Bijdrage Ouwehand Landbouw- en Visse­rijraad Beeguidance


10 april 2019

Ik geef als eerste het woord aan mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik heb vandaag maar één agendapunt: de bescherming van bijen, hommels en andere insecten. Het gaat dramatisch slecht met de bijen en andere insecten. Een derde wordt met uitsterven bedreigd, en de oorzaken zijn: verlies van leefgebied en het gebruik van landbouwgif. Nu heeft Europa de deuren wagenwijd opengezet voor hele gevaarlijke gifstoffen. De Partij voor de Dieren waarschuwt daar al jaren voor, ook met steun van de Kamer. Wij hebben in een motie gevraagd om in te zetten op een Europees moratorium op de gevaarlijkste stoffen — die neonics en fipronil — en als dat niet zou werken, op een nationaal verbod. Die motie is aangenomen, ook met steun van D66, maar dat nationale verbod kwam er niet, want er zou in Europa worden gewerkt aan een strengere toetsing: de Bee Guidance. Dat zou toch het allerbeste werken. Dus we werden afgewimpeld. Er werd gezegd: nee, dat gaan we niet in Nederland regelen; er komt een strengere Europese toetsing.

De Kamer is er al die tijd van uitgegaan, en mocht daar ook van uitgaan als je naar de stukken kijkt die het kabinet de Kamer heeft gestuurd, dat Nederland zich inzette voor daadwerkelijk — wat de Kamer had gevraagd — een strengere toetsing, zodat bijen, hommels en andere insecten konden worden beschermd tegen dat landbouwgif. We hebben al die tijd erop vertrouwd dat Nederland in het voorstanderskamp zat. Er moet strengere toetsing komen.

Toen kregen we eind 2018 signalen dat dat toch niet helemaal goed ging. Toen heb ik de minister daarnaar gevraagd. Dat ging twee keer heel raar. De eerste keer was de minister ziek. Daar kon ze verder ook niet zo veel aan doen. Maar de beantwoording was even zo hatseflats. En in het VAO werd het niet heel duidelijk. Ik vroeg de minister: de Nederlandse positie was toch optimale bescherming van hommels en bijen? Daar heeft ze uiteindelijk op gezegd: u doet alsof er een andere positie is, maar dat is niet waar. Met andere woorden, we mochten er nog steeds van uitgaan dat Nederland inzette op een optimale bescherming van hommels en bijen.

Wij hebben gevraagd: wat is de positie van Nederland geweest, want wij horen dat er verschillende stukken hebben voorgelegen in SCoPAFF? Dat is dat geheime ambtenarenclubje waarin voorstellen worden voorbereid tot het uiteindelijk tot een stemming komt. Nee hoor, zei de minister, we hebben geen andere positie ingenomen. Ik vroeg: is er sprake van uitholling? Nou nee, zei de minister. En wat blijkt uit de notulen van SCoPAFF van oktober 2018? Er is een rijtje met landen die voor de implementatie van het voorstel zijn om strenger te toetsen op de gevolgen voor bijen en hommels. Daarin staan landen als Oostenrijk, België, Denemarken, Finland, Frankrijk en Duitsland. En er is een rijtje landen dat ertegen is. In dat rijtje staan gezellige landen als Bulgarije, Tsjechië, Hongarije, Estland en Nederland. Dus Nederland heeft zich wel degelijk verzet tegen implementatie van een strenger toetsingskader om ervoor te zorgen dat bijen en hommels beter beschermd worden tegen landbouwgif.

Ik vind dit heel ernstig, echt heel ernstig. Het geeft alle aanleiding om hier de vertrouwensvraag op tafel te leggen. Maar ik wil meer informatie. Ik wil dat de minister binnen een week een feitenrelaas naar de Kamer stuurt, want de besluitvorming over het definitieve voorstel is al snel en de Kamer moet kunnen controleren wat hier is gebeurd. Ik wil alle correspondentie tussen Nederland en de Europese Commissie. Ik wil inzicht in wat zich in SCoPAFF heeft afgespeeld. Ik wil dus alle feiten hebben. Welke voorstellen hebben daar gelegen, wat heeft Nederland daar ingebracht en hoe heeft Nederland zich daar opgesteld? Met wie heeft de minister gesproken? Welke lobby is van invloed geweest? Kunnen wij de adviezen van het Ctgb, waar de minister naar verwijst, als Kamer gewoon ook krijgen, zodat we kunnen controleren wat die adviezen precies zijn?

Ik begrijp het oprecht niet. Tot nu toe is de boodschap altijd geweest dat Nederland zich inzet voor een betere bescherming van bijen en hommels. Toen het nog niet vastgestelde richtsnoer werd toegepast op die drie neonicotinoïden, zei de minister ook in een brief aan de Kamer dat dat gebaseerd was op de wetenschappelijke laatste stand van zaken. Dus ook daar konden we uit concluderen: de minister is voor het voorstel dat er nu ligt, zij heeft daar vertrouwen in. En nu blijkt toch uit stukken die zijn uitgelekt, dankzij bijvoorbeeld Follow the Money, dat dat anders ligt. Wij willen daar echt duidelijkheid over.

Ik ben in staat om vandaag de vertrouwensvraag al op tafel te leggen, maar ik houd me in. Maar dat feitenrelaas moet er echt komen. Dank u wel.

Interruptie op D66

De heer De Groot (D66):

Voorzitter. Het volgende onderwerp is het Bee Guidance Document. De D66-fractie heeft daar de volgende vragen over. Er is een concept gepresenteerd in 2013-2014. Daarin zijn allerlei statistische methodes neergelegd om aan te tonen dat bestrijdingsmiddelen niet schadelijk zijn voor wilde bijen, hommels en honingbijen. Wat is nou de achtergrond geweest van de wetenschappers? Die moeten dat niet zomaar hebben gedaan; die hebben daar een voorstel gedaan. Kunt u eens reflecteren op wat de gedachte is geweest achter het oorspronkelijke document? Ik neem aan dat er consensus is geweest onder de wetenschappers van toen in de zin van: we moeten deze voorwaarden stellen om vast te stellen dat bestrijdingsmiddelen niet gevaarlijk zijn voor bijen. Daarvoor was het document bedoeld. Graag een reactie van de minister daarop.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Heel hartelijk dank. Mevrouw Ouwehand heeft een vraag aan u.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vind dat een goede vraag van de heer De Groot. Ik zou daar via de heer De Groot aan willen toevoegen of de minister kan bevestigen dat ook medewerkers van het Ctgb aan dat oorspronkelijke document hebben meegeschreven. Mijn vraag aan de heer De Groot is welke informatiepositie hij had. Ik heb een van zijn moties uit september 2017 teruggevonden. Toen vroeg hij de regering om zich op Europees niveau in te zetten voor aanvaarding. Minister Kamp, die toen die portefeuille even in zijn mandje had, zei: dat is ondersteuning van beleid. Was D66 toen niet ook van mening en had D66 toen ook niet het vertrouwen dat Nederland de positie had dat het voorstel moest worden aanvaard? Was dat ook waar D66 van uitging op basis van onder andere deze motie en het oordeel van de minister toen?

De heer De Groot (D66):

Waar het D66 om gaat, is dat er consensus komt onder de wetenschappers. Het is een lastig onderwerp. Het is niet zo dat wij dat als Kamer zomaar even beter weten; wij zijn geen toxicologen. Het gaat erom dat de minister ervoor heeft te zorgen dat er consensus komt onder de wetenschappers en daaraan een bijdrage heeft te leveren. Maar dan blijft de vraag: doe je dat door te onderbouwen waarom dat oorspronkelijke document goed was of ga je de andere richting in om aan te geven met onderzoeken waarom dat oorspronkelijke document niet goed was? Ook mijn vraag aan de minister is: welke richting is er nou gekozen om uiteindelijk dat document te gaan vaststellen en daarmee te gaan werken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Kijk, ik begrijp het wel. Als je regeringspartij bent, dan probeer je zo veel mogelijk te duiken en te downplayen tot je echt niet meer anders kan, maar mijn vraag was heel specifiek …

De heer De Groot (D66):

Ik maak echt bezwaar tegen dit soort ongelofelijk rare uitingen!

De heer Bisschop (SGP):

Insinuaties.

De heer De Groot (D66):

Insinuaties. Helemaal klaar mee!

De voorzitter:

Waarvan akte. Mevrouw Ouwehand, wilt u gewoon even uw vraag stellen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, voorzitter. Dan weer even terug naar de feiten. D66 bemoeit zich net als de Partij voor de Dieren heel vaak met Europese besluitvorming, probeert duidelijkheid te krijgen over de positie van Nederland en komt af en toe met moties waarin zij zeggen: er ligt een voorstel van de Europese Commissie; Nederland moet daarvoor zijn of juist tegen. En ze hebben moties waarin ze de Nederlandse regering ertoe oproepen om te zeggen: hé, er ligt hier een voorstel, waar wij al voor zijn; probeer je in te zetten voor aanvaarding. In die laatste categorie viel die motie van 2017. Ik vraag gewoon, gelet op die motie en de reactie van de minister toen, of D66 er ook van uitging dat Nederland zich zou inzetten voor aanvaarding van het voorstel dat allang voorlag en waarvan de heer De Groot terecht zegt dat dat niet voor niks is geschreven, dat mensen dat hebben geschreven die goed naar de materie hebben gekeken. In die motie vraagt hij om aanvaarding. Ging hij ervan uit dat Nederland voor dat voorstel was?

De heer De Groot (D66):

De Partij voor de Dieren heeft een manier van politiek bedrijven waar ik steeds meer moeite mee krijg. Wat ik belangrijk vind, is dat wij hier met dit soort ernstige kwesties omgaan op een manier … U stelt een vertrouwensvraag en u gaat daar met een politiek overheen met een hele kleine p. Dit is een onderwerp dat ongelofelijk belangrijk is. Het lot van de bijen gaat D66 niets minder aan dan de Partij voor de Dieren. Dat laat ik mij niet afnemen. Dat u hier de betere idealen heeft; niets daarvan! Dus ik ga ook niet in op uw vraag. Ik heb daar gewoon helemaal geen zin in, want u bent wel in staat om in de krant de integriteit van collega's in twijfel te trekken, om de betere mens uit te hangen. Uw idealen zijn helemaal niet anders.

De voorzitter:

Oké. Ook u vraag ik om nu af te ronden.

De heer De Groot (D66):

Ik vind dit geen manier van politiek bedrijven. U stelt een vertrouwensvraag. U heeft zich te richten op de minister. U kunt het dan verder in uw eentje doen, want op geen enkele manier van samenwerken gaat u in.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De heer De Groot zal wel weer heel boos worden als ik dit benoem, maar dat hij ervoor kiest …

De voorzitter:

Sorry. Ik hou van een ferm debat, maar we spreken nog steeds via mij als we elkaar een vraag stellen. Ik heb het u allebei nu even gegund — het mag af en toe even knetteren — maar ik wil nu dat we weer naar de orde van het debat gaan. Als u een vraag stelt, doet u dat via mij. Anders sta ik gewoon geen interrupties meer toe. Nu even opnieuw en dus niet "u" of "uw". Gewoon even: mevrouw de voorzitter, ik zou de heer De Groot dit willen vragen. Andersom idem dito.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, volgens mij heb ik gezegd: de heer De Groot. Maar ik wil graag benoemen dat de heer De Groot op de persoon speelt, dat dat veel zegt en dat ik nog steeds geen antwoord heb gekregen op mijn vraag of D66 er samen met de Partij voor de Dieren en de rest van de Kamer van uitging, gelet op de communicatie vanuit het kabinet, dat Nederland voor het voorstel was waarvan de heer De Groot terecht heeft gezegd dat dat er niet voor niks is gekomen en dat verstandige mensen daarover hebben nagedacht, de wetenschappelijke stand van zaken hebben bekeken en hebben gezegd: als je op deze manier een nieuw richtsnoer maakt ten opzichte van het oude richtsnoer uit 2002, dan kun je bijen en hommels effectief beschermen. Was D66 in de veronderstelling dat Nederland voor dat voorstel was?

De heer De Groot (D66):

Die vraag heb ik in eerste instantie beantwoord.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, afrondend.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik weet niet wat het antwoord daarop is. Dat was mij niet helder. Maar dan trek ik de conclusie, gelet op de motie die D66 heeft ingediend en het oordeel van de minister, dat we ervan uit mochten gaan dat Nederland voor dat voorstel was. Dan zou mijn laatste vraag zijn: wat vindt de heer De Groot er dan van dat we uit uitgelekte notulen uit de SCoPAFF moeten lezen dat Nederland in het kamp van de tegenstanders zat toen het ging over de implementatie van dit voorstel?

De heer De Groot (D66):

Ik verwijs naar mijn eerste antwoord.

Debat met minister Schouten

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Nee, voorzitter, dit is niet het feitenrelaas waar we naar vragen. Er zijn ongelofelijk veel vragen gerezen door de beantwoording van de minister op de vragen die we hebben gesteld, door de signalen die we ontvingen, door uitgelekte stukken uit de SCoPAFF-notulen en de stukken die Follow the Money in handen heeft. En ook de bijlagen die de minister dan alsnog aan de Kamer heeft gestuurd, dus de e-mails die ze naar de Europese Commissie heeft gestuurd. Wij hebben steeds gevraagd: wat is de positie van Nederland in SCoPAFF? Welke voorstellen liggen daar voor? En dan zegt de minister: ik informeer u wel als er een voorstel ter stemming ligt. Dat is raar, want in het stuk dat ze nu naar de Kamer heeft gestuurd, een e-mail aan de Europese Commissie, geeft ze duidelijk aan wat de bezwaren van Nederland zijn en daar schrijft ze ook: "Meer achtergrond voor onze positie vindt u in de toelichting hieronder." Daar hebben wij naar gevraagd: de positie van Nederland in die discussie. Die is relevant omdat dat richtsnoer al in 2013 is gepresenteerd; hij is nog steeds niet geïmplementeerd en er wordt in die geheime ambtenarencomités gewerkt aan een alternatief voorstel. Pas als dát er ligt, informeert de minister de Kamer over of Nederland daar voor of tegen gaat zijn.

De voorzitter:

Afrondend in een vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter, ik hecht eraan dat u me hier de ruimte voor geeft, want het gaat over het informeren van de Kamer. Ik heb het nadrukkelijk gevraagd.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, ik geef u overal de ruimte voor, maar u geeft een uitgebreide toelichting. Ik wil nu dat het een afrondende vraag is, zodat de minister kan antwoorden en daarna krijgt u gelegenheid om nóg een vraag te stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Zo is dat. Dus ik wil alsnog het feitenrelaas, alle correspondentie met de Europese Commissie, alle voorstellen die in SCoPAFF hebben voorgelegen, de positie van Nederland daarin. Mij heeft informatie bereikt dat er 26 verschillende voorstellen zijn besproken in SCoPAFF. Ontkent de minister dat hier, of erkent zij dat er verschillende voorstellen hebben gepasseerd in de loop der jaren en dat de Kamer recht heeft op informatie over hoe Nederland zich ten opzichte van die verschillende versies heeft opgesteld?

Minister Schouten:

De gang van zaken is als volgt. Er is een bijenrichtsnoer gepresenteerd door de EFSA. Dat is nadrukkelijk gepresenteerd om te kijken hoe dat wordt gezien door de lidstaten: is dat werkbaar, ja of nee? Nederland vond op twee punten dat daar nog verbeteringen moesten worden doorgevoerd. Het eerste was de wijze waarop het veldonderzoek was vormgegeven. Wij vonden dat niet werkbaar. Het tweede was het meenemen van de meest recente informatie, in dit geval over de chronische toxiciteit. Ik heb de Kamer daarover zelf geïnformeerd. Ik weet niet precies wat mijn voorgangers allemaal hebben gedaan, maar ik heb dat wel al eerder gepresenteerd. Die twee punten heeft Nederland steeds ingebracht omdat wij vonden dat op die twee punten verbeteringen moesten worden aangebracht. Ik weet niet hoeveel voorstellen er precies hebben voorgelegen. Dat kan ik nu even niet reproduceren. Daar wil ik gewoon netjes in zijn. Er liggen niet steeds nieuwe voorstellen ter stemming of iets dergelijks voor. Het is een continu proces waarin je met elkaar bekijkt hoe lidstaten aankijken tegen wat er gebeurt. Het uitgangspunt is nog steeds de Bee Guidance, die in 2013 door de EFSA is neergelegd. Als er gevraagd wordt hoeveel voorstellen er zijn, is dat in principe één voorstel, want de discussie gaat nog steeds over de vraag hoe we de Bee Guidance verderbrengen. Zo gaat het. Ik denk dat ikzelf juist degene ben geweest die de Kamer heeft geïnformeerd over hoe er gestemd wordt en wat er gedaan wordt in de SCoPAFF. Er vinden op heel veel plekken discussies plaats, ook in Europa, over hoe bepaalde zaken gaan. Ik ben transparant geweest over onze inbreng in die discussies. Ik kan daar niet zo heel veel anders van maken dan wat mevrouw Ouwehand vraagt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Als de minister dat werkelijk meent — ik begin weer boos te worden — dan ligt de vertrouwensvraag echt op tafel. We hebben gevraagd naar de positie in SCoPAFF en niet naar de stemmingen. En over de positie in SCoPAFF: de minister zegt dat de veldstudies verbeterd zouden kunnen worden. Mij bereiken signalen van wetenschappers die hier heel actief bij betrokken zijn dat er een oude Bee Guidance uit 2002 is, die allemaal loopholes heeft met betrekking tot de veldstudies. De nieuwe Bee Guidance zorgt dat de criteria aan de veldstudies zo zijn dat bijen en hommels daadwerkelijk worden beschermd. Nederland pleit actief voor het schrappen van die criteria. Dat is iets heel anders dan het signaal dat het kabinet de Kamer voortdurend heeft gegeven: wij zetten in op de Bee Guidance en daar kunnen nog wat verbeteringen in plaatsvinden. Dit is geen verbetering, maar een uitholling. Ook daar heb ik de minister specifiek naar gevraagd. Ik vroeg of er sprake is van een uitholling. Nee, zei de minister. Dus het lijkt mij beter als wij deze discussie voortzetten op basis van alle onderliggende stukken, zodat de Kamer kan controleren hoe het Nederlandse kabinet zich sinds 2013 heeft opgesteld. Ik wil die informatie gewoon hebben.

Minister Schouten:

Ik zal kijken wat voor informatie ik nog kan sturen. Maar laat ik even één ding zeggen. Er zit een suggestie in dat wij actief bezig zijn om een Bee Guidance, waar wij zelf juist voor gepleit hebben, tegen te werken, uit te hollen en dergelijke. Ik heb gisteren in mijn brief proberen aan te geven hoe de Nederlandse positie is in deze discussie, welke afwegingen er gemaakt worden en vanuit welke positie daarover gedacht wordt. Ik kan echt met de hand op mijn hart zeggen dat het een oprechte positie is. Dat is niet een positie om maar even alles uit te gaan hollen. Nee, wij willen vooral dat er een Bee Guidance komt die goed toepasbaar is en waarbij ook de laatste wetenschappelijke inzichten worden betrokken, zodat we daarmee ook echt een guidance kunnen vaststellen waarmee we verder kunnen. Ik vind dat die discussie ook al veel te lang duurt; laat dat ook duidelijk zijn. Sterker nog, Nederland heeft er steeds op aangedrongen, zoals ik net heb aangegeven in het feitenrelaas, om gefaseerd in te voeren, om alvast de dingen in te voeren waar in ieder geval consensus over is, omdat je anders kansen laat liggen. Dat is tot nu toe ook niet gebeurd.

We hebben nu gezegd dat er binnen twee jaar echt een knoop doorgehakt moet worden omdat dit allemaal veel te lang duurt. Nogmaals, wat ons betreft kunnen de dingen ingevoerd worden waar al consensus over is. Over alles wat daarna nog komt, moeten we binnen twee jaar uit zijn omdat het anders niet opschiet. We hebben gisteren ook de bijlage gestuurd. Ik heb daarin aangegeven dat we transparant zijn over wat we daar hebben ingebracht. Daar staat niet in dat Nederland studies wil schrappen. Dat is ook echt niet het geval. Wij zijn vooral bezig om te zorgen dat we ook die laatste inzichten goed kunnen meenemen. Daar is dit op gericht. Ik wil echt kijken of ik nog wat zaken toe kan sturen aan de Kamer waar mevrouw Ouwehand naar vraagt, maar ik zeg wel even dat de correspondentie met de Europese Commissie altijd een beetje gevoelig ligt. De Europese Commissie staat mij niet toe om dat soort dingen zomaar openbaar te maken, omdat zij onderdeel van de correspondentie is. Zelfs bij een WOB-verzoek wordt dat altijd geweigerd. Ik kan dat dus niet zomaar op voorhand doen. Ik zal kijken of er nog iets is wat ik kan toesturen. Ik zal het feitenrelaas nog een keer op papier zetten. Ik heb aangegeven dat ik de laatste SCoPAFF-inbreng heb gestuurd. Ik informeer de Kamer over wat er in de SCoPAFF gebeurt. Het advies van het Ctgb heb ik vorig jaar april gestuurd.

De voorzitter:

Dit is een herhaling van net.

Minister Schouten:

Ja, voorzitter. Ik zal kijken of er nog iets mist.

De voorzitter:

Binnen welke termijn kunt u de Kamer daarover informeren?

Minister Schouten:

Ik heb begrepen dat mevrouw Ouwehand dat volgende week wil hebben. Ik geloof zomaar dat dat zo is. Ik wil niet de indruk wekken dat ik nu allerlei dingen niet stuur. Volgens mij ben ik vrij volledig geweest in wat ik kon sturen en wat ik heb gestuurd, inclusief wat ik gisteren nog mee heb gestuurd.

De voorzitter:

Dan noteren we dat wat er nog is, binnen een week wordt toegestuurd.

Minister Schouten:

Ja, wat ik kán sturen. Ik wil het wel eventjes heel voorzichtig formuleren. Alles wat er nog is … Correspondentie met de Commissie is allemaal wel …

De voorzitter:

Ik heb u goed verstaan: wat u kán sturen. Dat noteren we als toezegging.

Mevrouw Ouwehand, u mag uw tweede interruptie plegen. Dat is meteen uw laatste.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dank aan de minister voor die toezegging. Ik denk dat het heel verstandig is dat we hier met z'n allen goed geïnformeerd over doorpraten. Dank dat we binnen een week krijgen wat de minister kan toesturen. Dan zal ik in commissieverband een voorstel doen voor een verdere procedure. Voor zover ik begrepen heb, zal op 21 of 22 mei een stemming plaatsvinden in SCoPAFF. Ik vind dat de Kamer voor die tijd van gedachten moet hebben kunnen wisselen met de minister op basis van nadere informatie. Maar dank. Als de stukken binnen zijn, zullen wij voorstellen doen voor een vervolgbehandeling.

De voorzitter:

Dat is een procesopmerking.

Minister Schouten:

Als u mij toestaat, voorzitter, merk ik nog het volgende op. Het klopt dat er mogelijk stemmingen zullen zijn in de SCoPAFF. Dat is ook altijd het punt: ik weet nooit maanden van tevoren wanneer een stemming plaatsvindt in de SCoPAFF. Ik ben zelf de Kamer proactief gaan informeren over wanneer de stemmingen plaatsvinden in de SCoPAFF. Ik hoop dat mevrouw Ouwehand ook durft te onderkennen dat dit zo is. Daarom zal ik ook altijd uw Kamer informeren op het moment dat er een stemming plaatsvindt. Mogelijk vindt er in mei een stemming in de SCoPAFF plaats over het punt of we nu gefaseerd moeten gaan invoeren en of er binnen twee jaar een klap gaat vallen. Dat ligt voor. Volgens mij heb ik al heel lang duidelijk gemaakt waar wij staan als Nederland: gefaseerd invoeren, zorgen dat er een einde komt aan deze discussie en de guidance vaststellen. Maar zoals ik altijd al heb gedaan, zal ik als er een stemming is in de SCoPAFF, dat aan uw Kamer voorleggen.

De voorzitter:

Helder. Mevrouw Ouwehand, één afrondende opmerking.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat de minister ons informeert over de stemmingen in SCoPAFF klopt. Dat is fijn, want dat deden haar voorgangers niet actief; daar moesten we altijd om leuren. Maar nogmaals, het gaat over wat er wordt gewisseld in SCoPAFF, want gedurende die zes jaar wordt er in SCoPAFF gesleuteld aan een ander voorstel. Als het ter stemming voorligt, is de Kamer te laat. Ik vraag dus om het proces. De minister maakte nog een laatste opmerking in mijn richting. Ik snap dat ze zegt dat bij haar weten Nederland niet actief aan het traineren is, maar uit de stukken die boven tafel zijn gekomen, blijkt een ander beeld. Dat is dus echt de vraag die op tafel ligt. Als de stukken naar de Kamer komen en we vervolgvragen kunnen stellen, gaat het daar wel om.