Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad


16 april 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. We konden er nauwelijks omheen: de zuiveldiscussie en de melkprijzen. Ik was verbaasd toen ik de minister onder een van de koeien zag hangen die naar de Haagse binnenstad waren getransporteerd en hier twee dagen aangebonden hebben gestaan. Toen ik dat zo bekeek, dacht ik: dit houdt eigenlijk een beetje het midden tussen dieren behandelen als speelgoedbeesten en als publieke vrouwen. Iedereen die dat lollig vond en wel even wilde kijken hoe dat nou ging, een koe melken, kon eronder gaan hangen. Ik vond dat weinig ...

De voorzitter: Ga wel een beetje gepast met uw taal om.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb een zeer zorgvuldige woordkeuze gehanteerd, dacht ik. Ik vraag me eigenlijk af hoe de minister hiertegen aankijkt in het kader van haar pleidooi dat mensen vooral bij zichzelf te rade moeten gaan over de wijze waarop je met dieren omgaat en over een respectvolle omgang. Hoe zit het met het opvoeden van de burger in dat opzicht?

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik wil hier toch even een opmerking over maken, want ik vind dat mevrouw Ouwehand wel heel negatief insteekt. Het zijn wel mensen die hier voor de goede zaak waren. Zij hebben me gisteren nog eens verteld hoeveel mensen er op bezoek zijn geweest die nog nooit een koe in het echt en van zo dichtbij hadden gezien. Hun aanwezigheid had ook zeker een heel grote educatieve waarde. Dat wilde ik er nog even naastzetten. Het is niet alleen het beeld van mevrouw Ouwehand.

De heer Polderman (SP): Het is bij de verontwaardiging van de Partij voor de Dieren een beetje alsof de pot de ketel iets verwijt. Ik zag zojuist in het Agrarisch Dagblad een foto van een koe met een mooi spandoek van de Partij voor de Dieren voor de Europese verkiezingen. Als mevrouw Ouwehand het dus heeft over misbruik of gebruik van dieren voor een campagne, moet zij ook naar zichzelf kijken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Die opmerking had ik natuurlijk wel verwacht. Er is een verschil tussen het op transport zetten van dieren uit hun eigen omgeving, in dit geval de stal, en het gebruikmaken van dekjes die regulier wel eens door de betreffende biologisch-dynamische melkveehouder bij koeien worden toegepast, zowel in de winter als bij ziekte. Wij gebruikten die dekjes kortdurend, binnen de leefomgeving van de koe. Ik vind het goed dat de heer Polderman dit punt aansnijdt en wij zijn er heel zorgvuldig in.

De heer Polderman (SP): Nu wilt u zeggen dat de boeren die hun koeien op het Plein hebben gezet, niet zorgvuldig waren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, dat denk ik. Dieren van het platteland naar de binnenstad slepen om ze hier tentoon te stellen en om ze door iedereen die dat wel lollig vindt even te laten melken, is iets heel anders dan even gebruikmaken van dekjes die de dieren onder normale omstandigheden ook dragen als de boer dat goed acht. Aan mevrouw Jacobi zou ik willen vragen: welke educatieve waarde gaat er uit van een aangebonden koe in een stedelijk gebied, die je dus niet in haar natuurlijke gedrag kunt observeren? Ik denk dat daar verkeerde signalen van uitgaan.


De voorzitter: Laten we hier niet te uitgebreid op ingaan. Ik vond het wel jammer dat er geen roodbonte koe bij was! Die miste ik een beetje.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Welja, verschillende kleuren en smaken. Ik hoor nu verschillende collega’s zeggen dat ik niet zo zuur moet doen. Nou, de melk was zuur. Ik hoorde de voorzitter van deze commissie nog klagen ook, dat de koeien een beetje droog waren en weinig melk gaven. Ja, hoe haalden ze het in hun hoofd.
Maar nu even goed nieuws: het verbod op transgene maïs in Duitsland. Ik sluit me aan bij de heer Polderman en de vragen die hij daarover heeft gesteld. Het lijkt mij dat we de vlag kunnen uitsteken en ik vraag me af hoe de minister ertegen aankijkt. Ik vraag haar ook om te reageren op het bericht in NRC Handelsblad dat die maïssoort onder andere schadelijk lijkt te zijn voor lieveheersbeestjes.
Ik heb vergeten de minister een vraag te stellen over melkvee. De koppeling tussen de prijzen voor de biologische melk en de gangbare melk is een doorn in het oog van de biologische melkveehouders. Ziet de minister mogelijkheden om een ontkoppeling tot stand te brengen? Mijn laatste vraag gaat over de aangenomen motie over een importverbod op dons van levend geplukte ganzen. Hoe gaat de minister die uitvoeren? Het verschil tussen levend plukken en oogsten is een semantische kwestie. Oogsten gebeurt nog steeds van levende dieren en volgens mij ligt heel snel een slechte naleving van de regels op de loer, omdat je niet achter elke boom een AID’er kunt zetten om te kijken of het oogsten niet op de verkeerde momenten gebeurt. Hoe valt het onderscheid te maken? Het belangrijkst is dat de motie wordt uitgevoerd. Ik hoor graag van de minister hoe ze dat gaat doen.

Antwoord van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Minister Verburg: […] De heer Polderman en mevrouw Ouwehand spraken over het besluit van mijn collega Ilse Aigner in Duitsland. Zij heeft gezegd veiligheidsproblemen te zien bij een speciaal soort genmaïs, en die maïs om die reden niet te willen toelaten. Wij hebben daar spelregels voor. We hebben daar in de Kamer eerder over gesproken. Als dit zo is, zal Duitsland het moeten voorleggen aan de Europese Commissie. Het gaat hier namelijk om een soort maïs die is toegelaten en die is getest door de EFSA, een wetenschappelijk instituut dat gedegen werk doet. Op grond van de tests besluit de Landbouwraad, dan wel de Europese Commissie. Ik heb deze berichten uit de krant, net als de commissieleden. Ik ken de onderbouwing en de argumentatie dus niet goed; alleen op basis van krantenberichten. Ik hecht op dit dossier aan zorgvuldigheid en degelijkheid; dat mag bekend zijn. Daarom zal ik mij volgende week laten informeren door mevrouw Aigner over de precieze onderbouwing van een en ander. Ik ga ervan uit dat zij zich aan de spelregels in de Europese Unie houdt en dus een verzoek zal indienen bij de Europese Commissie om de maïs niet te hoeven toelaten. Zij zal dat zorgvuldig onderbouwd moeten doen en dat vind ik terecht.
Ik heb verschillende leden horen zeggen dat het Europese landbouwbeleid belangrijk is: geen renationalisatie maar een Europees landbouwbeleid omdat dat ons in het verleden veel heeft gebracht en omdat dat ons in de toekomst nog veel moet brengen. Want landbouw is van cruciaal belang voor de toekomst en voor de vraag hoe wij de wereld op een verantwoorde wijze voeden; niet alleen nu, maar ook over 40 jaar. Ook dan zal gemeenschappelijk Europees landbouwbeleid belangrijk zijn. Ik ga er dus zonder meer van uit dat lidstaten met zo’n grote verantwoordelijkheid als Duitsland zich aan de Europese spelregels houden. Als landen het niet met de spelregels eens zijn, moet je aan de slag gaan om de spelregels te veranderen en daar maak je dan met elkaar weer afspraken over.
Wat heeft dat voor consequenties voor mijzelf, voor onze opstelling? Wij hebben vorige week vrij uitvoerig met elkaar gesproken over genetisch gemodificeerde organismen en biotechnologie. Minister Cramer en ik hebben toen toegezegd om de Kamer een brief te schrijven. De Kamer krijgt die brief en zal ons op grond daarvan ongetwijfeld weer uitnodigen om te overleggen. Mijn inzet is echter: als de spelregels die we nu hebben, niet meer geschikt zijn voor de huidige en de toekomstige ontwikkelingen, dan verander je de spelregels. Dan zeg je niet: ik ga nu maar eventjes buitenspel staan of ik onttrek me er maar even aan. We hebben die spelregels niet voor niets afgesproken. Je houdt je eraan of je zet je ervoor in om ze te wijzigen, maar je gaat niet «alleen buitenspelen».
[…]
Mevrouw Ouwehand vroeg hoe ik aankijk tegen de ontkoppeling van de
prijs van biologische melk en die van gewone melk. Dat is een zaak van de
markt.

De voorzitter: Er is een vraag blijven liggen van mevrouw Ouwehand over het invoerverbod op ganzendons.

Minister Verburg: Ik ben bezig te bekijken hoe ik die motie kan uitvoeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het mag ook schriftelijk, maar als de minister kan aangeven wanneer wij daarover worden geïnformeerd, weten wij meer.

Minister Verburg: Het is belangrijk om te bekijken hoe wij daarmee
omgaan. Ik ben op dit punt zo zorgvuldig als nodig is en zo voortvarend
als mogelijk is.

De voorzitter: Tot zover de Landbouwraad. Nu gaan wij over naar de
Visserijraad.

Vragen en opmerkingen uit de commissies
Mevrouw Jacobi (PvdA): Voorzitter. Ik begin met het meest algemene
onderwerp, het Groenboek over hervorming van het gemeenschappelijk
visserijbeleid. Hoeveel minuten spreektijd hebben wij trouwens?
De voorzitter: Nou, laten wij maar uitgaan van twee minuten.
Mevrouw Jacobi (PvdA): Nee.
De voorzitter: Dat deden wij ook in het vorige overleg. Houd het maar op
drie minuten.
Mevrouw Jacobi (PvdA): […] In het kader van Cites wil ik het Aalbeheerplan aan de orde stellen. Ik ben blij dat de minister zich wil inzetten voor het Europese exportverbod. Wel zou ik graag willen dat zij aandacht besteedt aan de volgende kwestie, die een loyaliteitsconflict kan opleveren. Onze vertegenwoordiger in de adviescommissie voor Europa is dezelfde vertegenwoordiger die in het kader van IMARES in Nederland een ander plan had bepleit, met onder andere een vangstverbod. Hij is geen voorstander van het nu gemaakte Nederlandse Aalbeheerplan. Volgens mij kan het, ook voor die persoon zelf, vervelend zijn om daar in een heel andere hoedanigheid in Europa weer een advies over te moeten geven dat een zeer essentiële rol speelt. Ik zou graag willen weten wat de minister hiervan vindt en of er mogelijkheden zijn om te voorkomen dat deze persoon in een loyaliteitsconflict komt. Er moet sprake blijven van een grote objectiviteit. Hier wordt al veel over gesproken en ik denk dat dit geen goede zaak is.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik verbaas mij over het laatstgenoemde punt. Volgens mij is IMARES een onafhankelijk instituut voor wetenschappelijke adviezen. Als de Kamer de onafhankelijkheid van IMARES in twijfel trekt, ontstaat er een bijzondere situatie. Ik ben dus benieuwd naar het antwoord van de minister op dit punt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Ik zeg niet dat mensen of de organisatie niet te vertrouwen zijn, maar dit is een heel vervelende positie voor een van de weinige deskundigen die wij op dit punt hebben. Volgens mij is dit zelfs de enige deskundige die wij op dit punt hebben. Hij is hier in de hoorzitting geweest en heeft een heel expliciet advies gegeven over de wijze waarop wij het Aalbeheerplan zouden moeten uitvoeren. Uiteindelijk is er een alternatief gekomen waarvan eigenlijk op voorhand al duidelijk was dat IMARES daar heel grote twijfels bij heeft en dat niet ziet zitten. Die deskundige is volgens mij ook voor zichzelf in een heel vervelende positie terechtgekomen, omdat hij daarna – als er een negatief advies komt – nooit meer het imago krijgt dat hij objectief is. Het gaat gewoon om dat fenomeen. Je moet, los van de procedure, mensen zelf ertegen beschermen dat zij dat beeld al op voorhand met zich meedragen. Dat is heel vervelend. Ik denk dat wij de minister terecht vragen hoe wij dat beeld gezamenlijk recht kunnen zetten, want dat is ook voor IMARES een heel vervelend beeld. Dat is de opmerking.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD): Mevrouw Ouwehand, op zich willen wij de onafhankelijkheid van IMARES helemaal niet in twijfel trekken, maar IMARES heeft natuurlijk wel een heel rare dubbelrol. IMARES heeft ons een advies gegeven. Wij zijn van dat advies afgeweken en nu moet men in Brussel de zaken als het ware controleren. Dat lijkt mij een heel rare spagaat voor IMARES. Daar heb ik grote twijfels bij.

De voorzitter: Laten wij vooral de reactie van de minister afwachten.Daar vroeg mevrouw Ouwehand om.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Precies. Ik wil er nog wel iets over zeggen. Ik ben blij dat de collega’s hun verantwoordelijkheid al op voorhand willen nemen en dat zij, als er vanuit «Europa» via IMARES adviezen komen over de Nederlandse beslissingen, het dan dus niet in hun hoofd zullen halen om oneigenlijke verdachtmakingen jegens IMARES te uiten. Ik proef dat natuurlijk wel. Ik begrijp de door mevrouw Jacobi gesignaleerde gevaren wel, maar die liggen vooral in hoe wij straks met die adviezen omgaan.
IMARES heeft een wetenschappelijk advies gegeven en daar zijn politieke beslissingen over genomen. IMARES kan hetzelfde wetenschappelijke advies gewoon via «Europa» geven. Dan is het aan ons om niet met steken onder de gordel IMARES verdacht te maken, maar laten wij horen wat de minister daarover zegt.
Wij zijn blij dat er een actieplan voor haaien ligt. Dat heeft even geduurd, maar nu ligt er iets. Wij zijn blij dat de minister dat steunt. Ik heb hier wel een aantal vragen over. Wij hebben een mooi document gekregen van een aantal organisaties die de achtergrond voor ons hebben geschetst. Ik ben zo vrij om daar een aantal punten uit te citeren. Een van de doelstellingen is het verbeteren van de kennis over de soorten en hun rol in het ecosysteem en van de kennis over de visserij op deze dieren. Er zijn al enkele onderzoeken, waar ook ICES mee aan de slag gaat. Ik vraag de minister om erop aan te dringen om de beschikbare gegevens snel te gebruiken en het verbeteren van de kennis niet als een soort doekje voor het bloeden en als uitsteltactiek te laten gebruiken in «Europa».
Een andere doelstelling is het waarborgen van de duurzame visserij en een goede regulering van de bijvangsten. Daarvan zeggen de maatschappelijke organisaties dat onderzoek heeft uitgewezen dat onderscheid moet worden gemaakt tussen gerichte visserij op haaien en visserij waarbij haaien als bijvangst worden gevangen. Het is duidelijk dat gerichte visserij op een duurzame manier eigenlijk niet kan. Daarvoor zouden wij dus een totaal vangstverbod moeten afkondigen. Bij de bijvangst gaat het onder andere ook over de roggenpopulaties in de Noordzee en onze eigen boomkorvisserij. Op dat punt zouden wij dus voor visserijbeperkingen moeten gaan. Ik hoor graag van de minister of zij, nadat de conclusies over het plan op zich zijn aangenomen, in het debat wil aandringen op een goede concretisering van de ambities die er nu liggen, zodat wij niet pas over 15 jaar een concreet voorstel aannemen.
Er moet natuurlijk ook een totaalverbod komen op het ontvinnen van haaien. De minister vindt dit een reële optie. Ik vind dat wij daarop moeten inzetten. Dus graag een stevige inzet. Wij kunnen natuurlijk ook niet wegkijken van onze eigen verantwoordelijkheid. De minister is positief over het actieplan. Dat lag in de lijn der verwachtingen, omdat het onze eigen sector nauwelijks raakt. Toch is ook bij onze eigen boomkorvisserij sprake van bijvangst. Wil de minister ook op dat punt maatregelen treffen?
Er zijn weinig gegevens over de bijvangst bij de pelagische visserij in gebieden buiten Europa, waar ook Nederlandse vissers actief zijn. Kan de minister daar meer over zeggen? Kunnen we een beter zicht krijgen op wat daar precies gebeurt?
We krijgen nog stukken over de Nederlandse visie op het Groenboek. Ik vind de uitgangspunten die de minister nu heeft geschetst, vaag: «herstel en duurzaam gebruik van de visbestanden», «perspectief», «doeltreffend, uitvoerbaar en handhaafbaar», bladibla. Dat kan volgens mij al snel wat concreter: een stevige ecosysteembenadering, onafhankelijke advisering en vaststelling door biologen en drastische reducties van de bijvangsten. De minister kent ook mijn pleidooi voor een aanlanding van alle vangst, een verbod op schadelijke vangsttechnieken enzovoorts. Wij horen graag of de minister snel naar een concretisering toe wil.
Wat Cites en de aal betreft, heb ik met belangstelling gelezen dat de minister Cites-beslissingen onder druk van Spanje en Frankrijk onvoldoende vindt. Ik vind dat intrigerend. Is zij van mening dat Cites ook op andere punten wellicht niet functioneert of gaat het alleen over de paling? De heer Polderman heeft al iets gezegd over de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur. Ik heb daar een concrete vraag over. De Nederlandse Raad voor Dierenaangelegenheden heeft al een poosje geleden een advies uitgebracht en een toetsingskader voorgelegd aan de hand waarvan je het kweken van nieuwe vissoorten wel of niet zou moeten toestaan. Volgens mij wordt dat toetsingskader in Nederland nog niet gebruikt. Waarom niet? Ik dring er bij de minister heel sterk op aan om dit toetsingskader in te brengen in de discussie. Daarop krijg ik graag een reactie.
De motie-Jacobi over visserij met staand want is aangenomen. Daar zullen wij dus ook nationaal mee aan de slag moeten.

Antwoord van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor de inbreng in eerste termijn. Ik begin met de onderwerpen die op de agenda voor de Visserijraad staan, allereerst met het Haaienactieplan van de EU. Ik heb gemerkt dat daar brede steun voor is. Dat is zeer terecht. Wij hebben ons sterk ingezet om te komen tot ambitieuze conclusies. Ik zal een aantal van die conclusies noemen, omdat zij recht doen aan opmerkingen die hier zijn gemaakt en die dus in die conclusies worden meegenomen. Ten eerste moet de Commissie komen met een concrete uitvoeringsagenda. Wij laten het dus niet bij onderzoeken of op een rijtje zetten; er moet een concrete agenda aan gekoppeld worden. Ten tweede: omdat je niet alles tegelijk kunt doen, moet er begonnen worden met de soorten die vanwege hun kritieke status op korte termijn actie en inzet behoeven via maatregelen. Ten derde is er de samenhang met diverse internationale – wereldwijde en Europese – verdragen, zoals Cites, de Convention on Migratory Species (CMS) en OSPAR, waarin ook afspraken worden gemaakt over de handel in of de bescherming van kwetsbare dieren. Vervolgens is het van belang om internationaal goed samen te werken, want een Alleingang heeft geen zin. De Commissie wordt ook verzocht om proactief te zijn in regionale visserijbeheerorganisaties, de zogenaamde RFMO’s. Tegelijkertijd hebben we gevraagd om het ontvinbeleid op korte termijn te evalueren en aan te scherpen; daar vroeg mevrouw Jacobi naar. Zij wordt dus op haar wenken bediend. Het is een terechte vraag en het is terecht dat daar zeer nadrukkelijk direct aandacht aan wordt besteed. Deze conclusies moeten nog worden vastgesteld in de Visserijraad. Mijn inzet is om aan die conclusies vast te houden en om zo snel mogelijk een vertaalslag te krijgen naar de praktijk. Ik ben graag bereid om met natuurbeschermingsorganiaties en visserijorganisaties te bekijken hoe een en ander zo snel mogelijk handen en voeten kan krijgen in de praktijk, ook in de Nederlandse situatie.
Mevrouw Ouwehand stelde naar aanleiding van dit punt een vraag over de pelagische visserij. Daarbij gaat het om een gebied bij Mauretanië. Daarover hebben de Europese Commissie en het bevoegd gezag van Mauretanië zorgvuldige afspraken gemaakt. Wij hebben daar al eerder over gesproken. Mevrouw Ouwehand zegt dat er weinig zicht is op de bijvangst van deze pelagische visserij. Daar wordt iets aan gedaan. Sinds 2005 loopt een onderzoek naar het gebruik van ontsnappingspanelen om bijvangst te voorkomen. Ik heb nu geen informatie over wanneer de resultaten van dat onderzoek bekend worden, maar ik zeg graag toe om de pelagische visserij te vragen wat de resultaten van dat onderzoek zijn. Wanneer ik die resultaten heb, zal ik die naar de Kamer zenden.
[…]
Zoals bekend hebben wij hier van tijd tot tijd gesproken over zeedagen en zee-uren, zaken die ik wil meewegen in de nieuwe periode. Maar dan moet ook worden gekeken naar onze mogelijkheden op het gebied van duurzaam bestandsbeheer. Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat ik al eerder heb aangegeven dat ik dat niet alleen wil overlaten aan biologen. Ik zie veel in de aanpak van de regionale adviescommissies, de rac’s, waarin biologen, niet-gouvernementele organisaties en visserijorganisaties zijn vertegenwoordigd. Ik heb daarvan enkele voorbeelden gezien die mij aanspreken. Men doet daar met elkaar onderzoek en bespreekt met elkaar de ontwikkelingen, waarna men met elkaar een voorstel formuleert over wat dat zou kunnen betekenen voor de visserij. Dat lijkt mij een zorgvuldige aanpak, aangezien partijen dan weer om tafel zitten. Als het aan één groepering wordt overgelaten, leidt dat altijd tot resultaten die ter discussie worden gesteld, waarmee niemand is gediend.
Dit soort zaken wordt mij aangereikt in de kajuitgesprekken en de overige gesprekken.
Er zijn vragen gesteld over de regeling die zou kunnen worden opengesteld voor regionale visserijinitiatieven. Mevrouw Jacobi noemde daarbij een paar provincies die al met concrete plannen zijn gekomen. Mag ik daar mijn teleurstelling naast leggen over de andere provincies? Wij willen daar een leaderachtige aanpak, dus projecten die van onderop worden gedragen, waarop ik van een aantal provincies wel plannen krijg en van andere provincies nog niet. Wat wil ik daarmee doen? Ik wil dat alle provincies in gelijke mate de kans krijgen om te profiteren van die regeling. Ik zal precies bekijken welke provincies al wel iets hebben ingediend en welke nog niet, waarna ik de provincies die nog niets hebben aangeleverd zal aanschrijven, hen daarbij nadrukkelijk wijzend op de aanwezige mogelijkheden. De provincies die wel een plan hebben gemaakt moeten een en ander scherp voorbereiden, waarna de regeling per 1 januari 2010 van start gaat. Iedereen kan daar dan zo snel en effectief mogelijk gebruik van maken. In eigen land houden wij dan wel een gelijk speelveld op dit belangrijke dossier.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mijn vraag betrof rechtstreeks het advies van de Raad voor Dierenaangelegenheden, dat een toetsingskader en een toelatingsprocedure heeft voorgesteld. Voor zover ik het kan overzien zijn is het toetsingskader niet gevolgd als het gaat om het Nederlandse beleid. Hoe ziet het protocol waarover de minister het heeft eruit? Ik druk de minister op het hart om vooral de adviezen van de Raad voor Dierenaangelegenheden
in te brengen in het debat en daarop de afwegingsmodellen in Europees verband te baseren.

Minister Verburg: De Raad voor Dierenaangelegenheden heeft een advies uitgebracht, op basis waarvan het protocol is opgesteld. Als wij dat in Nederland doen, willen wij dat dat ook in Europa zo wordt gedaan. Dat is uitgangspunt voor de inzet in Europa. Ik heb het Aalbeheerplan besproken tijdens een werkbezoek van Commissaris Borg aan Zeeland. Ik heb daarbij aangegeven wat de inzet is van het Nederlandse aangepaste Aalbeheerplan. Wij hadden al eerder een dergelijk plan naar Brussel gezonden, waarbij wij in een begeleidend schrijven het voorbehoud hadden gemaakt dat wij, mochten er nog alternatieven zijn die hetzelfde doel zouden kunnen bereiken maar op een andere manier ingevuld, ons het recht voorbehielden nog een wijziging en/of aanvulling in het Aalbeheerplan aan te brengen. Dat is gebeurd, wat ik heb toegelicht. Ik heb er bij Commissaris Borg op aangedrongen om dit Aalbeheerplan snel en zorgvuldig te beoordelen. Dat plan ligt nu ter beoordeling bij de International Counsil for Exploration of the Sea (ICES). Naar verwachting komt er in juni een oordeel van de Commissie. Dank voor de support rond de Convention on International Trade in Endangered Species of Wild Fauna and Flora (Cites) en de export van aal en van glasaal. Ik zal mij in Europees verband blijven inzetten voor het totale exportverbod van glasaal. Overigens is dat geen gelopen race, want daarover is hard onderhandeld, en dat zal nog wel een poosje duren. Ik vind dit belangrijk genoeg om voor beide soorten een exportverbod af te spreken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb vragen over Cites gesteld. De minister zegt dat zij zich gaat inzetten voor een Europees exportverbod. Als ik het goed heb begrepen staat paling op de Cites-lijsten, zodat je geen aanvullende maatregelen hoeft te nemen. Als het goed is, werkt die lijst zo dat onverantwoorde handel niet leidt tot een vergunning. Waarom is die aanvullende oproep dan nodig?

[…]

Wat de advisering door ICES betreft: wetenschappers hebben de opdracht om zorgvuldig naar zaken te kijken en om naar eer en geweten en beste kunnen en vermogen te adviseren. Dat moet nationaal en internationaal gebeuren. Ik vind het niet wenselijk dat ik ga spreken met een vertegenwoordiger van IMARES over zijn of haar rol in ICES. Alleen al het feit dat ik dat zou doen, zou kunnen worden uitgelegd als mogelijke beïnvloeding. Ik ga uit van de wetenschappelijke beoordeling van ICES. Ik weet niet hoe dat wordt aangepakt. Verder ga ik ervan uit dat ICES op eenzelfde wijze aalbeheerplannen van andere Europese lidstaten streng en rechtvaardig beoordeelt op basis van een aantal wetenschappelijke uitgangspunten, die duidelijk moeten zijn. Zij moeten daarover kunnen en willen communiceren. Dan geeft ICES een advies aan de Commissie, die alles overwegend een besluit neemt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Er is Deens onderzoek geweest naar het gebruik van pingers, en ethologisch onderzoek naar de leefgebieden van de dieren. Dat moet zeker worden meegenomen, want die pingers lijken geen goede oplossing, en dat moeten wij weten. Wij moeten erachter komen wat de doodsoorzaak is, of wat de doodsoorzaken zijn. Ik neem aan dat de minister het vooral daarover heeft. Ten aanzien van Cites: het mag duidelijk zijn dat ik voor de exportverboden ben waar de minister voor gaat strijden. Maar mijn vragen gaan over de werking van het Cites-verdrag. Misschien kunnen wij daar op een ander moment op terugkomen. De indruk mag niet ontstaan dat ik de inzet van de minister niet steun: ik vind de inzet wel wat makkelijk omdat wij voor zover ik weet niet naar landen buiten Europa exporteren, maar hoe ziet zij het Cites-verdrag als zij denkt dat zij aanvullend een oproep moet doen voor een exportverbod?

Minister Verburg: Voorzitter. Ja, ook de pingers zullen wij mee beoordelen als het gaat om het staand want. Zij zijn bedoeld om afschrikkend te werken en bruinvis op afstand te houden. Er zijn aanwijzingen – ik zeg het voorzichtig – dat ook het omgekeerde het geval zou zijn: als bruinvissen en andere soorten zo’n pinger horen, komen ze daarop af. Dat wordt bekeken. Natuurlijk is alle onderzoek gericht op de doodsoorzaak, zij het in combinatie met de aard van de verwondingen die worden aangetroffen. Als het gaat om Cites: daarover is hard onderhandeld. Als daarover geen overeenstemming is bereikt, komt Cites met een advies dat wordt uitgevoerd: geen totaal exportverbod van glasaal naar derde landen, met een afbouwpercentage van 15 dit jaar en ik meen 45 volgend jaar. Ik vind dat dat niet ver genoeg gaat, vanwege de ernst van de situatie. Daarom ga ik in de Visserijraad inzetten op een totaalverbod op de export van schieraal als volwassen aal.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat steun ik, maar ik was benieuwd hoe het werkt met Cites.