Bijdrage Algemeen Overleg LNV over natuur­beleid


24 april 2007

Reactie op Initiatiefnota ‘Natuurbeleid: een onnodig groeiend ongenoegen’ van Koopmans en Jager (CDA)

Voorzitter,

Deze nota maakt weer duidelijk hoe de zogenoemde landbouwcoalitie kijkt naar dieren, natuur en milieu. Deze zienswijze zorgt voor het groeiend ongenoegen van ruim 4 miljoen dieren-, natuur en milieubeschermers. De initiatiefnemers maken de belangen van dieren en de natuur ondergeschikt aan de kortetermijnbelangen van de mens, in het bijzonder de homo economicus die vervreemd lijkt van z’n oorsprong. Het enige levende wezen dat er niet voor terugschrikt z’n eigen leefomgeving onomkeerbaar aan te tasten of zelfs te vernietigen.

De initiatiefnota wakkert de angst voor de natuur aan en wekt de suggestie dat natuur en wetgeving om de natuur te beschermen vooral een belemmering voor de mens zou vormen.
Het uitgangspunt van rentmeesterschap waar het CDA ooit voor zei te staan is in de hele nota niet terug te vinden.

Waar geen significante verstoring optreedt, zouden ondernemers vergunningloos hun gang moeten kunnen gaan om te doen wat ze willen.

Die significantie krijgt nauwelijks nadere invulling. De indieners lijken niet bereid te handelen vanuit het voorzorgsprincipe, het zogenaamde no-regretscenario. De Partij voor de Dieren wil significantie bezien vanuit de gedachte van onomkeerbaarheid van de gevolgen. Wie eiken kapt in het leefgebied van het vliegend hert, weet dat het leefgebied van een bedreigde diersoort daarmee blijvend verloren gaat. Wie een autoboulevard aanlegt in het leefgebied van de kamsalamander, weet dat de kamsalamander geen uitweg heeft. Waardevolle soorten als das, zeehond, hazelworm, vuursalamander moeten vrezen dat de plannen van het CDA voor hen het einde van hun bescherming zullen inluiden.

De natuur in Nederland verdient meer bescherming, zeker niet minder. Natura 2000 gebieden zullen moeten worden uitgebreid, niet ingeperkt. De Waddenzee zal binnen de kortste keren moeten worden aangewezen als Natura 2000 gebied en we zullen eerder meer dan minder aandacht moeten geven aan internationale natuurbeschermingsovereenkomsten zoals de conventie van Bern, habitatrichtlijn en Europese vogelrichtlijn.

Nederland lapt de regels nu voortdurend aan z’n laars, bijvoorbeeld door het tegen alle regels in ontmantelen van een broedkolonie van meeuwen in het Botlekgebied en er wordt niet opgetreden.

Wat de Partij voor de Dieren betreft kan deze hele initiatiefnota zo snel mogelijk van tafel, de prullenbak in. Ik hoop dat de Partij van de Arbeid en de Christenunie zich niet hebben laten gijzelen door het CDA om de natuur een mes in rug te steken, en hun verkiezingsprogramma en hun verkiezingsbeloftes volgen. Dan is er nauwelijks discussie nodig om deze nota als wrange echo van het meest dier-, natuur- en milieuonvriendelijke kabinetsbeleid uit de Nederlandse geschiedenis snel te laten verstommen.

  1. PvdD is ook voor vermindering van administratieve lastendruk en bureaucratie. Maar niet ten koste van de inhoud en intentie van het natuurbeleid. Bovendien hangt de beleving van lastendruk en bureaucratie sterk samen met de waardering van beleid. Vermindering van lastendruk en vergroting van draagvlak kan ook worden bereikt door in te zetten op meer begrip voor natuur en wat die voor ons betekent. In plaats van versoepeling van regels en interpretaties om draagvlak te creeren; kan voorlichtring en het meer betrekken van burgers bij de natuur veel kansrijker zijn om dat draagvlak te realisren. Hoe staat het CDA hier tegenover?
  2. Het CDA wil meer duidelijkheid over het begrip ‘significant’. Is zij met ons van mening dat bij de invulling van dit begrip het voorzorgsprincipe moet gelden? Dus dat elke mogelijkheid bij individuele activiteiten van het ontstaan van onomkeerbare processen vergunningsplichtig is en waarbij ook aandacht wordt gegeven aan de mogelijke cumulatie van deze activiteiten bij een natuurgebied?

Reactie op brief van de minister over initiatiefnota

Voorzitter,

De minister heeft bij haar aantreden aangegeven “het heel anders te gaan doen op een aantal punten dan haar voorganger”. En in het TV programma ‘De wereld draait door’ heb ik de minister horen zeggen dat ze vooral de minister van natuur en voedselkwaliteit wil zijn.

Van die goede voornemens vind ik weinig terug in de reactie van de minister op de initiatiefnota.
De minister lijkt vooral de kant te kiezen van hen die de natuur vooral als lastig beschouwen , als een hindernis voor economische uitbreidingsplannen.

Nergens vind ik het begrip duurzaamheid terug in de reactie van de minister. Terwijl dat juist een kernbegrip zou moeten zijn voor een minister die vooral van natuur en voedselkwaliteit zegt te zijn.

Integendeel. Ik lees dat de minister klimaatsveranderingen ruimte bieden voor een dynamische benadering. Op welke dynamiek doelt de minister eigenlijk, op het verder oprekken van mogelijkheden tot exploitatie van een natuur die steeds verder in de knel komt?

Natuurgebieden worden omgevormd tot level-playing fields. Met hoeveel geringschatting kan je over de natuur spreken door alle aandacht te focussen op level playing fields? Zij daar kappen bomen, dan moeten wij het hier ook mogen? Zij lopen beschermde dieren onder de voet, dan moet het hier ook mogen.

De Partij voor de Dieren vindt dat van een wel zeer beperkte visie getuigen, die strijdig is aan wat een ruime kamermeerderheid in haar verkiezingsprogramma en tijdens de verkiezingscampagne heeft uitgedragen aan de kiezers.

Graag willen we van de minister weten hoe het kan dat ze de indieners van de nota op tal van punten tegemoet wil komen, hoewel dat strijdig is met de nieuwe politieke verhoudingen in dit huis.

Kan de minister aangeven hoe ze invulling wil geven aan het begrip ‘significantie’. Deelt ze de opvatting van de Partij voor de Dieren dat vanuit het voorzorgsbeginsel gehandeld dient te worden en dat alle onomkeerbare ontwikkelingen in het schaden van bijzondere natuurwaarden als significant moeten worden aangemerkt?

Kan de minister aangeven wat ze bedoeld wanneer ze zegt dat bouwers en projectontwikkelaars er alles aan doen om geen nieuwe natuur te laten ontstaan op braakliggende terreinen? Kan ze ook aangeven of er aanwijzingen zijn dat ze zelfs bestaande natuur waarden beschadigen of teniet doen om hun bouwplannen veilig te stellen? En kan zij aangeven hoe zij hiermee om wil gaan?

Ligt het niet veel meer in de rede om daar beter toezicht op uit te oefenen en strengere sancties in het vooruitzicht te stellen, dan versoepelingen na te streven zoals de minister nu lijkt te stellen in haar brief?

Wat bedoelt de minister met het haalbaar en betaalbaar beginsel bij de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden? Sommige natuurwaarden zijn van onschatbare waarde. Hoe beoordeelt de minister dat in termen van haalbaar en betaalbaar?

Wat wil de minister met het belangrijker maken van beheerplannen die vergunningen overbodig zouden kunnen maken. Is dit een nieuwe uiting van zelfregulering waarvan de natuur geen bescherming kan verwachten? Waarom moet de totstandkoming van beheerplannen 3 jaar op zich laten wachten, is dat een kwestie van prioritering?

En waarom zouden we het vergunningsvereiste voor niet significante verstoring al willen schrappen nog voordat we het eens zijn over de definitie van significantie.

Ten aanzien van de evaluatie Flora- en faunawet de volgende vraag. De minister geeft aan dat er met allerhande partijen geëvalueerd wordt en dat de kamer over de resultaten geïnformeerd zal worden. Dat is niet de afspraak zoals gemaakt bij de invoering van de wet. De Flora- en faunawet behoort in dit huis geëvalueerd te worden, en er behoort geen evaluatie door derden als kennisgeving te worden aangenomen. Graag uw reactie daarop.

Juridische verplichtingen op basis van de Conventie van Bern, het biodiversiteitsverdrag, habitat- en vogelrichtlijn zullen eindelijk serieus genomen moeten worden nadat we al verschillende keren vanuit Europa op de vingers zijn getikt. Versoepelingen zijn absoluut niet van deze tijd en in strijd met de gewijzigde politieke verhoudingen in dit huis.

Het gaat niet om regeldruk en percepties daarover, maar om het omzetten van wettelijke bescherming tot werkelijke bescherming. Daarmee is een wereld te winnen, en daar kunnen we beter mee aan de slag dan met het achterhoedegevecht dat geboren is uit een groeiend ongenoegen van een sector die door een falend landbouw- en natuurbeleid verkeerde keuzes gemaakt heeft in het verleden en op die verkeerde weg voort lijkt te willen tot het bittere eind.

Tot slot nog enkele vragen:

  1. Zal de minister bij de definiëring van het begrip significant inzetten op het nateren van het voorzorgsprincipe? Dus dat elke mogelijkheid bij individuele activiteiten van het ontstaan van onomkeerbare processen vergunningsplichtig is en waarbij ook aandacht wordt gegeven aan de mogelijke cumulatie van deze activiteiten bij een natuurgebied?
  2. De beleving van administratieve lastendruk en bureaucratie hangt sterk samen met de waardering van beleid. Dat kan ook door in te zetten op meer begrip voor natuur en wat die voor ons betekent. In plaats van versoepeling van regels en definiëringen om draagvlak te creeren kan voorlichting en het meer betrekken van burgers bij de natuur veel kansrijker zijn om dat draagvlak te realiseren? Wat vindt de minister hiervan en hoe wil zij dit stimuleren?
  3. Op pagina 2 van haar brief geeft de minister aan dat zij de vergunningverplichting voor niet significante verstoring gaat schrappen. Hoe bepaalt zij wat niet significant is (zie ook eerste vraag). Hierbij bestaat de kans op cumulatie van kleine niet-significante verstoringen die tezamen een grote verstoring kunnen veroorzaken.