dus allemaal op.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Toch ben ik niet erg onder de indruk van de kennis die de staatssecretaris in zijn hoofd heeft. Ik wil het precies weten. Stuur de Kamer daar even een overzichtje van en dan komen wij er nog eens op terug.

Staatssecretaris Bleker: Als er wat mis is, stuur ik iets. Anders blijven wij bezig. Ik zou zeggen: ik ga eens met mevrouw Ouwehand in Den Haag of Zoetermeer naar de Intratuin en dan kijken wij wat er allemaal te koop is.

De voorzitter: Dat regelt u maar na afloop!

Staatssecretaris Bleker: Ik kom bij de herbeoordeling. In mijn brief van 22 maart heb ik geschreven hoe het Ctgb de herbeoordeling in twee fasen gaat aanpakken. Tijdens het mondeling vragenuur op 15 maart heb ik op basis van informatie van het Ctgb gezegd dat de herbeoordeling binnen enkele weken in gang komt en ook op korte termijn kan worden afgerond. Het Ctgb heeft mij vandaag laten weten dat de complete herbeoordeling niet op die heel korte termijn is af te ronden. Daarover ben ik bijzonder boos. Dat heb ik vandaag ook laten weten aan de voorzitter van het Ctgb. Ik ben daar zeer boos over. Ik heb mij wel laten informeren over de eerste uitkomsten van de eerste fase van het onderzoek. Op basis van de eerste verkennende resultaten van de herbeoordeling heb ik het Ctgb de instructie gegeven toepassing van een drietal stoffen op te schorten, tijdelijk te verbieden en niet toe te laten, tenzij de komende dagen mitigerende maatregelen mogelijk zijn om de mogelijke effecten tegen te gaan. Het gaat om veldtoepassingen in boomgaarden voor appel en peer, veldtoepassingen in hogeboomkwekerijgewassen en om niet-professionele buitentoepassingen van middelen in de categorie neonicotinoïden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben blij dat de staatssecretaris in elk geval bereid is om, indien nodig, tijdelijk een moratorium op het gebruik van het middel in te stellen. Ik heb echter nog vragen over de precieze uitvoering van de motie, die de staatssecretaris nog niet beantwoord heeft. Ten eerste vraag ik mij af waarom het slechts om zes middelen gaat. De staatssecretaris schrijft dat het alleen de middelen betreft die niet eerder volgens de laatste normen zijn beoordeeld. Die middelen zijn dus beoordeeld volgens de normen die nu aantoonbaar niet deugen. Daarin zijn namelijk de subletale effecten niet meegenomen. Ook heb ik de staatssecretaris gewezen op het onderzoek van de Gezondheidsraad uit 2000, waarin heel kritische kanttekeningen worden geplaatst bij de statistische onderbouwing. Ook heb ik gewezen op het onderzoek van Cresswell, waarin is aangetoond dat alle toelatingen waar de beslissingen in zowel Europa als de Verenigde Staten nu op zijn gebaseerd, namelijk de veldproeven, statistisch onvoldoende zijn om te kunnen aantonen dat die middelen veilig zijn voor bijen. Dat is zware kritiek op de beoordeling tot nu toe. Als deze middelen, of het er nu 6 of 27 zijn -- ik denk dat het er meer moeten zijn -- op dezelfde manier worden beoordeeld, schieten wij daar niks mee op.

Staatssecretaris Bleker: Ook de effecten waarover u nu spreekt, zijn bij de beoordeling door de EFSA betrokken: het effect op het gedrag, op broedontwikkeling, op stuifmeel, op opslag, op het bijenvolk en op de foerageeractiviteit. Al dat soort effecten zijn meegenomen bij de beoordeling van deze stoffen. Nogmaals: vraag mij niet om meer onderzoek te doen. Dat vervolgonderzoek hebben wij in gang gezet. Ik heb gezegd dat daarbij niet alleen sprake is van onderzoek, maar ook van praktische herbeoordeling. En in geval van twijfel: exit met het spul.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nog een keer: de kritiek is gericht op de huidige beoordelingsmethode. Ik heb het niet zelf bedacht, maar die wetenschapper. De staatssecretaris durft het vast niet in zijn hoofd te halen om dat onderzoek te bekritiseren. Geen van de veldproeven waarop tot nu toe alle toelatingen zijn gebaseerd, deugt statistisch; dat geldt ook voor de meest recente herbeoordelingen. Ik vraag de staatssecretaris om die inzichten mee te nemen in de herbeoordeling; het gaat niet om opnieuw doen wat we al hebben gedaan. Ik vraag hem verder om te kijken naar de subletale effecten en alle neonicotinen te herbeoordelen. En ik vraag hem wat het kabinet heeft gedaan met het onderzoek van de Gezondheidsraad uit 2000.

Staatssecretaris Bleker: Op dat laatste heb ik al drie keer antwoord gegeven, inclusief een brief: wat we ermee hebben gedaan en wat we er verder mee doen.
Dan de herbeoordeling. Mevrouw Ouwehand kan er nog van alles bij halen. Ik geef nu 100% prioriteit aan een zeer gedegen, consciëntieuze uitvoering van de motie en de herbeoordeling. Uit de eerste resultaten mag blijken hoe consciëntieus dat gebeurt. Hierop wil ik de inspaninning de komende weken richten. Ik zal de Kamer periodiek informeren over hoe het ervoor staat. Als wij aanleiding zien om op andere dan die zes stoffen het onderzoek te richten en een herbeoordeling te starten, dan doen wij dat ook. Indien er twijfel ontstaat over de beoordeling tot dan toe, dan doen wij dat; geen enkel punt.

(…)

Over twee weken krijgt u een voortgangsrapportage over het herbeoordelingsproces. Wat het onderzoek betreft: volgens mij begint onderzoek meestal met een theorie. Wat wil je verklaren? Je wilt bijensterfte verklaren. Dan kijk je in de literatuur, en dan blijkt dat er zes factoren verklarend zijn en dat twee, drie daarvan worden aangemerkt als meest verklarend. In je eerste onderzoek richt je je op de factoren waar het causale verband het grootst wordt geacht. Die probeer je in beeld te brengen. Zo pel je af. Dat is hierbij ook zo. De varroamijt en de andere factor zijn in beeld gebracht. In de vervolgfase komen de gewasbeschermingsmiddelen en de stoffen waar wij het over hebben, aan de orde. Dat gaat nu dus ook gebeuren. Wetenschappelijk gezien is het heel logisch om het zo te doen. Je kunt ook anders redeneren. Je kunt je afvragen wat door de politiek beïnvloedbare factoren zijn. Wij kunnen denk ik weinig aan de varroamijt doen. Ik zou niet weten hoe. Misschien met een motie om alle varroamijten uit te zetten naar het eigen land. We kunnen wel wat doen aan de gewasbeschermingsmiddelen en de stoffen die daarin zitten. Je had dus anders kunnen beginnen, maar ik denk dat dit wetenschappelijk gezien een logische redenering is: eerst de meest invloedrijke factoren waarbij het causaal verband het sterkste kan zijn en dan pel je af.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. De bijen vallen bij bosjes neer en we kunnen niet genoeg doen, zo is de indruk van de Partij voor de Dieren, om het voorzorgsprincipe toe te passen en ervoor te zorgen dat wij niet het risico lopen dat deze zo belangrijke diersoort uitsterft. Dat geldt ook voor andere insecten. De staatssecretaris heeft op één vraag geen antwoord willen geven. Ik heb de vraag voorzichtig geformuleerd: is het wenselijk dat een bestuursvoorzitter van een universiteit zelf geld verdient aan landbouwgif dat zo ter discussie staat? Ik heb het over patenten van Incotec. Ik wil toch graag een beoordeling van de staatssecretaris daarvan. Volgens mij heeft de staatssecretaris misschien een beetje gejokt of een halve waarheid gesproken. Het onderzoek van de Gezondheidsraad uit 2000 is niet betrokken bij de huidige beoordeling. De staatssecretaris en zijn voorganger, de minister van Landbouw, hebben de Kamer daar niet over geïnformeerd. Ik vraag de staatssecretaris om dat alsnog te doen. Ik kan het onderzoek ook aan de ambtenaren sturen. Het lijkt mij dat dit nodig is voor een zorgvuldig debat.

Tot slot dien ik vier moties in. Ik lees ze snel voor in verband met de tijd.

Motie voor herbeoordeling van alle reeds toegelaten neonicotinoïde middelen

Motie om de reeds toegelaten neonicotinoïden bij herbeoordeling opnieuw te toetsen

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als ik dan met de staatssecretaris naar Intratuin ga, dan hoop ik dat wij daar geen gevaarlijke gifstoffen zullen aantreffen. Als deze motie wordt aangenomen kan dat nog bewaarheid worden ook.

Motie om verbod verkoop van bestrijdingsmiddelen op basis van neonicotinoïden aan particulieren

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De laatste motie gaat over de middelen die nog wel verkocht mogen worden.

Motie om reclame voor en etikettering van bestrijdingsmiddelen aan strengere regels te onderwerpen

Staatssecretaris Bleker: Ik kom nu op de motie-Ouwehand/Jacobi op stuk nr. 184. Ik ontraad deze eveneens vanwege de argumenten die ik al eerder heb aangegeven. De stoffen worden gericht aan een herbeoordeling onderworpen. Het gaat overigens niet om zes, maar om zeven stoffen in de categorie neonicotinoïden. Die worden bij de herbeoordeling betrokken. Dit is de manier waarop wij dit willen doen. Ik ga nu in op de motie-Ouwehand/Jacobi op stuk nr. 185. Wij hebben het volgens mij over de effecten van bepaalde stoffen op bijensterfte. Er is nu geen aanleiding om die effecten op alle insecten te toetsen. Daarbij komt dat de bij in de onderzoeken als een valide indicator wordt gezien voor tal van andere insecten die daaraan gelieerd zijn. Als je eenmaal negatieve conclusies moet trekken in de zin van schadelijke effecten op bijen, mag je aannemen dat die effecten evenzeer voor andere, gelieerde insecten het geval zijn. Dit geldt andersom ook. Als je geen negatieve effecten hoeft te constateren, kun je in beginsel dezelfde redenering hanteren.

Dan de motie-Ouwehand op stuk nr. 186. Ik heb dit zopas aangegeven. Ook dat doen wij op basis van dat verkennende onderzoek en de herbeoordeling. Dan kan dit de conclusie zijn, maar alleen na een check op basis van die herbeoordeling. Je kunt niet ins Blaue hinein zeggen: die stof niet meer in het algemeen. Het gaat om de toepassing van de stof in de concrete situatie. Ik ontraad deze motie dus, want die past niet bij de systematiek die in feite aansluit op de eerdere motie waaraan wij uitvoering geven. De motie-Ouwehand op stuk nr. 187 gaat over de etikettering. De bestaande regelgeving biedt al voldoende mogelijkheden voor de aanpak van onjuiste reclame. Als er echt iets mis is, zoals in het geval waar mevrouw Ouwehand over spreekt, namelijk de bijvriendelijke advertentie, kom ik daarop terug en anders niet.

Ik kom bij de motie-Koopmans/Ouwehand op stuk nr. 189 over €65.000. Er wordt nu gewerkt aan een nieuw signaleringsnetwerk groene ruimte met circa 1000 waarnemers. Het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie is voornemens om daaraan bij te dragen. Ik zou de indieners dus willen vragen of zij het goed vinden als ik de Kamer informeer zodra duidelijk is hoe het signaleringsnetwerk eruit gaat zien. Misschien is het dus verstandig om de motie aan te houden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging op de motie die ik samen met de heer Koopmans heb ingediend. Ik heb begrepen dat men bij Alterra niet weet wat er gebeurt en ga ervan uit dat de staatssecretaris ervoor zorgt dat ook Alterra goed geïnformeerd wordt. Ik denk dat het wel klopt, maar graag nog even een bevestiging. De staatssecretaris heeft gezegd dat hij binnen enkele weken terugkomt op die andere middelen. Aan welke termijn moeten wij denken? Ik zou denken: maximaal twee weken.

Staatssecretaris Bleker: Vier!

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Drie!

Staatssecretaris Bleker: Dacht ik al. Dan houden wij het daarop. Ik zal contact opnemen met Alterra.