Bijdrage Ouwehand AO Groene groei


4 september 2014

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Op dit moment vindt in Leipzig de Fourth International Conference on Degrowth plaats. Dat is een bijeenkomst van mensen die inzien dat het streven naar economische groei de leefbaarheid van de aarde uitholt. Het zijn mensen die inzien dat "ecologische haalbaarheid" het nieuwe mantra zou moeten zijn en dat het hoog tijd is om economische en sociale modellen te ontwikkelen die niet afhankelijk zijn van groei en die in een goed leven voor iedereen, nu en later, kunnen voorzien. Het is ironisch dat wij juist vandaag een debat hebben over groene groei. Dat meer dan de helft van de agenda is gevuld met brieven over de biobased economy, is misschien wel net zo tekenend voor de manier waarop Nederland het gewoon maar niet lijkt te willen begrijpen. En daarmee doel ik zowel op de overheid als op het overgrote deel van het bedrijfsleven. Wij lijken de simpele waarheid dat oneindige groei op een eindige planeet onmogelijk is, maar niet te kunnen bevatten. Groene groei is dan ook een sprookje. Het is superschattig, maar het bestaat niet.

Earth Overshoot Day, de dag waarop wij met z'n allen ons budget van natuurlijke hulpbronnen voor het hele jaar hebben opgemaakt, viel dit jaar op 19 augustus. Dat is al enige tijd geleden. Op dit moment gaat dus al het voedsel dat wij eten, het papier dat wij gebruiken, het water dat wij drinken en noem maar op ten koste van iemand anders en ten koste van de leefbaarheid van de aarde. Ieder jaar maken wij dankzij de door ons zo nagejaagde economische groei het jaarbudget van wat wij met z'n allen ter beschikking hebben op deze aardbol, net een beetje sneller op.

De mensen die eigenlijk wel snappen dat dit een onhoudbare situatie oplevert, maar die liever niet echt iets willen veranderen om daar iets aan te doen, zetten in op groene groei, bijvoorbeeld door fossiele brandstoffen te vervangen door biobrandstoffen. Dat daarvoor duizenden hectares landbouwgrond nodig zijn waarop wij ook voedsel hadden kunnen verbouwen, moet maar even niet ter zake doen. Dat daar massaal oerbossen voor sneuvelen die wij simpelweg nodig hebben omdat ze CO2 afvangen, zuurstof produceren en essentiële biodiversiteit huisvesten, vergeten wij even. Bovendien moeten wij er niet over zeuren dat de biomassa die nu met miljoenen euro's belastinggeld wordt bijgestookt, de archaïsche kolencentrales openhoudt. Biobased economy heeft immers de toekomst.

De Partij voor de Dieren gelooft niet in gouden bergen en ook niet in groene groei. Wij dagen het kabinet nogmaals uit om met echte oplossingen te komen voor de grote problemen die onze generatie voor zich ziet. Het leefbaar houden van de aarde is niet iets wat wij wel even kunnen oppakken als het economisch goed uitkomt. Het is niet iets wat tot morgen kan wachten. Is de minister dat met mij eens? Is hij het ook met mij eens dat wij de afhankelijkheid van Russisch gas en olie uit het Midden-Oosten niet moeten inruilen voor afhankelijkheid van Braziliaanse soja, Indonesische palmolie en Canadese houtsnippers? Is hij bereid om het voorkomen van nieuwe afhankelijkheden een grotere plaats in zijn energiebeleid te geven, zoals de heer Van Haersma Buma verrassend genoeg ook al bepleitte namens het CDA? Er is wel enig onbegrip over wat dan precies de visie van het CDA is, maar daar komen wij vast nog wel over te spreken.

Nu ga ik in op een aantal details in de brieven die vandaag op de agenda staan. Is de minister het met mij eens dat het verbranden van afvalhout dat nog nuttig hergebruikt kan worden, eigenlijk een gotspe is en dat wij dat niet zouden moeten toestaan? Ook heb ik enkele vragen over de invulling van de SDE-plussubsidies. Er wordt aan de bedragen voor volgend jaar gesleuteld. Ons bereiken geluiden dat er wel heel erg veel geld naar de bijstook van biomassa gaat, terwijl wij juist ook vandaag weer in de krant hebben gelezen dat wij de doelen voor duurzame energie waarschijnlijk niet gaan halen. Het is dus dubbel slecht om nu het overgrote deel van de subsidies in de kolencentrales en de bijstook te stoppen. Kan de minister die geluiden bevestigen en zo ja, gaat hij dat rechtzetten? Belooft hij de Kamer hier ook dat er in geen geval subsidies gaan naar de bijstook van houtpallets onder het duurzaamheidscertificaat?

Interrupties bij andere partijen

De heer Jan Vos (PvdA): Voorzitter. Het voordeel van iets later aan de beurt zijn, is dat je de bijdrage van heel veel collega's hebt kunnen horen. Ik zie dat er twee stromingen zijn. De ene stroming zegt: het gaat niet goed met de aarde en daar moeten wij iets aan doen en daarom moet het allemaal minder en anders. Samengevat zegt de andere stroming: we kunnen met zijn allen samen groeien -- analoog aan de titel van het overleg -- als ons bedrijfsleven het goed doet en zich daarop richt. De PvdA bevindt zich toch eerder in het tweede kamp dan in het eerste. De PvdA maakt zich enerzijds net zoals iedereen zorgen over een aarde waarop in 2050 9 miljard mensen wonen en over de manier waarop die aarde alle behoeften van die mensen kan bevredigen. Anderzijds zien wij dat ons bedrijfsleven de laatste tien jaar een fascinerende omslag maakt. Mijn collega van de VVD noemde al het voorbeeld van DSM, een bedrijf dat heel groot is in second generation biofuels. Tegen de Partij voor de Dieren zeg ik dat er geen gewassen worden opgestookt, maar dat er restmaterialen gebruikt worden. Tegen de VVD zeg ik ook dat er in de Verenigde Staten veel meer maiskolven zijn dan in Limburg en dat DSM daarom daar zit. Dat hoort bij een mondiale economie. Dat moet de VVD toch aanspreken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik wil graag weten of de PvdA inzet op een aarde waarop wij in ieders behoefte kunnen voorzien of op een aarde waarop wij aan ieders vraag kunnen voldoen.

De heer Jan Vos (PvdA): Het voldoen aan ieders vraag en aan alle behoeften van de mens zal niet in het vermogen liggen van de politiek en zeker niet in dat van de Partij van de Arbeid. Als mevrouw Ouwehand denkt dat wij dat gaan bereiken, zal ik haar uit die droom helpen. Ik geloof wel in het streven naar het combineren van onze economie en ecologie. Ik denk dat daarin veel eerder een toekomstperspectief ligt dan in het beperken van de mens. De mens is namelijk door innovatie altijd in staat gebleken om verder te gaan dan men in eerste instantie dacht. In innovatie zit bijvoorbeeld ook juist werkgelegenheid. Dat is enorm belangrijk voor de Partij van de Arbeid. Bedrijven als DSM, Akzo en Unilever, maar ook start-ups als Avantium met de bekende colaflessen, zijn fantastisch. Dat laatste bedrijf noem ik speciaal voor de SP, die denkt dat kleine bedrijven niet goed kunnen functioneren. Die bedrijven leven een enorme bijdrage aan het verduurzamen van onze economie. Daar ben ik hoopvol over gestemd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik daag de woordvoerder van de fractie van de PvdA uit om nog eens over mijn vraag na te denken. Ik merk al aan de beantwoording van zojuist dat dit vandaag niet komt. We kennen deze discussie een beetje. Ik ga even in op de voedselzekerheid. Vaak wordt er gezegd dat er in 2050 9 miljard monden te voeden zullen zijn en dat er vraag is naar dit en dat. Het is prima dat er vraag is, maar maak goed onderscheid tussen vraag en behoefte. De heer Vos spreekt keurig over "behoefte", maar ik heb sterk de indruk dat het de Partij van de Arbeid ook een beetje gaat om "vraag". Dan gaan we het dus niet redden, zegt bijvoorbeeld de mensenrechtenadviseur van de Verenigde Naties. Reflecteer daar nog eens op, mijnheer Vos, en dan spreken wij elkaar nog eens daarover.

Beantwoording door de minister van Economische Zaken:

Minister Kamp: Voorzitter. De woordvoerders hebben een groot aantal vragen geformuleerd, waarmee ze een aantal thema's aan de orde hebben gesteld. Ik stel voor dat ik op die thema's nader inga en probeer om daarin de antwoorden op de vragen te verwerken. Ik zal daarmee niet de hele zaak van de groene groei, die erg veel belangstelling van de Kamerleden heeft -- sommigen zijn er erg voor, mevrouw Ouwehand is ertegen -- en van de nieuwe economie, ingebracht door mevrouw Van Tongeren, tot ieders tevredenheid kunnen afhandelen, omdat dit onderwerp natuurlijk sterk in ontwikkeling is. Wij zijn hiermee bezig en onze economie maakt een overgang door. (…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb nog een verhelderende vraag naar aanleiding van de introductie, want de minister was wel een beetje slim. Over groene groei zei hij: iedereen is voor en mevrouw Ouwehand is tegen. Ik denk namelijk dat het niet bij elkaar past. Tegen vergroenen en verduurzamen is eigenlijk nooit iemand, maar ik wil wel van de minister weten hoe je groei kunt realiseren zonder een eindstreep van "tot hier groeien we en niet verder", op een planeet die niet meegroeit.

Minister Kamp: Mevrouw Ouwehand en ik kennen allebei landen waar geen economische groei is. Dat zijn echt geen groene walhalla's. Die landen bieden vaak een verschrikkelijke woonomgeving voor mensen, waarin op een verschrikkelijke manier met het milieu wordt omgegaan. Wij hebben veel positieve creativiteit in onze samenleving. Daar hebben we een hoog welvaartsniveau mee bereikt. Dat is vaak gebeurd ten koste van het milieu en nu zijn we bezig om de omslag te maken zodat we dat niet meer doen. We zien bijvoorbeeld dat de kwaliteit van het water en van de lucht in Nederland verbetert. De bodemvervuiling is niet meer het probleem dat het in het verleden is geweest. Door de omslag die wij zijn gaan maken hebben we al een heleboel problemen kunnen oplossen en nieuwe problemen kunnen voorkomen. Het is onze ambitie om daarmee door te gaan, onze hele economie te vergroenen en vanuit Nederland bij te dragen aan vergroening van de wereldeconomie. Ik denk dat economische groei juist kan helpen om dingen beter te doen, mensen te enthousiasmeren, ze een beter leven met meer perspectief te geven en ze inventiever en gemotiveerder te maken. Wat er de afgelopen tien à twintig jaar is gebeurd in Nederland, is een bewijs dat het kan. De ontwikkelingen in Nederland gaan in de goede richting. Het is de kunst om dat vast te houden en voort te zetten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De grap, of wrange ironie, is natuurlijk dat mensen die leven in landen waar het verschrikkelijk is in elk geval niet geholpen zijn door ons. Sterker nog, vaak zijn ze door het gedrag in het Westen verder in de problemen gebracht. De mensen in de armste landen ter wereld worden het eerst geraakt door klimaatverandering en aantasting van biodiversiteit door onze roofzucht. Ik moet concluderen dat de minister geen antwoord heeft. Dan zeg ik: prima, zet je groeiagenda voort, waartegen mijn partij zo hard zal protesteren als zij kan, maar noem het in elk geval niet groen, want dat kan niet op een planeet die niet meegroeit.

Minister Kamp: Het is niet erg vriendelijk van mevrouw Ouwehand dat zij zegt dat ik geen antwoord heb. Ik heb wel een antwoord, alleen zou mevrouw Ouwehand dat niet gegeven hebben als ze op mijn plaats zou zitten, maar goed, ik ben lid van een partij met 41 Kamerzetels. Die heeft net zo goed recht van spreken als zij. Ik maak deel uit van een regering die een meerderheid in dit parlement achter zich heeft. Wij hebben een regeerakkoord dat wij gaan uitvoeren. Ik heb dus evenzeer recht van spreken als mevrouw Ouwehand. Het lijkt me niet zinvol om te zeggen dat ik geen antwoord geef; dat zie ik niet zitten.

De voorzitter: Als voorzitter zeg ik ook: iedereen gaat over zijn eigen teksten. Dat geldt zowel voor de vraag van mevrouw Ouwehand als het antwoord van de minister.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daarover wil ik graag een opmerking maken. Ik heb geconstateerd dat ik geen antwoord heb gekregen op mijn vraag hoe je groei kunt blijven realiseren op een planeet die niet meegroeit. Als de voorzitter meegaat in de retorische vaardigheden van de minister, dan maak ik daar wel even bezwaar tegen. De minister mag zeggen wat hij wil, maar als de voorzitter dan ook nog gaat bevestigen dat het prima is dat er geen antwoord komt, vind ik dat niet zo tof.

De voorzitter: Dat heeft de voorzitter op geen enkel moment gezegd. De voorzitter heeft alleen gezegd dat u een vraag mag stellen en dat het vervolgens aan de minister is om antwoord te geven. De minister heeft het antwoord gegeven dat hij wilde geven. Ik wil nu graag geen ordedebatje voeren over de vraag of de voorzitter moet controleren of het antwoord naar de smaak is van de vragensteller. Volgens mij werken we zo niet samen in de Kamer. Het woord is aan de minister.

Minister Kamp: Groei is naar mijn overtuiging heel goed mogelijk zonder voortdurende verdere belasting van de planeet. Het is heel goed mogelijk om groei met elkaar te realiseren, waardoor je niet alleen welvaart en werkgelegenheid kunt behouden, maar waarbij je ook het milieu kunt verbeteren. Daar zijn wij mee bezig. (…)

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand heeft een mededeling.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik moet dit debat helaas verlaten. Dat heeft helemaal niets te maken met de woorden die de minister in zijn inleiding sprak. Mijn medewerker luistert mee en ik moet mij op andere werkzaamheden gaan richten. We volgen het einde van het debat. Ik dank de minister voor de beantwoording.

Minister Kamp: Fijn dat u erbij was, mevrouw Ouwehand.