Bijdrage Ouwehand AO Biotech­no­logie (gentech, patenten)


2 februari 2017

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Een propvolle agenda en weinig spreektijd; ik ga bekijken wat ik allemaal kwijt zal kunnen. Dit is namelijk heel belangrijk. Het gaat vandaag over het schrappen van onze veiligheidsstandaarden met betrekking tot genetisch gemanipuleerde gewassen, zowel voor de import als voor de teelt van die gewassen in Europa. Althans, wat het kabinet betreft. Wat de Partij voor de Dieren betreft, is dat helemaal niet het geval. Daarnaast gaat het over de patentering en monopolisering van ons voedsel. Iedereen zegt keurig dat dat een slecht idee is, maar de meerderheid, inclusief het kabinet, zet toch de deur open voor een nog verdergaande patentering en monopolisering. Dat doe je namelijk als je de deur openhoudt voor jongens als Monsanto.

Allereerst negeerde het kabinet de uitgesproken wens van de Kamer om nee te zeggen tegen de toelating van een nieuw giftig gengewas in Europa. Die wens stond in de aangenomen van de Partij voor de Dieren, de motie-Ouwehand c.s. uit 2014 (21501-08, nr. 501), die opriep om tegen de mais van DuPont te stemmen, die een grote bedreiging vormt voor motten en vlinders. Het kabinet heeft die motie onlangs genegeerd. Wat is dit kabinet de mening van de Kamer nog waard? De uitspraak van de Kamer was duidelijk. Aan die mening hoort gevolg gegeven te worden in de Europese besluitvorming. Dus nee tegen die mais 1507, maar ook tegen de giftige en giftolerante Bt- en Mon810-mais van Monsanto. Ik zie dus graag alsnog dat die motie wordt uitgevoerd.

Nu de nieuwe veredelingstechnieken, zoals CRISPR/Cas en zinkvingernuclease. Professor Michel Haring van de UvA zei het laatst heel simpel: bij alles waarmee je ingrijpt in het DNA, ben je zaken genetisch aan het veranderen. Dat is nu eenmaal de eenvoud van de wetenschap. Of je dat "cisgenese" of "transgenese" noemt, is een Wageningse discussie; dit is genetische modificatie. Zo moeten we dit dus ook altijd behandelen, zeker in het geval van technieken als CRISPR/Cas, waarbij het eindresultaat lang niet altijd hetzelfde is als de onderzoekers van tevoren hadden bedacht. Zij noemen zichzelf altijd graag ingenieurs van de natuur, maar de onvoorspelbare effecten die zullen optreden, kunnen zij met geen enkele mogelijkheid terugdraaien als die zich eenmaal hebben voorgedaan. Daarom moeten we voorzichtig zijn en het voorzorgbeginsel blijven toepassen. Het kabinet doet dat helemaal niet. Het kabinet wil mogelijk de procesbenadering loslaten en overgaan tot een productbenadering. Dat is een regelrechte schending van het voorzorgbeginsel, dat wil zeggen dat we zeker geen voorzienbare risico's nemen en altijd uit voorzorg handelen als we denken dat het milieu of de volksgezondheid in gevaar gaan komen, zonder dat er eerst uitvoerig en uitputtend wetenschappelijk bewijs is aangeleverd. Wat is het geval? Die productbenadering is in de Verenigde Staten standaard. In Europa hanteren we nog de procesbenadering. Het kabinet wil dit nu gaan schrappen. Dat betekent dat uiteindelijk de keuzevrijheid wordt opgegeven. Als het kabinet dit doorzet, kunnen we straks niet meer kiezen voor gegarandeerd gentechvrij. Biologische belangenverenigingen maken daar terecht bezwaar tegen.

Het kabinet heeft het over het vrijstellen van technieken waarvan de risico's vergelijkbaar zijn met klassieke veredeling. Maar de risico's van gentech zijn gewoon niet veranderd met de technieken, en zeker niet op voorhand uit te sluiten. De enigen die zeggen dat die net zo veilig zijn, zijn de mensen die hier geld mee verdienen, en iedereen die gevoelig is voor hun lobby. De voorstanders zeggen steeds: de veredeling is sneller en beter als we die met gentech mogen doen. Maar het zit echt genuanceerder in elkaar. De consequentie is dat het aanbod van verschillende rassen steeds smaller wordt. Daardoor gaat deze keuze ten koste van de voedselzekerheid en komt er een hausse aan octrooiaanvragen, en dat terwijl het kabinet zegt dat we onze voedselgewassen niet moeten patenteren.

Technieken als CRISPR/Cas worden nu al ingezet om dieren verregaand genetisch te veranderen. In het Europese en Nederlandse wetgevingskader is onvoldoende geregeld om dit soort technieken, bijvoorbeeld uit de Verenigde Staten, te voorkomen. Wat gaat het kabinet doen om het "nee, tenzij" van gentech bij dieren daadwerkelijk in de wet te verankeren?

Als het gaat om genetische manipulatie, volstaat de Nederlandse wetgeving op tal van gebieden niet meer. Het is daarom terecht dat het kabinet met de modernisering van die wetten aan de slag gaat. Daarbij moet wel het voorzorgbeginsel het uitgangspunt zijn en blijven. Ik roep het kabinet daarom op tot het instellen van een moratorium voor het gebruik van nieuwe technieken die op dit moment niet onder de Wet milieubeheer zijn geregeld, totdat er een nieuw wetgevingskader van kracht is. Bijvoorbeeld de COGEM (Commissie genetische modificatie), maar ook het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) geven terecht aan dat gene drive zeer gevaarlijk is. Hiervoor geldt op dit moment in de wet geen vergunnings- of meldingsplicht. Daar moet een moratorium op komen, want met deze techniek zou het mogelijk worden dat een resistent gewas, bijvoorbeeld koolzaad, zonder vergunning wordt geïntroduceerd. Het gevaar daarvan is dat alle nakomelingen het resistente gen zullen hebben, dus ook de wilde planten.

Ik ga verder over het afwegingskader voor de teelt van gentech in Nederland. Wat de Partij voor de Dieren betreft, komt er geen teelt van gengewassen in Nederland. Het afwegingskader bevat een aantal goede elementen, maar er is wel zorg over de invulling. Terecht zegt het kabinet dat de keuzevrijheid voor boer en burger, co-existentie en landbouwgif hierbij belangrijke elementen zijn en dat deze hier dus bij moeten worden betrokken, maar daarna zegt het dat dat al keurig in onze eigen regelgeving is geregeld. Dat is gewoon niet waar. Het kabinet verwijst naar het bestrijdingsmiddelenbeleid, maar gengewassen, bijvoorbeeld resistente gewassen, moet je gewoon kunnen weigeren op basis van het feit dat ze resistent zijn tegen landbouwgif. Dat is op dit moment niet het geval. Zo wordt keuzevrijheid een farce. De biologische sector luidt na een jarenlange discussie nog steeds de noodklok, omdat de co-existentieregels voor de biosector nog steeds slachtoffers van vervuiling met gentech tijdens het transport en de opslag van gewassen mogelijk maken.

De voorzitter:
Wilt u afronden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Hier was ik al bang voor.

Er moeten dus een aantal verbeteringen worden doorgevoerd in het afwegingskader. Ik heb hiervoor een aantal moties in mijn hoofd. Ik hoop daar straks via interrupties op terug te kunnen komen.

Tot slot de patentendiscussie. De Europese Commissie heeft een interpretatieve verklaring afgegeven. Dat is hartstikke mooi, maar we moeten ook regelen dat octrooibaarheid en patenteerbaarheid van onze voedselgewassen niet kunnen vóórkomen. Alleen deze verklaring is echt niet genoeg. We moeten de weg naar de patentering van ons voedsel dichttimmeren.

Interrupties bij andere partijen

De heer Remco Bosma (VVD):
Voorzitter. Het is anderhalf jaar geleden dat we over dit onderwerp spraken. En dat terwijl de ontwikkelingen nu erg snel gaan: zo wassen we nu massaal op 30 °C, dankzij de door de biotech aangepaste enzymen in onze wasmiddelen; dat is pure milieuwinst. Ondanks de successen klinkt vanuit de groene ngo's (non-gouvernementele organisaties) nog een massaal njet. Doordat het politieke debat niet echt plaatsvindt, blijft het maatschappelijke debat onnodig gepolariseerd. Gelukkig komt er in het publieke domein langzamerhand een soort rationele tegenbeweging tot stand. De publieke interesse en het draagvlak zijn groter dan wordt verondersteld, als men maar de juiste informatie krijgt aangeleverd. Helaas overheerst het angstbeeld nog te veel, en angst is een slechte raadgever. De focus in de regelgeving voor ggo's (genetisch gemodificeerde organismen) is bijvoorbeeld puur en alleen gericht op het veiligheidsaspect. De VVD heeft hier een helder standpunt over: als het veilig is voor mens, dier en omgeving, dan willen wij ruimte geven. We moeten namelijk niet denken dat we de ontwikkelingen tegen kunnen houden. Patiënten en bedrijven wijken dan uit naar het buitenland. Nederland is marktleider op het gebied van de zaadveredeling en het heeft een verantwoordelijkheid voor de mondiale voedselvoorziening. 40% van de zaden komt uit Nederland. De praktijk is dat de bedrijven eerst in een laboratorium met de nieuwste technieken experimenteren, en vervolgens proberen die dingen na te maken met de conventionele technieken. Die laatste fase is overbodig en vernietigt hun concurrentiepositie. Hoelang laten we dat doorgaan, totdat al die bedrijven naar het buitenland zijn gegaan? De investeringen gaan nu niet meer naar Nederland, maar naar landen waar die innovatie wel mag. Het gekke is wel dat die producten hier toch op de markt komen, omdat er op productniveau geen verschil is waar te nemen. We moeten stoppen met deze vorm van uitzwaaien-vanonder-de-steenpolitiek en razendsnel starten met op feiten gebaseerde dialogen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik vraag me af wat de VVD zegt tegen mensen die gegarandeerd gentechvrij willen eten of gentechvrij willen werken, zoals de biologische boeren. Het kan wel zijn dat de VVD het prima vindt, maar hoe zit het met de keuzevrijheid van mensen die dat niet zo fijn vinden?

De heer Remco Bosma (VVD):
Ik kijk naar de zaadveredelingsbranche, die 40% van de wereld van zaden voorziet, waardoor die aan zijn voedselvoorziening kan komen. Die bedrijven proberen zaden te veredelen voor planten die bijvoorbeeld minder water nodig hebben en beter tegen droogte kunnen. Ook dat is een bepaalde verantwoordelijkheid. Daarin moeten we gewoon afwegingen maken. De VVD kiest voor innovatieve ontwikkeling, niet voor een standstillbeginsel dat geen enkele ruimte biedt om je aan te passen aan de vraag van morgen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat was wel een antwoord, maar niet op mijn vraag. De VVD herhaalt het sprookje dat genetische manipulatie nodig is voor de voedselvoorziening in de wereld. Als de VVD zelf zegt dat de discussie op basis van feiten moet worden gevoerd, wil ik de heer Bosma bijvoorbeeld verwijzen naar het onderzoek van Hans Wetzels, dat vandaag nog in het nieuws was.

Mijn vraag ging dus over keuzevrijheid. Zegt de VVD nu eigenlijk: wij weten wel wat goed is voor de wereld; iedereen mag ons volgen, dan komt het goed? De keuzevrijheid heeft daarmee afgedaan.

De heer Remco Bosma (VVD):
Mevrouw Ouwehand, over sprookjes gesproken: met een aantal ggo's is er sprake van een long history of safe use. U maakt stemming, alsof die dingen allemaal heel erg eng zijn. Heel veel landen zijn hier al mee bezig. Er zijn al vele jaren positieve resultaten mee. Wij hebben een ander punt wat dit betreft. En wij zijn gewoon voor innovatie. Zo kijken wij hiernaar.

--

De heer Van der Velde (PvdA):
In het licht van het voorafgaande betoog vindt de PvdA de toelating van de voorgestelde gmo-maisvariëteiten onwenselijk. Wij hebben het kabinet destijds om een afwegingskader verzocht. Die handschoen heeft het opgepakt: er ligt een voorstel. Dit afwegingskader biedt handvatten voor een toekomstbestendig beleid. De PvdA heeft de uitdrukkelijke wens dat dit gebeurt met de inzet van onafhankelijke experts, die het vertrouwen hebben van voor- en tegenstanders. Het effectief kunnen hanteren van het afwegingskader is tenslotte gebaat bij maatschappelijk debat. Technologie waarbij geen soortvreemd DNA wordt ingebracht, kan daarom nog niet worden vrijgesteld van genetischemodificatiewetgeving. Ik heb hierover drie vragen. Wij zijn het met de staatssecretaris eens dat de regelgeving op het gebied van gmo-beleid voldoende moet zijn toegesneden op steeds snellere ontwikkelingen in de biotechnologie. Ten eerste spreekt de staatssecretaris van een toekomstbestendig beleid. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de opvatting van de PvdA om een degelijk maatschappelijk debat te gaan voeren en om de burger daar heel duidelijk in mee te nemen? Ten tweede: wat vindt de staatssecretaris van de wens van de PvdA om extra onderzoek en analyse te initiëren ten behoeve van dat toekomstbestendige beleid en voor de input van het maatschappelijke debat? Ten slotte wil de staatssecretaris naast in Nederland, ook in Europa een toekomstbestendig biologietechnologiebeleid realiseren. In de brief van 12 december 2016 geeft de staatssecretaris aan dat er een discussie komt over de vraag of Europese regelgeving over de veiligheid van biotechtoepassingen, proces- en/of productgeoriënteerd moet zijn. Vindt de staatssecretaris ook niet dat dit welhaast een mission impossible is, gezien de wens van nieuwe regelgeving al in het begin van dit voorjaar?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben blij dat de Partij van de Arbeid zegt dat het maatschappelijke debat van groot belang is. Ik heb twee vragen. Ten eerste over de Nederlandse wetgeving op dit moment: is de PvdA, gelet op haar inbreng, het met de Partij voor de Dieren eens dat er een moratorium moet komen op het gebruik van nieuwe technieken die op dit moment niet onder de Wet milieubeheer zijn geregeld, zolang het nieuwe wetgevingskader nog niet van kracht is? Ten tweede heb ik een vraag over het afwegingskader: is de Partij van de Arbeid het met ons eens dat er aanvullende co-existentiemaatregelen nodig zijn, in elk geval voor de teelt van gepatenteerde gewassen, en dat giftolerante en giftige gengewassen, zoals de Bt-gewassen, op basis van het afwegingskader moeten kunnen worden verboden, en niet met een verwijzing naar het bestrijdingsmiddelenbeleid, want dan weet je dat je achter de feiten aan blijft lopen?

De voorzitter:
Dat was een uitgebreide interruptie.

De heer Van der Velde (PvdA):
Ja, maar ik zal twee korte antwoorden geven. Ten eerste vind ik dat een moratorium echt te maken heeft met dat maatschappelijke debat. Ik loop hiermee niet weg voor het antwoord; ik vind echt dat dat daarin hoort, want daar zitten echte afwegingen aan vast. U hebt ze zelf al genoemd, maar toch vind ik dat die bij het maatschappelijke debat moeten worden betrokken. En in antwoord op uw tweede vraag: we hebben nu nog moment; ik zou dit voor een nadere analyse willen meenemen naar mijn fractie. Tot zover mijn antwoord.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Prima. Ik begrijp dat goed, want er is veel om over na te denken. Ik hoor graag waar de Partij van de Arbeid mee terugkomt. Maar mijn eerste vraag betrof een cruciaal punt. Als je het belangrijk vindt dat dat maatschappelijke debat de ruimte krijgt, moeten we volgens mij niet het risico lopen dat technieken nu geen vergunningsplicht en niet eens een meldingsplicht hebben omdat de wetgeving is verouderd. Ook de COGEM en het RIVM waarschuwen daarvoor. We moeten dus voorkomen dat ze in de tussentijd worden ingezet, want dat kan grote gevolgen hebben. Is de Partij van de Arbeid vóór een moratorium, ook om in dat maatschappelijke debat voldoende ruimte te krijgen om te kunnen bekijken wat en hoe er moet worden geregeld? Zo zullen er in de tussentijd geen dingen kunnen gebeuren die we niet meer kunnen terugdraaien.

De heer Van der Velde (PvdA):
Dat laatste spreekt mij aan. Ik heb aangegeven dat we dit bij het maatschappelijke debat willen betrekken. Ik gaf al aan dat de Partij van de Arbeid die zorgen deelt. Ook dit neem ik mee naar mijn fractie. Ik zal u hier zo spoedig mogelijk iets over laten horen.

Beantwoording door de staatssecretarissen van Economische Zaken en van Infra en Milieu

Staatssecretaris Van Dam:
Voorzitter. Ik zal spreken over het afwegingskader en, in het verlengde daarvan, over het co-existentiebeleid, het klonen van dieren en het octrooi- en kwekersrecht. Ik behandel daarnaast een enkele vraag van de heer Graus. De andere onderwerpen behoren tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van I en M. Zij zal daarop ingaan.

Het afwegingskader gaat over de vraag wanneer we in Nederland de teelt van genetisch gemodificeerde gewassen toestaan. Uit dit algemeen overleg blijkt dat daar regelmatig discussie over is. In die discussie worden twee kanten belicht. Zij gaat onder andere over de grote internationale uitdaging om voldoende voedsel te produceren, voedsel dat is opgewassen tegen nieuwe ziekten, klimaatverandering et cetera. Dat vergt veredeling. Dat kan op de klassieke manier, maar daar zijn ook nieuwe technieken voor. (…)

Over dit punt is een aantal vragen gesteld. Mevrouw Ouwehand gaf aan dat er gericht genetisch gemodificeerd wordt met als doel bepaalde herbiciden te kunnen gebruiken. Men wil gewassen daartegen resistent maken, zodat het gewas als enige overleeft en alle andere planten die eventueel zouden kunnen groeien, zoals onkruid, direct vernietigd worden. Die praktijken kennen we met name uit Zuid-Amerika. Mevrouw Ouwehand zegt dat we die hier niet zouden moeten willen en dat ben ik met haar eens. Tegelijkertijd geldt het afwegingskader ook voor dergelijke gewassen. Er wordt Europees getoetst op de vraag of een gewas veilig is voor mens, dier en milieu. Die toets moet je eerst doorstaan. Ook herbicideresistente gewassen zullen veilig moeten zijn, voordat ze überhaupt op de Europese markt mogen komen. Vervolgens vindt een nationale afweging plaats. Het enkele feit dat een gewas herbicideresistent is, is juridisch onvoldoende om het tegen te houden. Maar het afwegingskader bevat ook andere elementen waarop getoetst kan worden. Een van de onderdelen die ik heb toegevoegd aan het afwegingskader is de maatschappelijke acceptatie. Ik verwacht dat gewassen die alleen om deze reden op de markt worden gebracht, tot zo veel maatschappelijke discussie zullen leiden dat de maatschappelijke acceptatie een grote rol zal spelen bij de te maken afweging over het al dan niet toelaten op de Nederlandse markt.

(…) Ik kom op de vragen van de heer Van Gerven die in het verlengde hiervan lagen. Ook mevrouw Ouwehand sprak over het co-existentiebeleid. Ik zei dat het allemaal geregeld was, maar zij zei dat dit niet het geval was. Al sinds 2004 liggen er afspraken van alle betrokkenen en belanghebbenden voor de drie gg-gewassen die zijn toegestaan: mais, suikerbiet en aardappel. Daar zijn dus al afspraken over gemaakt. De minimale afstanden liggen vast. Daar is het dus voor geregeld. Mocht er een nieuw gg-gewas in procedure komen waarvoor nog geen afstanden zijn bepaald, dan moeten ook daarvoor minimale teeltafstanden worden vastgesteld, gebaseerd op wetenschappelijke gegevens, zoals dat ook met die drie andere gewassen is gebeurd. Die teeltafstanden zijn dus gebaseerd op wetenschappelijke informatie.

De voorzitter:
Voordat u daarmee verdergaat, heeft mevrouw Ouwehand een interruptie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik wachtte even totdat de staatssecretaris klaar zou zijn met de beantwoording van de vragen over het afwegingskader. Ten aanzien van de co-existentieregels zegt de staatssecretaris dat een en ander wetenschappelijk is onderbouwd en dat er wordt gemonitord. Maar die regels gelden niet voor transport en opslag. Graag wil ik een reactie op dit punt. De staatssecretaris wil een commissie van wijzen instellen, maar hoe garandeert hij dat die onafhankelijk is? Bij de EFSA (European Food Safety Authority) zijn er regelmatig discussies gevoerd over de draaideurconstructie: mensen uit de industrie die wordt beoordeeld, gaan werken bij de toezichthouder of de organisatie die gaat over de toelating. Maakt de staatssecretaris zich daar ook zorgen over? Gaat hij regelen dat de onafhankelijkheid geborgd is? Zo ja, hoe wordt dat dan gedaan?

Ik kom op de ethische aspecten. In antwoord op vragen van de VVD zegt de staatssecretaris dat de maatschappelijke opvattingen een belangrijke rol hebben. Maar we zien toch dat dit kabinet zich ertegen verzet als een gemeente of een regio zich gentechvrij verklaart. Ik heb het gevoel dat de ethische aspecten er een beetje voor de sier bij hangen en dat die nog niet goed genoeg geborgd zijn in het afwegingskader.

Staatssecretaris Van Dam:
Dat laatste is niet het geval. Gemeenten mogen zich tot alles verklaren wat ze willen, maar het is op zich geen lokale bevoegdheid; laat dat helder zijn. De bevoegdheid om al dan niet genetisch gemodificeerde teelt toe te staan, ligt hier. In het afwegingskader is de maatschappelijke acceptatie opgenomen. Die zit daar niet voor niets in. In de brief heb ik uitdrukkelijk aangegeven dat het bijvoorbeeld ook kan gaan om de acceptatie in de specifieke regio waar de teelt zal plaatsvinden. Op het moment dat daar lokaal veel weerstand tegen is, weegt dat zeker mee in het afwegingskader.

Mevrouw Ouwehand stelde net een reeks vragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ja. Ik had een vraag over de co-existentieregels, die niet gelden voor transport en opslag. We weten dat de biologische sector daar voortdurend last van heeft. Ik had ook nog een vraag over de onafhankelijkheid van de commissie van wijzen.

Staatssecretaris Van Dam:
Even voor de helderheid: ik neem aan dat mevrouw Ouwehand erop wijst dat bij transport en opslag producten goed van elkaar gescheiden moeten blijven. Dat is sowieso ook nu een verplichting. Dat geldt ook voor biologische producten. Die moeten goed gescheiden blijven van reguliere producten, zodat er geen vermenging kan plaatsvinden. Dat is sowieso iets wat marktpartijen dienen te regelen om vermenging van producten te voorkomen. Volgens mij is dat evident. Ik weet niet zeker of mevrouw Ouwehand hierop doelde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De biologische sector heeft regelmatig last van vervuiling vanwege kruisbestuiving in transport en opslag. Als we de biologische sector willen beschermen, zullen we de co-existentieregels strenger moeten maken. We zien dat die vervuiling nu al voorkomt. Bij de huidige co-existentieregels voor gentech wordt er geen schepje boven op gedaan om ervoor te zorgen die vervuiling niet meer plaatsvindt.

Staatssecretaris Van Dam:
Mevrouw Ouwehand doelt op vervuiling die tijdens het transport plaatsvindt, bijvoorbeeld omdat zaden verwaaien tijdens het transport. Ik zal nader bekijken hoe het nu geregeld is. Ik kijk even of we die informatie schriftelijk kunnen delen met de Kamer. Dat lijkt mij het handigste.

De andere vraag betrof de commissie van wijzen. Mevrouw Ouwehand suggereerde om een aantal voorwaarden te stellen die er zo'n beetje op neerkomen dat je nooit ergens anders gewerkt mag hebben voordat je je mag bemoeien met dergelijke afwegingen. Ik denk dat dit in de praktijk niet houdbaar is. Zoals overal wordt gedaan bij het aanstellen van mensen, zullen we bekijken of er met het oog op hun betrekkingen bezwaren zijn. Er kan geen sprake van zijn dat belangen zich met elkaar vermengen; dat lijkt mij evident. Bij de samenstelling van de commissie van wijzen zal dat ook meewegen. Als wetenschapper mag je niet tegelijkertijd een ander belang hebben dat strijdig is met het maken van een zorgvuldige en onafhankelijke afweging. Dat is eigenlijk logisch.

Dan kan ik verdergaan met het octrooi- en kwekersrecht. Er is een belangrijke doorbraak gerealiseerd. Dat heeft een aantal van de leden ook gezegd. Tijdens het Europees voorzitterschap hebben we vol ingezet op het oplossen van een probleem dat was gerezen, namelijk het probleem dat het Europees Octrooibureau octrooien verstrekte op gewassen die over eigenschappen beschikten die op een natuurlijke manier tot stand waren gekomen of tot stand zouden kunnen komen. Naar onze opvatting had dat niet mogelijk moeten zijn. Het is bovendien zeer onwenselijk. Daarom hebben we dit onderwerp geagendeerd. We hebben er ook een symposium over georganiseerd. Daar heeft de verantwoordelijke Eurocommissaris aangegeven te komen met een interpretatieve verklaring. Dat is juridisch weliswaar minder hard dan een aanpassing van de regelgeving, maar ook een interpretatie van de regelgeving heeft een juridische werking. Die verklaring is gepubliceerd op 4 november. Die voldeed aan onze verwachtingen. Die verklaring heeft ook gezorgd voor de gewenste helderheid. Daarin stond dat dergelijke patenten niet mogelijk zouden moeten zijn.

Wij zetten ons nu in voor goede Raadsconclusies in de Raad Concurrentievermogen. Sommige leden vroegen of ik mij inzet voor scherpe Raadsconclusies. Dat doe ik vanzelfsprekend, want deze verklaring moet een-op-een worden overgenomen, maar ik voorzie daar eigenlijk geen problemen in. Er werd mij ook gevraagd of ik mij inzet om te bewerkstelligen dat het Europees Octrooibureau zijn praktijken zal aanpassen. Vanzelfsprekend, maar het Europees Octrooibureau heeft al aangegeven in afwachting van verdere besluitvorming alle patentaanvragen en bezwaarprocedures die betrekking hebben op klassieke veredeling voorlopig aan te houden. Door de landen van het EOB wordt ook gesproken over de manier waarop de interpretatieve verklaring in de verleningspraktijk van het EOB kan worden geïmplementeerd. Er ontstaat dus een beweging zoals we die wensten, maar we zullen vanuit beide verantwoordelijkheden, zowel ten aanzien van het Europees Octrooibureau als in de Raad Concurrentievermogen, erop toezien dat de stappen die we wilden zetten, daadwerkelijk worden vertaald naar de praktijk. Daarmee heb ik alle specifieke vragen die hierover werden gesteld beantwoord.

Mevrouw Ouwehand had een vraag gesteld over het klonen van dieren: hoe verankeren we het "nee, tenzij"-beleid? Dat is al verankerd. Het staat namelijk al in de Wet dieren. Genetische modificatie of klonen van dieren is verboden, tenzij we het doel maatschappelijk acceptabel vinden. Het moge helder zijn dat sportdoeleinden of vermaaksdoeleinden niet acceptabel zijn. De enige doelen waarvoor we het wel toestaan, zijn biomedische doelen. Je kunt je voorstellen dat het wordt toegestaan voor onderzoek dat bijvoorbeeld kan leiden tot de ontwikkeling van medicijnen. Dat is ook een van de doelen waarvoor we het wel toestaan. In Nederland mag het niet worden gebruikt voor vermaak, voor huisdieren, voor dieren die worden ingezet in sportwedstrijden et cetera. Dat is ook verankerd in de wet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hoor de bel gaan. Gaan we nu al stemmen? O nee, de bel is al gestopt.

De voorzitter:
We gaan vrij snel hierna stemmen. Ik denk dat de bel ging omdat het debat in de plenaire zaal is afgerond. Ik heb echter nog niet gehoord wanneer we gaan stemmen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Een probleem dat het kabinet over het hoofd ziet in de beantwoording van de laatste twee vragen, is de techniek van de CRISPR/Cas. Op DNA-niveau wordt er geknutseld aan dieren en planten. Dat kun je zien als je de productbenadering hanteert. Dan kun je beoordelen wat de voorgeschiedenis is van een product dat we importeren of vrijgeven op de markt. Het kabinet is van plan om de productbenadering los te laten, maar als je die loslaat, zie je het niet meer. Als in de VS met deze techniek is geknutseld aan het DNA van dieren, dan kunnen we dat niet meer beoordelen, gelet op onze wetgeving en de lijn van het kabinet. We importeren het dan wel. Dat verhoudt zich niet goed tot het "nee, tenzij"-beginsel dat de staatssecretaris terecht noemde. We doen dit in Nederland niet met dieren en we willen het ook niet importeren. Hetzelfde bezwaar geldt voor de octrooieerbaarheid van onze voedselgewassen. De staatssecretaris heeft een goede inzet, maar als we deze techniek ruim baan geven en afstappen van de productbenadering, dan worden allerlei gewassen gepatenteerd en geoctrooieerd. De inzet van de staatssecretaris kan daar niet tegenop. Mijn oproep aan het kabinet is om goed te kijken naar de gevolgen van het toelaten van deze techniek en het loslaten van de productbenadering, want het heeft effecten die het kabinet zelf zegt niet te willen.

Staatssecretaris Van Dam:
Ik zei al dat de staatssecretaris van I en M straks uitgebreid zal ingaan op de CRISPR/Cas9-techniek. Het antwoord dat ik gaf, ging over de vraag van mevrouw Ouwehand over het klonen van dieren. Ik heb duidelijk gezegd dat dat in Nederland niet is toegestaan, "tenzij". Dat "tenzij" betekent in de praktijk: eigenlijk alleen voor biomedische doeleinden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan is er verwarring ontstaan. Ik heb niet gevraagd naar het klonen van dieren, maar expliciet naar het gebruik van deze techniek op DNA-niveau van dieren. De staatssecretaris van EZ beantwoordt die vraag nu, maar ik begrijp dat de staatssecretaris van Milieu er zo op zal ingaan. Ik hoop dat zij de goede inzet van de staatssecretaris van EZ bij het niet willen van patenten op onze voedselgewassen gaat doorzetten als zij CRISPR/Cas en een productbenadering wil.

De voorzitter:
Dat zullen wij zo horen.

De heer Remco Bosma (VVD):
Draait mevrouw Ouwehand de proces- en de productbenadering niet om?

De voorzitter:
Nee, nee, nee, nee, nee, we gaan niet interrumperen als iemand niet aan het woord is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Bosma heeft gelijk: ik versprak me. Maar het kabinet heeft me, denk ik, wel goed begrepen.

De voorzitter:
Oké, dat was geen interruptie, maar hulp van de heer Bosma.

(…)

Staatssecretaris Dijksma:
Voorzitter. Ik heb drie blokjes met reacties op vragen. Het eerste gaat over de teelt van mais en de toelating ervan. Het tweede gaat over nieuwe technieken en de manier waarop wij daarmee omgaan. Geven we gas, staan we op de rem of kiezen we voor een verstandige tussenweg? Het derde blokje bevat diverse onderwerpen.

Ik begin met de motie van mevrouw Ouwehand en de toelating van de teelt van mais. Staatssecretaris Van Dam heeft daarnet al aangegeven dat er sinds 2014, toen een motie van het lid Ouwehand was aangenomen waarin werd gevraagd om tegen mais 1507 te stemmen, heel veel gebeurd is. Zij gaf destijds aan dat er gerede twijfels waren over de effecten en de bijbehorende pesticiden. Dat moest opnieuw worden bekeken. Die motie in indertijd naar de letter uitgevoerd. Als er in de Raad Algemene Zaken gestemd zou worden, zouden wij tegenstemmen. Maar die stemming heeft nooit plaatsgevonden. Mede dankzij de motie hebben wij als Nederland in Europa de leiding genomen in de discussie over het afwegingskader. Er was voor de Nederlandse regering op basis van het oordeel van EFSA geen twijfel over de veiligheid voor mens en milieu, maar dan nog kun je om politiek-maatschappelijke redenen vinden dat in jouw land die gewassen niet geteeld moeten worden. En dus is er sinds 2014 — ik heb daar zelf nog een bijdrage aan mogen leveren — heel hard gewerkt aan die mogelijkheid binnen Europa om een nationaal ggo-teeltverbod te organiseren. Dat hebben wij ook gedaan.

Vervolgens heb ik in de brief van 5 oktober 2016 in mijn nieuwe verantwoordelijkheid aangegeven dat er een stemming zou plaatsvinden over drie maissoorten, waaronder mais 1507. Ik heb in die brief aangekondigd dat Nederland voor zou stemmen. Daar is een debat over gevoerd, waarbij moties zijn ingediend. Het Nederlandse standpunt was het volgende. Op het moment dat een milieurisicobeoordeling plaatsvindt en er geen twijfels zijn over de veiligheid voor mens en milieu, dan hebben wij geen titel om de toelating in Europa te weigeren. Dat is iets anders dan zeggen wat je voor je eigen land wilt. Dat wij in Nederland zeggen dat wij dit niet willen, is evident en dat staat dus ook niet meer ter discussie. Ik heb toen aangegeven dat ik voornemens was om in elk geval niet tegen Europese toelating te stemmen. Er zijn ook toen weer moties ingediend. Een ervan betrof het verzoek aan de regering om zich te onthouden van stemming tot er overleg met de Kamer zou zijn gevoerd. Die motie is ontraden en vervolgens aangehouden. De andere motie, die opnieuw opriep om tegen te stemmen, is ontraden en vervolgens verworpen. Mevrouw Ouwehand suggereert nu dat ik de motie van 2014 niet heb uitgevoerd. Ik probeer nu omstandig uit te leggen dat dat wel gedaan is, maar dat we nu, ook in dit debat, een paar jaar verder zijn. We hebben eigenlijk ditzelfde debat in oktober gevoerd en er is toen ook een stemming geweest. De Nederlandse regering heeft de ruimte gekregen om te handelen zoals zij heeft gedaan.
(…)

Voorzitter. Ik ga verder met mijn volgende blokje. Dat is het blokje "nieuwe technieken". Daar is een aantal vragen over gesteld. We hebben niet voor niets de Trendanalyse Biolotechnologie 2016 gevraagd. Er zijn inderdaad een heleboel nieuwe technologische ontwikkelingen die vragen om een adequate reactie van de overheid. We moeten er wel bovenop blijven zitten, want bij dit type technologie loop je als je niet uitkijkt heel snel letterlijk achter de feiten aan. Dat is overigens voor iedereen vervelend, voor de mensen die een bepaalde technologie niet verder willen laten ontwikkelen en ook voor degenen die vinden dat er een snel besluit nodig is omdat zij van mening zijn dat die technologie wel een kans biedt. Ik heb recentelijk een brief gestuurd over gene drives. Dat is een voorbeeld van het soort snelle nieuwe ontwikkelingen waar ik op doel. Hierover zijn ook specifieke vragen gesteld, onder anderen door mevrouw Ouwehand. Daar zal ik zo meteen verder op ingaan.

We nemen maatregelen om een veilige toepassing van technieken te waarborgen. Je ziet dat zowel beleid als regulering gemoderniseerd moet worden om toekomstbestendig te zijn. Dat geldt ook voor Europa, waar onduidelijkheid is ontstaan over nieuwe veredelingstechnieken om bijvoorbeeld ggo's te ontwikkelen. Nederland pleit overigens in de Europese Unie — met steun van een meerderheid van de Kamer, zo zeg ik erbij — al jaren voor het vrijstellen van een aantal technieken als die eenmaal veilig bevonden zijn. Een voorbeeld daarvan is cisgenese. We wachten nu al zeven jaar op een juridische analyse daarvan van de Europese Commissie en daarmee op een besluit over de status van die technieken. Zolang er geen duidelijkheid is, beschouwt Nederland de producten van deze nieuwe technieken als ggo's. Dat hebben we eerder in antwoord op Kamervragen gezegd. Onze opvatting is dat de onduidelijkheid die daardoor is ontstaan eigenlijk niet te lang moet voortduren. We zien dat innovaties worden belemmerd en dat er een vlucht van research and development naar buiten Europa aan het ontstaan is. Ook komen producten van de toepassing van technieken buiten Europa uiteindelijk toch gewoon op de Europese markt, omdat we geen mogelijkheden hebben om daar bijvoorbeeld een belemmering tegen op te werpen. Dan zie je dat je eigenlijk niet toekomstbestendig bezig bent.

Dan de specifieke vraag naar gene drives. Mevrouw Ouwehand vraagt of er op dit punt geen moratorium nodig is. Met gene drives is het onder bepaalde omstandigheden mogelijk om snel hele populaties van bepaalde organismen te veranderen. Dat geldt met name voor organismen die zich snel kunnen voortplanten. Dan moet worden gedacht aan insecten. Die veranderingen in populaties — daarom is het een techniek die veel discussie met zich meebrengt — kunnen onomkeerbaar zijn. We kunnen op dit moment gewoon niet overzien wat voor risico's dat met zich meebrengt. Het is dus heel belangrijk om dat te bekijken. Ik zie echter tegelijkertijd dat deze gene drives bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van malaria of ziektes als zika en dengue. Daarom is het belangrijk dat we meer wetenschappelijke informatie verzamelen. Dat is iets anders dan het nu toestaan van de toepassing ervan. Dat zijn echt twee verschillende dingen. Als er niet meer onderzoek kan plaatsvinden, kunnen we als samenleving uiteindelijk ook niet de kansen en de risico's tegen elkaar afwegen.
(…)

Mevrouw Ouwehand vroeg of wij ten aanzien van die nieuwe technieken het voorzorgprincipe en de proces- en productbenadering loslaten. Het makkelijkste antwoord daarop is: nee, dat doen we niet. Dat zit namelijk in de Europese definitie. Als je daar al van af zou willen, kan dat alleen op Europees niveau gewijzigd worden. Wij zijn niet voornemens om dat nu te doen, maar we hebben wel overleg met verschillende mensen uit sector om te bekijken wat nu eigenlijk de voors en de tegens van bijvoorbeeld het loslaten van de procesbenadering zijn. Waarom zou men dat willen en wat zijn de nadelen ervan? Dat kwam ook tijdens de consultatie naar voren. Omdat dit iets is wat in de consultatie is ingebracht, hebben we dat in de brief opgenomen. We hebben dus niet nu, op dit moment, al een voornemen om dat te gaan wijzigen.

(…)

De voorzitter:
Ik zie dat de heer Bosma geen vervolgvraag heeft, maar mevrouw Ouwehand heeft nog wel een vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Misschien loop ik vooruit op de beantwoording van de staatssecretaris, maar ten aanzien van deze techniek en ook bij andere technieken heb ik erop gewezen dat experts in de veredelingssector zeggen dat er, juist omdat je geen verschil meer kunt maken in het proces, een hausse aan octrooien wordt verwacht. Is de staatssecretaris van plan om ook daarop te reageren in die brief of heeft zij daar nu al antwoord op? Ik denk namelijk dat we dat serieus moeten nemen, gelet op onze inzet om juist vanwege de diversiteit in ons voedselaanbod en in onze gewassen die octrooieerbaarheid een halt toe te roepen.

Staatssecretaris Dijksma:
Daar kan ik een paar dingen over zeggen. De octrooieerbaarheid is inderdaad de afdeling van de collega. Dan over deze techniek. Als je in het product zelf niet kunt detecteren of er genetisch gemodificeerd is of als bij een product niet kan worden bepaald op welke wijze dat gedaan is, kan dat wel aan de hand van het in beeld brengen van het proces. Daarom is dat soms dus wel degelijk belangrijk. Dan kun je bij een producent nagaan hoe het tot stand is gebracht. Ik wacht nog op informatie van de COGEM, onder andere hierover. Dat wil ik doen. Ik denk dat het goed is — dan kijk ik even naar links, naar mijn collega, of ik dat kan toezeggen — om als we toch een brief sturen, daarin even een passage op te nemen over het specifieke punt van de octrooien. Er wordt geknikt, ruimhartig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat lijkt me heel fijn, dank daarvoor. Ik geef even mee waarom we daar zo huiverig voor zijn op dit moment. Juist als je niet meer aan het product kunt zien of daaraan iets is versleuteld of niet, zou je dus voor een met deze techniek tot stand gekomen gewas octrooi kunnen aanvragen op eigenschappen die later wellicht ook gewoon te vinden zijn in de natuur. Degenen die dat patent dan in handen hebben, maken het dan voor de anderen onmogelijk omdat zij die eigenschap hebben gepatenteerd. Dan is er geen onderscheid meer te maken: is het in het proces gebeurd of is het in de natuur aangetroffen? Dat is de nuance. Ik zou heel graag willen dat het kabinet ook een analyse maakt van de effecten van het toelaten van deze technieken.

Staatssecretaris Dijksma:
Ja, wij zullen dat in de brief meenemen.

Tweede termijn:

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik dank de beide bewindspersonen voor de uitvoerige beantwoording. De Partij voor de Dieren is bezorgd over de ontwikkelingen, maar is blij dat ook het kabinet laat zien goed te willen nadenken. Ik zou dus de oproep willen doen om dat vooral te blijven doen en op dit dossier geen stappen te zetten waar we spijt van gaan krijgen. Het punt met de genetische manipulatie is juist dat we niet meer terug kunnen als er onvoorziene effecten optreden en in het milieu zijn terechtgekomen. Daarom is het zo belangrijk om verschrikkelijk voorzichtig te zijn, wat je er verder ook van vindt.

De staatssecretaris van Milieu heeft uitvoerig uitgelegd waarom ze toch dacht dat Nederland in Brussel voor de toelating van de mais 1507 in Europa kon stemmen. Deze omstreden mais houdt verband met een gifsoort waar we vanaf willen. De uitleg klopt gewoon niet. Het kabinet zegt: als de EFSA heeft geoordeeld dat het veilig is, hebben wij geen titel om tegen te stemmen. Dat is niet waar. Het is een politieke keuze om de EFSA alle bevoegdheden in handen te geven. Wij zijn er ook nog. Er zijn beslissingen in de Raden. Dertien landen hebben tegengestemd. Er waren zeven onthoudingen. Niet iedere lidstaat maakt dus de keuze om te zeggen: als de EFSA haar werk heeft gedaan, doet onze mening er niet meer toe. Onze mening doet er wel toe. De EFSA is niet het Europees Octrooibureau. Godzijdank niet, want dat kunnen we niet bijsturen. Wat de EFSA zegt is een advies voor verdere politieke besluitvorming. De Kamer heeft gezegd: mooi als die teelt niet in Nederland gaat plaatsvinden, maar we hebben ook een verantwoordelijkheid voor het beschermen van het Europese milieu; we willen dat dus niet.

Diezelfde zorgen hebben we over het beoordelingskader voor het kunnen weigeren van de teelt van gengewassen, ook als ze Europees zijn toegelaten.

De voorzitter:
Wilt u afronden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ja, voorzitter. Dan zeg ik daarover dat ik die criteria wil aanscherpen en dat ik daarover graag moties wil indienen.

Tot slot heb ik een vraag aan de staatssecretaris van EZ. Hij had het over het klonen van dieren. Er liggen voorstellen in Europa waar al een poos geen beweging meer op is. Kan hij een stand van zaken geven over de twee voorstellen over het klonen van dieren en het reguleren van de import?

Staatssecretaris Van Dam:
Voorzitter. Ik heb een vraag van mevrouw Ouwehand genoteerd over het klonen van dieren. Zij vroeg of er beweging is op de voorstellen van de EU. Niet echt; dat is eigenlijk het antwoord. Het gaat om de voorstellen van de Commissie die zijn ingediend in 2013 voor het verbieden van het klonen van landbouwhuisdieren. Daarin zitten ook de punten uit een eerdere motie van mevrouw Ouwehand, zoals een importverbod voor gekloonde huisdieren. Zolang er echter nog geen Europese regelgeving op het terrein van klonen is, kan de import van gekloonde huisdieren en landbouwhuisdieren niet worden tegengehouden. Er zijn dus dezelfde veterinaire importregels van kracht die gelden voor alle huisdieren en landbouwhuisdieren. Vooralsnog zit er niet echt beweging op dat dossier. Er is dus nog geen zicht op dat het anders wordt opgelost. Ik heb geen andere vragen aan mij genoteerd.

Staatssecretaris Dijksma:
Voorzitter. Over de toelating van mais zeg ik nogmaals dat het volgens mij belangrijk is om vast te stellen dat de betreffende maissoort na de motie in 2014 opnieuw beoordeeld is door de EFSA en de COGEM. Vervolgens is er ook nog een heel traject opgezet om de teelt van ggo-gewassen in Nederland te kunnen mijden. Dat is allemaal gebeurd. Daarnaast hebben we naar aanleiding van de brief van 5 oktober eigenlijk opnieuw het debat hierover gevoerd. Toen zijn er opnieuw moties ingediend. De Kamer heeft mij toen toegestaan — zo is het namelijk — om voor te stemmen. Ik ben het met mevrouw Ouwehand eens dat uiteindelijk alles altijd een politieke afweging is of blijft. De Nederlandse regering heeft steeds gezegd: wij staan toe dat er in Europa gewassen worden toegelaten als er geen veiligheidsrisico is voor mens, dier en milieu. Wij zijn het erover eens dat het daarnaast om maatschappelijke redenen bijvoorbeeld gewenst kan zijn om de teelt van gengewassen in Nederland uit te sluiten, behalve in een aantal proefvelden in Wageningen. Daarvan vind ik dat mensen er gewoon met hun handen moeten afblijven, maar volgens mij vindt iedereen die hier zit dat.

Dit debat hebben we dus echt gevoerd. Het is met moties opnieuw beslecht, zou ik haast zeggen. Mevrouw Ouwehand kan mij nu niet verwijten dat ik, nadat dat dus allemaal nog een keer opnieuw gebeurd is, tegen haar motie in handel. De situatie is namelijk feitelijk veranderd. Dat is in oktober met de Kamer gewisseld. Toen zijn er opnieuw moties ingediend. Toen had de Kamer opnieuw kunnen zeggen: dat mag u niet doen. Dat heeft de Kamer niet gedaan. Ik ben altijd erg voor feiten. Dit is hoe het feitelijk gegaan is. Ik begrijp dat ook wel, omdat er tussen 2014 en 2016 heel veel veranderd is. Er zijn ook een aantal goede dingen gebeurd, en daar heeft mevrouw Ouwehand volgens mij mede een rol in gespeeld. Ere wie ere toekomt dus.