Bijdrage Ouwehand AO Sociaal-econo­mische aspecten van GGO\'s


21 januari 2010

De heer Waalkens (PvdA):
(...) Met betrekking tot de toelatingsprocedure en de besluitvorming denk ik dat we onder het Verdrag van Lissabon moeten kijken waar de beraadslagingen plaatsvinden en of dat met een gekwalificeerde meerderheid of met een gewone meerderheid wordt besloten. Voor onze beoordeling van de positie van andere landen vind ik dat van belang. Is het voor ons over en uit als we overruled worden of gaat het dan terug naar de EFSA en komt het vervolgens terug bij de Commissie? Onder het huidige gesternte hebben we geconstateerd dat de EFSA het mandaat had om de toetsing op veiligheid van mens, dier en natuur te doen, het vervolgens bij de Commissie terechtkomt en de Commissie het voorlegt aan de Raad. In het geval de Raad er niet uitkomt, gaat het terug naar de Commissie en vervolgens weer naar de EFSA. Zo bleef het maar doorlopen. Ik hoop dat door het Verdrag van
Lissabon daar veranderingen in aangebracht worden. Dit houdt wel in dat, als er besloten wordt met een gewone meerderheid, een toelating niet geforceerd wordt maar naar voren komt uit de beraadslagingen in de Raad.(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hoorde de heer Waalkens namens de PvdA-fractie inzoomen op de besluitvorming. Dat zijn relevante vragen. Ik had echter verwacht dat de PvdA-fractie specifieker zou zijn geweest over duurzame landbouw. Het regeerakkoord spreekt duidelijk over duurzaamheid, maar deze minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zegt dat verduurzamen een werkwoord is en we weten als Kamer eigenlijk niet waar we met die duurzame landbouw heen moeten. Het kabinet geeft daar geen duidelijkheid over. Wat ziet de PvdA-fractie als duurzame landbouw?

De heer Waalkens (PvdA):
Ik heb aan het begin van mijn betoog gezegd dat biotechnologie en genetische manipulatie een bijdrage kunnen leveren, maar ik heb dat geconditioneerd. Ik heb gezegd dat het niet geïntroduceerd wordt zonder dat er gekeken wordt naar de sociaaleconomische criteria. Ik heb dat gespecificeerd door te zeggen dat we de leidraad hebben via de Cramercriteria. Deze criteria zijn door de COGEM aangevuld tot negen criteria. Het is goed om te definiëren wat duurzaam is. We hebben al eerder gesproken over
de Nota Duurzaam voedsel en in die discussie spraken we over hoe we meer helderheid kunnen krijgen over het begrip duurzaamheid.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. De minister van Landbouw discussieert graag op basis van feiten over het dossier gentechnologie. Ik heb enkele feiten opgezocht. In India zijn er katoenboeren die zelfmoord plegen door Round Up te drinken omdat ze niet genoeg verdienen op Round Up Ready-katoen om de extra investeringen in bestrijdingsmiddelen en
zaaigoed te kunnen betalen. Er zijn mooie beloften gedaan en die mensen zitten in zak en as.

Een ander feit is dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen toeneemt in plaats van afneemt. De gentechnologie-industrie belooft al dertig jaar dat ze een einde gaan maken aan honger door bijvoorbeeld droogtetolerantiegewassen te maken. Hiervan hebben we echter nog niets gezien. Ketens zijn niet uit elkaar te houden dus keuzevrijheid is niet gegarandeerd. Het belangrijkste is dat we gentechnologie niet nodig hebben om het wereldvoedselvraagstuk op te lossen. Er zijn risico’s verbonden aan gentechnologie. Als het niet nodig is, waarom moeten we er dan toch aan? Kunnen de ministers mij dat uitleggen? Ik ben er vrijwel zeker van dat we er spijt van zullen krijgen. Als we er spijt van krijgen dan is het te laat want de gevolgen van gentechnologie voor onze ecosystemen, de biodiversiteit en de agrarische biodiversiteit zullen onomkeerbaar zijn. Ik hoor hierop graag een reactie van het kabinet. Waarom moeten we zo nodig?

De PvdD heeft de motie om te komen tot de criteria van de ChristenUnie destijds niet gesteund. Niet omdat wij denken dat het opstellen van criteria een slecht idee is, maar omdat we er met dit kabinet geen vertrouwen in hebben. Sinds deze motie is aangenomen hebben wij niets anders gezien dan een minister van LNV die seminars zo heeft ingericht dat vooral de geluiden die de minister graag wil horen, aan bod komen. Wetenschappers worden aangehaald waarvan we in NRC hebben kunnen lezen dat de voorzitter van de raad
van bestuur van Wageningen Universiteit een brief naar de Kamer heeft gestuurd waarin staat dat een aantal zaken niet klopt. Ik ontvang daar graag een reactie van de minister op. De minister en het kabinet willen geen eenduidige definitie geven van wat zij zien als eindstation voor duurzame landbouw. Daar wringt de schoen. We hebben een prachtig initiatief van de Verenigde Naties gezien, de IAASTD. Daar zitten vierhonderd landbouwwetenschappers in die gezamenlijk hebben gezocht naar een manier waarop de voedselzekerheid het beste kan worden gewaarborgd. Dat zijn heel duidelijke aanwijzingen waar het heen moet. Nederland heeft, voor zover mij bekend, dat rapport niet ondertekend en wil ook niet aansluiten bij de conclusies die in dat panel worden getrokken. Op het gebied van klimaat heeft de minister van VROM een prachtig pleidooi gehouden hoe
de wetenschap werkt en dat het voor de politiek belangrijk is om zich bij het maken van beleid op consensus van mensen die er verstand van hebben te kunnen baseren. Waarom doen we dat niet bij de IAASTD? Kan de minister daar duidelijkheid over geven? Ik ben van mening dat we dat moeten omarmen en pas kunnen discussiëren over criteria als we weten hoe we dat verduurzamen gaan vormgeven. Als we niet weten waar we heen willen, is het in handen van de Monsanto’s van deze wereld en van de veevoederindustrie. Dat ligt allemaal
onder de discussie die we hier voeren. Als we dat niet uitspreken gaat het de verkeerde kant op.

Wij waren argwanend over het opstellen van criteria. De biologische sector heeft in een brief aan de PvdD uitgesproken bang te zijn dat de criteria worden gebruikt om de toelating en de teelt van gentechnologie te versnellen. Ik denk dat ze daar een punt hebben. Indien je over de criteria die er nu liggen wilt spreken, dan zijn daar nog wat vragen over te stellen. Ik heb over het proces al het een en ander gezegd. De minister lijkt vooral te willen varen op wetenschappers die blind vertrouwen op onderzoeken van Monsanto. De minister is met vooroordelen het proces ingestapt. Kritische geluiden waren niet erg welkom en een statement hierover van grote ngo’s werd letterlijk afgebroken tijdens het seminar. Dit is allemaal niet erg transparant. De COGEM zegt dat voor biodiversiteit de EU-regelgeving op dit moment afdoende is en dit verder niet bediscussieerd hoeft te worden. Ik vraag me af of dit waar is. Met name de biodiversiteit komt in gevaar en de EFSA toetst daar onvoldoende op. Waarom worden deze criteria alvast in de koelkast gezet als er over criteria wordt gesproken? Voor de PvdD is het belangrijk dat lidstaten zelf moeten kunnen bepalen of zij ggo’s weigeren op eigen gronden. Welke waarborgen biedt het voorliggende plan hiervoor? Collega Polderman heeft hier ook over gesproken. Welke risico’s loopt Duitsland als Nederland het wel toestaat en Duitsland niet? Schat het kabinet op basis van de criteria die nu voorliggen en het proces dat we ingaan, in dat bijvoorbeeld Round-Up Ready-soja door de criteria komt? Als we daar duidelijkheid over kunnen krijgen dan hebben we in elk geval een startpunt.

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De COGEM heeft in haar criteria aangenomen dat keuzevrijheid, biodiversiteit en milieukwaliteit al voldoende geborgd zijn in de huidige regelgeving. Het kabinet lijkt zich daarbij aan te sluiten. Maar daar zijn nog wel wat vragen over te stellen. Deelt de ChristenUnie die conclusie of gaat de ChristenUnie mee in de
stellingname van de COGEM?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Wat we in ieder geval delen is dat er op alle fronten nog vragen zijn te stellen. Ik heb vandaag vooral de focus gelegd op de criteria die er wel liggen en op die punten die de ChristenUnie in ieder geval van belang vindt. Biodiversiteit, EFSA en veiligheid blijven punten van aandacht, maar ik heb daar vandaag niet de focus op gelegd.

(...)

Minister Verburg:
Mevrouw Ouwehand vraagt naar de toegevoegde waarde van ggo’s, daar heb ik antwoord
op gegeven.
Ik heb het ook over het uitnodigingsbeleid op de conferentie gehad. Ik kom op de vraag van mevrouw Ouwehand en mevrouw Wiegman over het onderzoek waar professor Bino op de nationale conferentie uit citeerde. Ik heb ook het artikel in de NRC gezien en de reactie daarop van de heer Dijkhuizen. In het artikel staat abusievelijk dat
ik de heer Dijkhuizen zou hebben verzocht om een brief aan de Kamer te sturen. Dat heb ik niet gevraagd, hij heeft dat uit eigen beweging gedaan. Het is van belang om te zeggen dat het artikel waar het over gaat door de wetenschappelijke peer group is beoordeeld en goed bevonden. Als de Kamer de heer Dijkhuizen en professor Bino eens wil uitnodigen om met ons van gedachten te wisselen, bijvoorbeeld over de rol die universiteiten zouden kunnen spelen in het kader van nader onderzoek, toegevoegde waarde en verdere verbredingen van de toepassingen, dan kan dat. Het is een kans om hen daar rechtstreeks over te spreken. De heer Dijkhuizen en professor Bino zullen daar zeer graag gehoor aangeven. Dat zou ik de Kamer willen meegeven.

(...)

Minister Verburg:
(...) Mevrouw Ouwehand had een vraag over de EU-regels inzake biodiversiteit. Zij vraagt waarom wij de EU-regels biodiversiteit in de ijskast zetten nadat de COGEM zegt dat deze afdoende zijn. Het is een verkeerde interpretatie van hetgeen we bedoelen. We zetten niets in de ijskast. Bedoeld wordt dat er een kapstok is om aandacht te besteden aan de sociaaleconomische aspecten ten aanzien van de biodiversiteit. Er wordt zeker aandacht aan besteed. (...)

(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik ben zeer ontevreden maar ik focus in mijn tweede termijn op de wetenschappelijke discussie. De minister van Landbouw zegt dat de heer Dijkhuizen een brief heeft gestuurd waarin hij zegt dat het artikel via peer review is gegaan. Dat zogenaamde peer review-tijdschrift is een platform van de industrie, PG Economics, en de minister van VROM zal wel weten wat ik bedoel als ik zeg dat dit tijdschrift geen ISI Rating heeft en daardoor geen enkele wetenschappelijke betekenis heeft. In het onderzoek zelf is veel informatie gebaseerd op informatie van Monsanto. Deze minister heeft iemand in huis gehaald bij haar conferentie die onderzoek heeft geciteerd dat
gefinancierd werd door de industrie, gebaseerd op gegevens van de industrie en gecontroleerd werd door een platform van industrie. Op basis van die gegevens zitten wij hier nu te discussiëren. De vragen die ik stel over de IAASTD, 400 wetenschappers en door 60 landen ondertekend, worden niet beantwoord. Wat is hier aan de hand?

(...)

Minister Verburg:
Ik heb nog niet gereageerd op de vraag van mevrouw Ouwehand. Het onderzoek dat Bino aanhaalt, zou niet gepubliceerd zijn in een wetenschappelijk tijdschrift. Het onderzoek is gepubliceerd in AgBioForum, een internationaal wetenschappelijk tijdschrift. Mevrouw Ouwehand vroeg naar de positie van de IAASTD, die genuanceerd is over het gebruik van alle technologieën, inclusief de inzet van biotechnologie. Volgens de IAASTD kunnen agrarische kennis, wetenschap en technologie alléén geen oplossing bieden voor de problemen in de landbouw die worden veroorzaakt door de complexe politieke en sociale dynamiek, maar kunnen ze een grote bijdrage leveren aan de ontwikkelings- en duurzaamheiddoelstellingen. Het is zelfs volgens deze organisatie nooit eerder zo belangrijk geweest voor de wereld om agrarische kennis, wetenschap en technologie te genereren en te gebruiken. Een kritische noot van dezelfde organisatie is dat het investeren in biotech samen moet gaan met het investeren in de bredere ontwikkeling van de agrowetenschappen. Dat kan ik alleen maar voluit beamen en daar wil ik ook voluit mijn bijdrage vanuit Nederland aan geven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb de minister niet gewezen op het tijdschrift waarin het artikel is gepubliceerd, ik heb gewezen op de peer review. Daar gaat deze minister niet op in. Mijn vraag over de IAASTD is of wij dat rapport gaan ondertekenen. Sluit Nederland zich aan bij de conclusies van dat rapport?

Minister Verburg:
Ik heb net aangegeven dat dit de belangrijkste opvattingen van de IAASTD zijn. Als er een rapport verschijnt, wordt er niet per land een handtekening onder gezet, maar ik kan me zeer goed vinden in deze lijn. Dat lijkt mij een heel zorgvuldige lijn. Ik heb van de heer Dijkhuizen begrepen dat die peer group wel heeft plaatsgevonden, maar ik heb hier geen zin in een welles-nietesspelletje. Ik ben daar zelf niet bij geweest. Ik raad mevrouw Ouwehand aan eens in gesprek te gaan met de heer Dijkhuizen of met de heer Bino.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dit gaat over een van de vier sprekers die de minister heeft uitgenodigd voor een seminar. Daar zijn vragen over en dan zegt de minister dat ik hem zelf moet uitnodigen om te kijken wat hij heeft bedoeld. Dit speelt een rol in de conclusies die de minister aan de conferentie heeft verbonden, aan de discussie die we op basis daarvan hier
in de Kamer voeren. De minister moet dat zelf ook van een oordeel voorzien.

Minister Verburg:
Nu doet mevrouw Ouwehand zichzelf tekort of mevrouw Ouwehand weet niet meer precies wat er op dat seminar is gebeurd. We hadden daar inderdaad vier sprekers en de vijf conclusies die ook voor de regering belangrijke toetspunten zijn en die ik zojuist heb genoemd, waren niet een-op-een te herleiden tot het verhaal van de heer Bino. Ik heb mijn antwoord gegeven. Dat doe ik op gezag van de melding en de specifieke vraag
die ik daar vanmiddag nog over heb gesteld aan de heer Dijkhuizen. Ik heb geen enkele reden om aan het antwoord van de heer Dijkhuizen te twijfelen.