Bijdrage Ouwehand AO Voortgang speer­punten ontwik­ke­lings­sa­men­werking


12 februari 2014

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. In de inbreng van een aantal collega's, voorop die van de PVV, maar toch ook die van de VVD, hoor ik hetzelfde als in zekere zin ook in de brief van de minister en in de keuzes die het kabinet heeft gemaakt: we willen eigenlijk het geld zelf houden. Dat is de PVV-koers. De koers van de VVD, de PvdA en het kabinet is: laten we minder doen, en laten we veel scherper kijken wat we zelf hebben aan het geld dat we wel uitgeven. Ik moest denken -- en dat werd getriggerd door de inbreng van de PVV, moet ik toegeven -- aan een verhaal dat ik las over mensen die de Staatsloterij hadden gewonnen. Zij waren ineens knetterschathemeltjerijk geworden en hadden zichzelf allerlei cadeaus gedaan. Ze hebben ook een weeshuis in Rusland gekocht. Ze financieren dat nu en helpen daarmee mensen. Zij zeiden jaren later in de krant: niets heeft ons meer geluk gebracht dan dat; we hadden auto's, vakanties, grote huizen, zwembaden, alles, maar dat we dat weeshuis hebben gekocht, daar werden we pas gelukkig van!

De Partij voor de Dieren vindt het belangrijk om te benoemen dat het waarde heeft om mensen te helpen die het slechter getroffen hebben. Dat moeten we niet bekijken met een nauwe blik en ons afvragen wat het ons oplevert, want dat zijn kortetermijnvisies. Natuurlijk kunnen we kijken wat het onze begroting of ons bedrijfsleven oplevert. Dat is hartstikke prachtig, maar de echte waarde blijft op deze wijze wel onbenoemd. Voor die waarde staat de Partij voor de Dieren: je investeert in en je helpt mensen die het moeilijk hebben, want dat is belangrijk. En -- dat is het tweede spoor -- je houdt, waar je dat kunt, op met gedrag dat mensen die in een toch al lastige positie verkeren, nog verder klem zet.

Dat gezegd hebbende, dank voor de brief over de speerpunten. Ik zal keuzes moeten maken en ik ben blij dat meerdere woordvoerders al over het recht op toegang tot water goede vragen hebben gesteld. Dan beperk ik mij tot het recht op voedsel. Dat is een mensenrecht en het is goed te zien dat het ook een speerpunt is. Dat is fijn, maar we hebben wel kritische vragen over de uitwerking. De Kamer heeft een motie aangenomen dat agro-ecologie de inzet moet zijn van het landbouwbeleid, het landbouwspeerpunt. We hebben het gevoel dat die motie niet goed wordt uitgevoerd. Het kabinet heeft het over climate-smart agriculture en dat klinkt heel mooi, maar we lezen nergens wat daar precies mee wordt bedoeld. Ik kan mij voorstellen dat de minister dat niet paraat heeft. Ze is immers geen landbouwminister. Het zou echter fijn zijn als we te horen of te lezen kregen aan de hand van welke criteria het kabinet beoordeelt of landbouw bijdraagt aan ontwikkeling of dat landbouw ontwikkeling juist tegenwerkt.

Dan gaat het ook over de positie van kleine boeren, van vrouwen. We weten van Olivier De Schutter, de VN-rapporteur over het mensenrecht op voedsel, dat agro-ecologie de beste perspectieven heeft. We hebben het kabinet in een debat met staatssecretaris Mansveld over biobrandstoffen en de daarmee gepaard gaande verdringingseffecten op voedsel al uitgenodigd om eens met Olivier De Schutter te gaan praten. Ik weet nog dat mevrouw Mansveld heeft gezegd: dat gaan we doen. Toen vroeg ik haar om minister Ploumen mee te nemen. Ja, zei ze, dat gaan we doen. Ik heb het gevoel dat dit gesprek nog niet heeft plaatsgevonden, terwijl het wel hartstikke waardevol kan zijn. Graag hoor ik daarop een reactie. Graag hoor ik ook een toezegging dat de Kamer wordt medegedeeld, dat mag ook schriftelijk, welke criteria het kabinet hanteert voor climate-smart agriculture.

Voorts hoor ik graag hoe de minister uitlegt hoe het bevorderen van het gebruik van kunstmest en landbouwgif, waarover we hebben kunnen lezen in de brief, zich verhoudt tot die agro-ecologische landbouw. Een concrete vraag is bijvoorbeeld of het zaaizaad lokaal zaad is dat door de boerengemeenschappen zelf bewaard en ontwikkeld wordt, of dat het zaad uit Nederland is, van Nederlandse bedrijven en dat er hier toch weer gekozen wordt voor big business as usual. Ook deze vragen mogen schriftelijk beantwoord worden als de minister de antwoorden niet allemaal paraat heeft.

Eenzelfde vraag betreft de certificeringsprogramma's waar het kabinet over schrijft. Er komen programma's voor de producenten, waarbij het certificaat standaarden geeft voor sociale criteria en milieuverantwoordelijkheid. Welke criteria worden daar dan gehanteerd? Dat was ons niet duidelijk.

Tot slot. We hebben het gevoel dat onze motie over agro-ecologie onvoldoende wordt uitgevoerd. Kan de minister duidelijk maken of zij in elk geval al bezig is met pilots, om te bezien wat de meerwaarde kan zijn van investeringen in kleinschalige, regionale landbouw? Die heeft immers op lange termijn, ook volgens Olivier De Schutter, de beste perspectieven voor het terugdringen van de honger in de wereld. Ik zou toch graag van deze minister horen dat zij het eens is met de Partij voor de Dieren dat wij best eens kritisch mogen kijken naar de manier waarop wij hier leven, of dat nu het landbouwbeleid betreft, de landbouwsubsidies of ons eigen gedrag als consument. Wat betekenen die zaken voor mensen op kwetsbare plekken in de wereld? Ik verwacht van deze minister dat zij het voortouw erin neemt om daar eens kritisch naar te kijken. Ik verwacht dat zij ook tegen de andere ministers en staatssecretarissen in dit kabinet zegt: de gevolgen hiervan voor ontwikkelingslanden zijn zo groot dat we echt een andere koers zullen moeten kiezen.

De voorzitter: Dank u mevrouw Ouwehand. Er is een vraag voor u van de heer Van Laar.

De heer Van Laar (PvdA): De collega van mevrouw Ouwehand, mevrouw Thieme, hield bij de begrotingsbehandeling een uitgebreid pleidooi. Nederland zou Chinese kinderen met lactose-intolerantie vergiftigen door onze melklobby. Het was een uitgebreid betoog. Ik zal het niet herhalen. Inmiddels is daar een brief over geschreven door de minister. De Partij voor de Dieren heeft daar geen debat over aangevraagd en de brief ook niet op andere wijze aan de orde gesteld. Mag ik daaruit concluderen dat de PvdD de brief van de minister ook overtuigend vond en dat nu blijkt dat het project in kwestie wel degelijk ten goede komt aan de gezondheid van kinderen, ook in China?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, helaas niet. We moeten constateren dat het kabinet de positie inneemt -- dat was bij vorige kabinetten niet anders, alleen is het bij OS nu ook zo, en dat is echt veranderd -- om in eerste instantie te vragen wat wij kunnen slijten aan landen waar er groeimarkten zijn. Dat is belangrijker dan wat wij kunnen betekenen voor kinderen in China en in Vietnam. Het is af te lezen aan de handelsdelegaties. Het is af te lezen aan de manier waarop in Nederland wordt geprobeerd om onze melkveestapel zo ver te laten groeien dat we de behoefte aan melk in andere landen kunnen aanwakkeren en daar ook nog dik aan kunnen verdienen. Dus nee, we zijn er niet van overtuigd dat het een filantropische instelling was waarmee we met onze melk naar China zijn gegaan, naar Vietnam en noem al die landen maar op. Wij denken dat het vooral door handelsbelangen wordt ingegeven en dat stelt ons zeer teleur.

De heer Van Laar (PvdA): We hebben het hier over een specifieke casus. Het gaat niet om de vraag of het filantropie was of niet. Het gaat erom dat de Partij voor de Dieren hier zei dat Nederlandse melk op grote schaal Chinese kinderen vergiftigt. Uit de brief komt duidelijk naar voren dat het lokaal beleid tot het inzicht is gekomen dat melk goed is voor kinderen, ook in China, en dat Nederland daar een bijdrage aan levert, om de gezondheid van kinderen in China juist te vergroten. De vraag is: neemt de PvdD afstand van die conclusie of onderschrijft zij die nu?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nee, voorzitter. Melk is voor zuigelingen. We zijn de enige diersoort op aarde die melk blijft drinken tot in de volwassen jaren en dan ook nog eens melk van een andere diersoort. De wetenschappelijke rapporten over de vermeende gezondheidsbevorderende effecten van melk staan zwaar ter discussie. Dus nee, de Partij voor de Dieren is er niet van overtuigd dat je de gezondheid van kinderen in China helpt door die kinderen aan melk te helpen. Wij vinden dat je andere dingen zou moeten doen met onze inzet daar.

Interrupties bij andere partijen

Mevrouw De Caluwé (VVD): Voorzitter. Dank aan de minister voor de rapportage over het speerpuntenbeleid. Daarin wordt een eerste terugkoppeling op hoofdlijnen gegeven van de inspanningen op de speerpunten en dwarsdoorsnijdende thema's. (…)Op de meetbaarheid van de resultaten is dus voortgang geboekt. Echter, het rapport van de minister bevat vooral aansprekende voorbeelden van representatieve trajecten en nog weinig overall resultaten. Ik heb hier dan ook vragen over aan de minister. De VVD wil vooral weten wat de overall resultaten van het speerpuntenbeleid zijn in relatie tot de gestelde doelen. Kan de minister daarover meer inzicht verschaffen? (…) In totaal blijkt dat slechts iets meer dan 25% van het totale OS-budget wordt besteed aan het speerpuntenbeleid. De minister houdt niet van sturen op kanalen, dat weet ik. Echter, 1,1 miljard op de speerpunten van je beleid is toch wat mager. De focus moet op de speerpunten liggen, ook budgettair. Zit daar nog iets in, ook in de andere budgetposten waar het speerpuntenbeleid meegenomen wordt? (…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Kan mevrouw De Caluwé ook eens reflecteren op andere gedragingen van Nederland en Europa die het ontwikkelingslanden moeilijker maken? Zij zegt dat zij de samenwerking doelmatig en efficiënt wil inzetten, maar er eigenlijk niet meer geld voor wil uittrekken. Dan zou het erg helpen als we in onderhandelingen over vrijhandelsakkoorden, ons landbouwbeleid en landbouwsubsidies kritisch kijken naar wat die zaken betekenen voor ontwikkelingssamenwerking. Hebben we dan de VVD aan onze zijde, of zegt de VVD dat in die gevallen de Nederlandse belangen gewoon voorgaan en dat de ontwikkelingslanden maar een beetje achteraan moeten hobbelen met de rotzooi die we daarmee veroorzaken?

Mevrouw De Caluwé (VVD): De VVD is altijd al kritisch geweest op landbouwsubsidies. Wat betreft vrijhandelsakkoorden zijn wij zeer voor de totstandkoming van European Partnership Agreements (EPA's), als mevrouw Ouwehand daarop doelt. Wij vinden dat dat heel goed kan zijn voor de ontwikkelingslanden. Er zitten overgangsbepalingen in, evenals hulp die wordt gegeven aan ontwikkelingslanden om hun belastingsysteem en handelssysteem op orde te brengen, zodat zij de concurrentie kunnen aangaan met andere landen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben het niet helemaal eens met wat mevrouw De Caluwé zegt over de landbouwsubsidies. De VVD is inderdaad wel kritisch op landbouwsubsidies als er Europese verkiezingen voor de deur staan, maar in de praktijk heeft de landbouwwoordvoerder van de VVD het altijd over "boerengeld dat naar het boerenerf moet". Dat gaat dan over Nederlandse bedrijven, vaak heel grote bedrijven. We weten dat landbouwsubsidies de positie van ontwikkelingslanden verstoren. Als de VVD dus zegt niet meer geld te willen steken in ontwikkelingssamenwerking, is zij dan in ieder geval bereid om daar ook echt consequenties aan te verbinden, namelijk dat die subsidies ontwikkelingslanden niet in de weg mogen zitten, in elk geval niet op het niveau waarop zij dat nu doen?

Mevrouw De Caluwé (VVD): Ik denk dat we nu niet een debat moeten gaan voeren over Europese landbouwsubsidies en de effecten daarvan op het Nederlandse landbouwbeleid, dus over bestaande subsidies en de vraag hoe je daarmee omgaat. We zijn voor vrijhandel. Wij zijn er absoluut voor, te zorgen voor een eerlijk systeem waaraan ieder land kan bijdragen. Bij EPA's heb je dat. Dat is een mogelijkheid voor ontwikkelingslanden om mee te doen op het internationale vlak. Echter, om bepaalde redenen willen zij daar graag niet aan meedoen, terwijl er toch een enorme overgangstermijn is. Op termijn zullen ze mee moeten doen op het internationale toneel. Waarom pakken zij dan niet die kans, zodat wij ervoor kunnen zorgen dat zij er langzaam in kunnen groeien? Vandaar, vrijhandel: ja, maar EPA's ook.

(…)

De heer Van Klaveren (PVV): Voorzitter. Zoals wellicht bekend is de PVV een groot tegenstander van staatsontwikkelingshulp, behoudens noodhulp. Het is geen taak van de Nederlandse overheid om toiletten te bouwen in Mali, re-integratietrajecten te bekostigen voor piraten in Somalië en vakbonden te helpen in Bangladesh, en ook het seksleven in Burundi is geen zaak van onze overheid. De PVV gelooft, in tegenstelling tot de PvdA en inmiddels ook de VVD, niet in de maakbaarheid van de samenleving, niet in Nederland maar zeker ook niet daarbuiten. De enige structurele manier om economische groei te bewerkstelligen is vrijhandel bevorderen; iets wat de VVSD misschien nog een keertje na moet slaan. Betere toegang tot medicijnen en water is verder primair een gevolg van de mondiale economische groei, sinds de jaren tachtig met meer dan 100%. De PVV roept net als de deskundigen Moyo en Djankov, die ik al vaker heb aangehaald, niet voor niets "trade not aid". (…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We gaan het niet eens worden over de vraag of we overheidsgeld moeten steken in ontwikkelingssamenwerking. Ik zou echter wel graag het volgende willen weten. De PVV wil mensen in moeilijkere posities niet helpen met overheidsgeld. Kan de heer Van Klaveren zeggen of hij dan ook vindt dat wij die mensen het moeilijker mogen maken dan ze het toch al hebben door de manier waarop wij hier in het westen leven en de manier waarop wij via verdragen internationale politiek bedrijven?

De heer Van Klaveren (PVV): De PVV zegt helemaal niet dat mensen die het moeilijk hebben, geen hulp mogen krijgen. Ik gaf net aan, en volgens mij heb ik dat inmiddels al meer dan 100 keer gedaan, dat wij voorstander zijn van noodhulp. Als mensen acute hulp nodig hebben, als gevolg van een overstroming, een vulkaanuitbarsting, een aanslag of noem maar op, is de PVV niet tegen hulp. Wat het andere punt betreft: wij zijn een groot voorstander van vrijhandel, in tegenstelling tot de VVD. Die vrijhandel zou een hele hoop zaken oplossen. In de geschiedenis zien we ook dat er geen enkel systeem behalve het kapitalisme gezorgd heeft voor zo veel groei van de welvaart en dus ook van het welzijn. Dat lijkt mij een uitstekend verhaal voor hulp aan mensen die het minder hebben; meer kapitalisme en meer vrijhandel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Je weet bijna niet op welk punt je moet reageren, want er zit zo veel onzin in! De PVV erkent toch ook dat zelfs in Nederland de vrije markt ervoor kan zorgen dat sommige mensen -- misschien heten zij wel Henk en Ingrid -- wellicht iets minder de vruchten plukken van het kapitalisme dan mensen die Groenink als achternaam hebben? De PVV kan toch niet volhouden dat vrij kapitalisme iedereen altijd maar in staat stelt om er de vruchten van te plukken en dat het niemand benadeelt? Het is uw politiek primaat om juist op te komen voor mensen die in de knel komen, mijnheer Van Klaveren. Dat gebeurt toch ook in ontwikkelingslanden? Kom nou, zeg!

De heer Van Klaveren (PVV): Wat mijn collega zegt, is inderdaad waar. Daarom zijn wij tegen staatsontwikkelingshulp. Wij zijn heel erg voor hulp in Nederland aan Nederlanders. Wij zijn namelijk gekozen voor het Nederlandse volk in Nederland en niet voor de bevolking van bijvoorbeeld Burundi.

Beantwoording door de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

(…) Ik maak van de gelegenheid gebruik om iets tegen mevrouw Ouwehand te zeggen. Zij sprak over coherentie van beleid. Kun je met de ene hand geven, zonder met de andere hand te nemen? Ik vertaal het maar even positief. Een van de manieren waarop we dat doen, is dat we belastingverdragen met ontwikkelingslanden gaan heronderhandelen. We gaan alle 23 verdragen voorzien van een antimisbruikbepaling als het land in kwestie daar prijs op stelt. Dat betekent dat er meer local resource mobilisation komt, dus meer belastingheffing in de landen zelf. Wij vinden dat die middelen, in navolging van wat wij zelf doen, ten goede moeten komen van de bevolking en de sociale sectoren. Via een omweggetje grijpen we de mogelijkheden aan die zich voordoen, ook binnen de portefeuilles van andere ministers. Daar hebben we ook al een aantal heel goede resultaten mee geboekt. (…)
Ik wil ook iets zeggen over voedselzekerheid en agrarisch beroepsonderwijs, en over de punten van mevrouw Ouwehand. We werken op verschillende manieren met kleine boeren. Overigens zijn de kleine boeren vaak kleine boerinnen. We moeten oppassen dat we de dingen niet onnodig klein maken, terwijl je oog wilt hebben voor het belang van kleinschaligheid. Ik geloof dat mevrouw Ouwehand dat met mij eens is. We werken op een aantal manieren met die boeren samen, ook met het oog op het uitvoeren van de motie rondom de agro-ecologie. Ik steun bijvoorbeeld het Centre for Agriculture and Bioscience International. Dat werkt met landbouwvoorlichters om boeren en boerinnen voorlichting te geven over de manier waarop ze ziektes in hun planten kunnen voorkomen. Die voorlichters zitten op markten en staan op allerlei verzamelplaatsen en bespreken daar met boeren en boerinnen het aanbod dat ze hebben en manieren om dat aanbod vrij te maken van dierziektes die zowel de opbrengst verkleinen als de waarde van de opbrengst. Men krijgt ter plekke advies om zo min mogelijk bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Agro-ecologie heeft ook te maken met laagdrempelige voorlichting en niet alleen met programma's die over de hoofden van de mensen heen op universiteiten draaien.
Wat mij betreft, gaat agro-ecologie ook over het beter organiseren in boerencorporaties. Climate-smart agriculture is overigens een leidraad voor mijn collega staatssecretaris Dijksma. We proberen landbouwsystemen aan te passen op de klimatologische veranderingen zoals grotere variaties in regenval en temperaturen. Er worden nieuwe gewassen ontwikkeld die passen bij de nieuwe omstandigheden, meer en effectievere irrigatie. Er wordt ook gekeken naar het verbouwen van landbouwgewassen die minder bijdragen aan de uitstoot van broeikasgassen. Dat zal mevrouw Ouwehand zeker ook aanspreken. Voor de investeringen die wij doen met private partijen, gelden de OESO-richtlijnen. Dat gesprek met de heer De Schutter ga ik graag aan. Ik weet eerlijk gezegd niet of het al in de agenda staat, maar als dat nog niet gebeurd is, dan is dat puur om agenda-technische redenen. Overigens heb ik in Davos met vele anderen bijgedragen aan bijeenkomsten rondom dit onderwerp, de zero-hunger challenge bijvoorbeeld. Zo steunen wij ook een Nederlands bedrijf dat zich bezighoudt met zaadveredeling, op punten waar de kennis daarover die wij hier vergaren en de lokale kennis over zaadveredeling ter plekke elkaar versterken. Dat heb ik ook in Myanmar gezien. Ik geloof dat ik dat in het begrotingsdebat al heb gezegd.

(…)

Ik heb nadrukkelijk gezegd dat kleinschalige boeren en boerinnen in de benadering van het thema voedselzekerheid een sleutelrol vervullen. Er is een beleidsdoorlichting voor het hele programma van voedselzekerheid gepland voor 2016. Zo lang hoeven we niet te wachten. Er is een effectonderzoek gepland voor het programma van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) in 2014. Agriterra en Solidaridad zijn aan de beurt in 2015. We krijgen dus de komende jaren een goede kans om op basis van evaluaties daarover te spreken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Waardering voor de inspanningen van de minister. Ze probeert als een ware landbouwminister hier uit te leggen wat de inzet is. Ik heb daar echter wel een beetje ervaring mee, en ik heb het gevoel dat agro-ecologie wordt omgekat naar climate-smart agriculture. Kan de minister gewoon op papier zetten -- dat hoeft niet nu -- wat de criteria zijn? Het antwoord op een aantal andere vragen die ik heb gesteld, mag zij ook schriftelijk geven. Het stelt mij wel teleur dat het kabinet nog niet heeft gesproken met Olivier De Schutter. Nu is er aanstaande zaterdag een belangrijke voedselconferentie waar hij spreekt, in Wageningen. Andere collega's zijn ook van harte uitgenodigd. Misschien kan dat helpen? Ik wil de minister in aanvulling daarop vragen wat zij vindt van de voedselvisie die staatssecretaris Dijksma heeft gepresenteerd. De staatssecretaris heeft ons toegezegd dat zij terugkomt op de visie van de mensenrechtenrapporteur op het recht op voedsel. Dat heeft zij niet gedaan. Als ik dan aan de minister vraag hoe zij breder kijkt naar wat andere departementen doen, dan vind ik dat een gemiste kans. Is zij bereid om alsnog, samen met de staatssecretaris van Landbouw, een voedselvisie te presenteren voor wereldwijde voedselzekerheid, gebaseerd ook op de inzichten van de VN-mensenrechtenrapporteur?

Minister Ploumen: Ik ben zeer bereid om nader in te gaan op de manier waarop wij die motie vormgeven. Als u het goed vindt, voorzitter, doe ik dat in een brief of in een rapportage die toch al gepland is. Ik kijk daar even naar. Dat is niet een manier om het over de zomer heen te tillen, zeg ik daar geruststellend bij tegen mevrouw Ouwehand. Wat ik lastig vind aan dit debat, zeg ik in alle eerlijkheid, zijn de dilemma's. Die gaan we hier ook de komende vier minuten niet oplossen. Ik probeer een indruk te geven hoe ik die dilemma's zie. We hebben straks 9 miljard mensen die gevoed moeten worden. We hebben een aarde die we haar waarde moeten laten behouden en die we niet willen uitputten. We hebben er inzichten over hoe kleinschalige boeren en boerinnen op een mijns inziens verantwoorde wijze hun productiviteit kunnen verbeteren, langs wegen die ook mevrouw Ouwehand ziet. Ik zie echter ook dat er alweer verschil van inzicht is tussen bijvoorbeeld de heer De Schutter en Wageningen University. Dat debat kunnen we voeren, maar daar weet ik zo uit mijn hoofd niet voldoende van en er ontbreekt ons ook de tijd.

Ik probeer met mijn beleid nadrukkelijk, een goede balans te vinden in het op waarde schatten van de kennis, expertise en organisatievorm van boeren in ontwikkelingslanden, terwijl ik hen ook niet de inzichten wil onthouden die wij wereldwijd in verschillende contexten opdoen over productiviteitsstijging. Een uur dat een vrouw kan besteden aan leren lezen en schrijven in plaats van onnodig op het land te werken, is toch ook een uur met een hoog rendement. Ik was in Myanmar, waar de boeren nu de beschikking krijgen over Chinese bestrijdingsmiddelen. Die doen ze allemaal samen in één plastic zakje en dat ligt dan ergens voor het grijpen voor iedereen. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Dus onze meer verantwoorde wijze van omgaan met bestrijdingsmiddelen is dan toch wel weer de moeite waard van het bespreken met de plaatselijke boeren. Het veld zit vol met dilemma's. Ik zeg mevrouw Ouwehand graag toe dat ik nog eens wil kijken, ook op basis van de resultatenrapportage en van wat er in de nota Wat de wereld verdient al over staat, of ik nog iets meer inkadering kan geven om haar niet alleen het gevoel te geven dat wij serieus omgaan met de uitvoering van die motie, maar dat ook met letters op papier te bewijzen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister heeft veel woorden nodig om duidelijk te maken dat zij voedselzekerheid toch echt heel belangrijk vindt en wat het probleem is dat op ons afkomt, en dat klopt allemaal. Daarom hebben de VN een rapporteur aangewezen om onafhankelijk te kijken wat de beste garantie is voor het voeden van de wereld in de toekomst. Dan kan het niet zo zijn, zou je denken, dat een kabinet met nota bene PvdA-bewindspersonen op de belangrijkste posten, nog niet één keer de moeite heeft genomen om te spreken met de rapporteur voor het recht op voedsel. Sterker nog, de minister zegt voortdurend over hetgeen zij heeft kunnen lezen in de stukken: ja, maar Wageningen denkt daar anders over. In Wageningen zeggen ze: de bijensterfte is niet erg, want je kunt ook iets anders eten dan appels. Ik vind het onbestaanbaar dat het kabinet de rapporten van de mensenrechtenrapporteur nog niet heeft vertaald naar een visie in zijn beleid. Die vraag ligt er. Is de minister bereid om die toezegging nu te doen? Kan zij nu -- ik wil dat niet in een rapportage lezen -- de criteria aangeven van het beleid waar zij nu op inzet? Ze zegt: wij gaan climate-smart agriculture doen. Prachtig, maar mogen wij misschien weten wat dat is? Kan dat in een briefje naar de Kamer?

Minister Ploumen: Tegenover die ene rapporteur die ik niet gesproken heb, staan er ongeveer 1.563 die ik wel gesproken heb. Het is me iets te makkelijk om daar een soort prioriteringsdebat van te maken. Dat doet echt onrecht aan de inzet die ook collega Dijksma heeft. Of het mij lukt om komende zaterdag met de heer De Schutter te spreken, weet ik niet, maar ik zeg mevrouw Ouwehand nogmaals graag toe dat ik echt zoek naar een moment om dat te doen. Het onderwerp is daar belangrijk genoeg voor. Ik wil ook zeer zeker met collega Dijksma spreken over de vraag op welke manier wij, als daar behoefte aan is in de Kamer, en ik hoor dat die er is, ons internationale voedselzekerheidsbeleid nog eens wat nadrukkelijker in dat perspectief kunnen zetten. Dat lijkt mij geen enkel probleem. Als ik mevrouw Ouwehand daar een genoegen mee kan doen, dan doe ik dat heel graag, want het is voor mij geen enkele moeite.