Vragen Van Raan over het bericht “Inlich­tin­gen­diensten: stop je inti­mi­de­rende bezoekjes"


1. Bent u bekend met de berichten ‘Inlichtingendiensten: stop je intimiderende bezoekjes’[1] en ‘Hoe de politie informanten werft onder klimaatactivisten’?[2]

2. Begrijpt u dat burgers bezorgd zijn over het feit dat Nederland nog ver verwijderd is van het behalen van de noodzakelijke klimaatdoelstellingen? Begrijpt u de extra zorgen nu steeds duidelijker lijkt te worden dat Nederland het door de rechter in de Urgenda uitspraak verplichte doel om in 2020 minimaal 25% CO2 te reduceren ten opzichte van 1990 waarschijnlijk niet gaat halen? En nu blijkt dat het summiere doel om 14% duurzame energie op te wekken in 2020 niet gehaald gaat worden?

3. Kunt u, net als uw collega van Economische Zaken en Klimaat eerder deed, onderschrijven dat de klimaatstakers en activisten de wetenschap aan hun zijde hebben wanneer zij stellen dat er onvoldoende klimaatmaatregelen genomen worden? [3][4]

4. Kunt u aangeven op welke wijze burgers, anders dan via de rechtsgang, de Staat tot de orde kunnen roepen wanneer ernstige en onomkeerbare schade wordt toegebracht aan de leefomgeving, de biodiversiteit, het klimaat en de natuur?

5. Kunt u aangeven op welke wijze burgers, anders dan via de rechtsgang, de Staat tot de orde kunnen roepen wanneer hun (mensen)rechten geschonden dreigen te worden?

6. Kunt u aangeven op welke wijze burgers de Staat tot actie kunnen dwingen wanneer hun (mensen)rechten geschonden worden ondanks een gerechtelijk uitspraak die de Staat tot actie dwingt?

7. Op basis van welke criteria wordt een veronderstelde ‘dreiging’ in beeld gebracht? En door welke organisaties?

8. Bent u van mening dat burgers of organisaties die zich vrijwillig, geweldloos en met open vizier inzetten om de volgens de wetenschap benodigde klimaatactie van de grond te krijgen als dreiging gezien moeten worden? Zo ja, waarom?

9. Op basis van welke criteria werd de veronderstelde ‘dreiging’ van klimaatactivisten in beeld gebracht? En door welke organisaties? Welke andere activistengroepen worden benaderd en waarom?

10. Kunt u per overheidsdienst een tijdlijn geven met de door hen (geschatte) dreiging die uit zou gaan van klimaatactivisten? Wanneer zijn zij voor het eerst als dreiging aangemerkt en waarom?

11. Zou naar uw mening het veroorzaken van maatschappelijke ontwrichting reden zijn om een organisatie als bedreiging voor de maatschappij te beschouwen?

12. Moet er sprake zijn van een reële dreiging alvorens over gegaan mag worden tot de inzet van informanten? Zo nee, hoe is dit wettelijk geregeld?

13. Welke informatie heeft ertoe geleid dat overgegaan werd tot de inzet van informanten? Wanneer was dat?

14. Kunt u aangeven hoeveel burgers uit de klimaatbeweging de inlichtingendiensten of aanverwante diensten benaderd hebben? Kunt u aangeven hoeveel organisaties uit de klimaatbeweging de inlichtingendiensten of aanverwante diensten benaderd hebben? Zo nee, waarom niet?

15. Op basis van welke criteria zijn de desbetreffende individuen benaderd? En op basis van welke criteria zijn de desbetreffende organisaties benaderd?

16. Kunt u aangeven waarom de burgers, die zich belangeloos inzetten voor het behoud van een leefbare planeet, heimelijk benaderd worden? Kunt u aangeven waarom deze heimelijke benaderingswijze noodzakelijk zou zijn geweest? Waarom kan de overheid niet, net als de activisten, met open vizier contact zoeken?

17. Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk zou zijn geweest dat de agenten gebruik maakte van neplegitimatiebewijzen?

18. Kunt u zich voorstellen dat de in de artikelen beschreven werkwijze als intimiderend en dreigend ervaren is? Zo nee, waarom niet?

19. Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk en wettig zou zijn geweest dat deze agenten beschikte over uitgebreide en vertrouwelijke persoonsgegevens van de benaderde individuen? Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk en wettig zou zijn geweest dat de agenten deze informatie intimiderend en dreigend inzetten? Kunt u bij beide vragen de noodzaak en wetmatigheid uitgesplitst beantwoorden?

20. Is deze intimiderende en dreigende werkwijze naar uw mening proportioneel? Zo ja, waarom? Wie toetst de proportionaliteit van deze werkwijze?

21. Bent u met de Partij voor de Dieren van mening dat het beter is om energie te steken in het aanpakken van het klimaatprobleem dan in het aanpakken van klimaatactivisten?

22. Kunt u zich voorstellen dat na het decennia lang negeren van de oproep om over te gaan tot actie in de strijd tegen de klimaatverandering burgers in afnemende mate vertrouwen houden in de door de regering voorgespiegelde oplossingen? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich voorstellen dat dit gevoel versterkt is nu zowel de wetenschap als de gerechtelijke macht zich hebben uitgesproken tegen het huidige overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?

23. Bent u bereid de intimiderende en bedreigende werkwijze van inlichtingendiensten en aanverwante diensten jegens klimaatactivisten stop te zetten? Zo nee, waarom niet?

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/04/inlichtingendienst-stop-je-intimiderende-bezoekjes-a3962612

[2] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/04/hoe-de-politie-informanten-werft-onder-klimaatactivisten-a3962613

[3] https://nos.nl/artikel/2270851-wetenschappers-steunen-klimaatspijbelaars-groot-gelijk.html

[4] https://www.partijvoordedieren.nl/vragen/vragen-van-raan-over-het-bericht-dat-ruim-3-200-belgische-wetenschappers-en-academici-de-klimaatstakers-groot-gelijk-geven

Antwoorddatum: 30 aug. 2019

1. Bent u bekend met de berichten ‘Inlichtingendiensten: stop je intimiderende bezoekjes’ [1] en ‘Hoe de politie informanten werft onder klimaatactivisten’? [2]

Antwoord: Ja

2. Begrijpt u dat burgers bezorgd zijn over het feit dat Nederland nog ver verwijderd is van het behalen van de noodzakelijke klimaatdoelstellingen? Begrijpt u de extra zorgen nu steeds duidelijker lijkt te worden dat Nederland het door de rechter in de Urgenda uitspraak verplichte doel om in 2020 minimaal 25% CO2 te reduceren ten opzichte van 1990 waarschijnlijk niet gaat halen en nu blijkt dat het summiere doel om 14% duurzame energie op te wekken in 2020 niet gehaald gaat worden?

Antwoord: Ik verwijs u naar de antwoorden op vragen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat[3] waarin op deze vraag wordt ingegaan.

Nederland onderschrijft de doelstellingen van het Parijsakkoord. In het regeerakkoord heeft het kabinet dan ook een ambitieus doel gesteld: een nationale reductie van 49% in 2030 ten opzichte van 1990. Daarnaast pleiten we voor een Europese doelstelling van 55% broeikasgasreductie in 2030. Deze ambitie voor 2030 is een belangrijke tussenstap op weg naar 95% reductie in 2050. Met de presentatie van het Klimaatakkoord op 28 juni jl. en de implementatie van de Klimaatwet zijn belangrijke stappen gezet in de realisatie van de doelstellingen om klimaatverandering tegen te gaan.

3. Kunt u, net als uw collega van Economische Zaken en Klimaat eerder deed, onderschrijven dat de klimaatstakers en -activisten de wetenschap aan hun zijde hebben wanneer zij stellen dat er onvoldoende klimaatmaatregelen genomen worden?[4][5]

Antwoord: Zoals door mijn collega van Economische Zaken en Klimaat is aangegeven, ziet kabinet het als haar plicht om bij te dragen aan de mondiale klimaatopgave en om een leefbare toekomst voor onze volgende generatie veilig te stellen. Het kabinet onderschrijft de oproep van de beweging Scientists4Climate om structurele maatregelen te nemen om de uitstoot van broeikasgassen te reduceren en daarmee de opwarming van de aarde zo veel mogelijk, en tot een maximale stijging van 2 graden, te beperken. Met de voorstellen zoals deze 28 juni jl. door het kabinet zijn gepresenteerd, wil het kabinet daar invulling aan geven. Het kabinet zet in lijn met het regeerakkoord in op een ambitieuze klimaatambitie van 49% CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Daarnaast bevat de klimaatwet een ambitiedoel van 95% reductie in 2050 (t.o.v. 1990). Deze ambitiedoelstellingen voor 2030 en 2050 zijn daarmee zelfs hoger dan de beweging Scientsist4Climate voorstelt.

4. Kunt u aangeven op welke wijze burgers, anders dan via de rechtsgang, de Staat tot de orde kunnen roepen wanneer ernstige en onomkeerbare schade wordt toegebracht aan de leefomgeving, de biodiversiteit, het klimaat en de natuur?

5. Kunt u aangeven op welke wijze burgers, anders dan via de rechtsgang, de Staat tot de orde kunnen roepen wanneer hun (mensen)rechten geschonden dreigen te worden?

6. Kunt u aangeven op welke wijze burgers de Staat tot actie kunnen dwingen wanneer hun (mensen)rechten geschonden worden ondanks een gerechtelijk uitspraak die de Staat tot actie dwingt?

Antwoord 4, 5 en 6: Burgers kunnen aandacht vragen voor een onderwerp of proberen de overheid tot de orde te roepen door bijvoorbeeld gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting, het recht om te demonstreren en het recht om een petitie in te dienen bij overheidsambten (respectievelijk de artikelen 7, 9 en 5 van de Grondwet). Ook heeft iedereen het recht om een klacht in te dienen over de wijze waarop een bestuursorgaan van (onder meer) de Staat zich in een bepaalde aangelegenheid jegens hem of een ander heeft gedragen (hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht). Het gedrag kan ook bestaan uit het nalaten van bepaalde handelingen. Na de (interne) klachtafhandeling is er onder omstandigheden de mogelijkheid om te klagen bij de Nationale ombudsman over de al dan niet behoorlijkheid van de gedraging van het bestuursorgaan, waarbij ook wordt getoetst op de naleving van grond- en mensenrechten. Er zijn verschillende (andere) organen en instellingen met taken en bevoegdheden op het terrein van de naleving en bevordering van grond- en mensenrechten. Zo bevordert het College voor de Rechten van de Mens de naleving van mensenrechten in praktijk, beleid en wetgeving, en vergroot het bewustzijn van mensenrechten in Nederland. Verder kan bijvoorbeeld nog gedacht worden aan het uitoefenen of (doen) inzetten van politieke instrumenten of activiteiten.

7. Op basis van welke criteria wordt een veronderstelde ‘dreiging’ in beeld gebracht en door welke organisaties?

Antwoord: In het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) wordt geduid welke vormen van radicalisering, extremisme en terrorisme nu of op langere termijn een gevaar (kunnen) vormen voor de nationale veiligheid en/of de democratische rechtsorde.

DTN 50 besteedt aandacht aan zogenoemd eco-protest. In de afgelopen DTN-periode hebben diverse actiegroepen en individuen op legale wijze in Nederland actiegevoerd voor een beter klimaat, bijvoorbeeld via demonstraties en (online) petities. De modus operandi van actievoerders is vooral gericht op het genereren van zo veel mogelijk media-aandacht door aansprekende protestacties. Tegelijkertijd zijn er in binnen- en buitenland ook personen en groeperingen die acties voor een beter milieu plannen en uitvoeren die een meer extremistisch karakter (kunnen) hebben.

8. Bent u van mening dat burgers of organisaties die zich vrijwillig, geweldloos en met open vizier inzetten om de volgens de wetenschap benodigde klimaatactie van de grond te krijgen als dreiging gezien moeten worden? Zo ja, waarom?

Antwoord: Nee, mits deze inzet binnen de grenzen van de democratische rechtsorde gezocht en gevonden wordt.

9. Op basis van welke criteria werd de veronderstelde ‘dreiging’ van klimaatactivisten in beeld gebracht? En door welke organisaties?

Antwoord: Het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) besteedt structureel aandacht aan verschillende vormen van radicalisering, extremisme en terrorisme die, nu of op langere termijn, een bedreiging (kunnen) vormen voor de nationale veiligheid en/of de democratische rechtsorde. Het DTN wordt opgesteld door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid op basis van open en gesloten bronnen.

10. Welke andere activistengroepen worden benaderd en waarom?

14. Welke informatie heeft ertoe geleid dat overgegaan werd tot de inzet van informanten? Wanneer was dat?

15. Kunt u aangeven hoeveel burgers uit de klimaatbeweging de inlichtingendiensten of aanverwante diensten benaderd hebben? Kunt u aangeven hoeveel organisaties uit de klimaatbeweging de inlichtingendiensten of aanverwante diensten benaderd hebben? Zo nee, waarom niet?

16. Op basis van welke criteria zijn de desbetreffende individuen benaderd? En op basis van welke criteria zijn de desbetreffende organisaties benaderd?

19. Kunt u zich voorstellen dat de in de artikelen beschreven werkwijze als intimiderend en dreigend ervaren is? Zo nee, waarom niet?

20. Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk en wettig zou zijn geweest dat deze agenten beschikten over uitgebreide en vertrouwelijke persoonsgegevens van de benaderde individuen? Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk en wettig zou zijn geweest dat de agenten deze informatie intimiderend en dreigend inzetten? Kunt u bij beide vragen de noodzaak en wetmatigheid uitgesplitst beantwoorden?

21. Is deze intimiderende en dreigende werkwijze naar uw mening proportioneel? Zo ja, waarom? Wie toetst de proportionaliteit van deze werkwijze?

Antwoord 10, 14, 15, 16, 19, 20 en 21: Zoals ik gemeld heb in mijn brief van 18 juni jl. (Kamerstuk 29 628 nr. 885), kan er gelet op de vertrouwelijkheid niet worden ingegaan op individuele gevallen. Ten aanzien van de teams criminele inlichtingen (TCI) of openbare orde inlichtingen (TOOI) heb ik aangegeven dat dat de politie zorg draagt voor de proportionaliteit en rechtmatigheid van haar optreden. Voor de opsporing en openbare orde gebeurt het verzamelen van inlichtingen met behulp van informanten onder het gezag van het openbaar ministerie respectievelijk de burgemeester. Mensen die zich niet goed bejegend voelen door de politie kunnen onder meer een klacht indienen bij de politie.

Tot slot geldt voor genoemde teams dat zij ook bij het verzamelen van informatie over potentiële informanten (dus geen subjecten van onderzoek) gebonden zijn aan de grenzen van artikel 3 van de Politiewet en de Wet politiegegevens (zie met name artikel 10). Verder is het denkbaar dat bijvoorbeeld tijdens een opsporingsonderzoek iemand in beeld komt die mogelijk een geschikte informant zou kunnen zijn.

11. Kunt u per overheidsdienst een tijdlijn geven met de door hen (geschatte) dreiging die uit zou gaan van klimaatactivisten? Wanneer zijn zij voor het eerst als dreiging aangemerkt en waarom?

Antwoord: De NCTV besteedt al sinds zijn eerste DTN’s (vanaf 2005) aandacht aan activiteiten van dierenrechten- en milieuactivisten en -extremisten die een dreiging kunnen vormen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde. Sinds een aantal jaar vinden deze activiteiten vaker plaats met het oog op de verhoogde maatschappelijke aandacht voor het klimaat.

12. Zou naar uw mening het veroorzaken van maatschappelijke ontwrichting reden zijn om een organisatie als bedreiging voor de maatschappij te beschouwen?

Antwoord: Organisaties die maatschappij ontwrichtende acties ondernemen kunnen een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid en de democratische rechtsorde.

13. Moet er sprake zijn van een reële dreiging alvorens over gegaan mag worden tot de inzet van informanten? Zo nee, hoe is dit wettelijk geregeld?

Antwoord: Op grond van artikel 10 van de Wet politiegegevens mag de politie gegevens gericht verwerken met het oog op het verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij:

het plegen of beramen van strafbare feiten zoals opgesomd in (zie artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet politiegegevens) of

handelingen die gezien hun aard of frequentie of het georganiseerde verband waarin zij worden gepleegd, een ernstige schending van de openbare orde vormen (artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet politiegegevens), of

handelingen die kunnen wijzen op het beramen of plegen van bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen categorieën van misdrijven die door hun omvang of ernst of hun samenhang met andere misdrijven een ernstig gevaar voor de rechtsorde opleveren (zie artikel 10, eerste lid, onderdeel b van de Wet politiegegevens).

17. Kunt u aangeven waarom de burgers, die zich belangeloos inzetten voor het behoud van een leefbare planeet, heimelijk benaderd worden? Kunt u aangeven waarom deze heimelijke benaderingswijze noodzakelijk zou zijn geweest? Waarom kan de overheid niet, net als de activisten, met open vizier contact zoeken?

Antwoord: Zoals ik in mijn brief van 18 juni jl. (Kamerstuk 29 628 nr. 885) heb aangegeven, kan er gelet op de vertrouwelijkheid niet worden ingegaan op individuele gevallen. In zijn algemeenheid geldt dat de politie ook openlijk informatie inwint. De politie zet heimelijke informatie-inwinning in als de informatie van groot belang is voor de taakuitvoering en aannemelijk is dat burgers dit niet openlijk zullen melden, omdat zij ernstige fysieke, sociale en/of maatschappelijke schade kunnen oplopen als bekend zou worden dat zij de informatie met de politie hebben gedeeld. Voor de wettelijke basis verwijs ik u naar het antwoord op vraag 13.

18. Kunt u aangeven waarom het noodzakelijk zou zijn geweest dat de agenten gebruik maakten van nep- legitimatiebewijzen?

Antwoord: Ik ga niet in op individuele gevallen. Het kader voor het tonen van een legitimatiebewijs door een politieambtenaar is neergelegd in artikel 2 van de Ambtsinstructie. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen politieambtenaren in uniform en in burger. De eerste toont het legitimatiebewijs op verzoek, de tweede ongevraagd, tenzij bijzondere omstandigheden dit onmogelijk maken.

22. Deelt u de mening dat het beter is om energie te steken in het aanpakken van het klimaatprobleem dan in het aanpakken van klimaatactivisten?

Antwoord: Mijn verantwoordelijkheid is die voor het handhaven van de wet. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 3 is aangegeven, heeft het kabinet met de voorstellen zoals deze 28 juni jl. zijn gepresenteerd aangeven langs welke weg zij invulling wil geven aan het tegengaan van klimaatverandering.

23. Kunt u zich voorstellen dat na het decennia lang negeren van de oproep om over te gaan tot actie in de strijd tegen de klimaatverandering burgers in afnemende mate vertrouwen houden in de door de regering voorgespiegelde oplossingen? Zo nee, waarom niet? Kunt u zich voorstellen dat dit gevoel versterkt is nu zowel de wetenschap als de gerechtelijke macht zich hebben uitgesproken tegen het huidige overheidsbeleid? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 3 is aangegeven deelt het kabinet de maatschappelijke zorgen over de gevolgen van klimaatverandering en het tempo waarin maatregelen worden genomen om dit tegen te gaan. Met de voorstellen zoals deze 28 juni jl. zijn gepresenteerd heeft het kabinet geschetst langs welke weg zij invulling wil geven aan het tegengaan van klimaatverandering.

Het voorstel voor een Klimaatakkoord bevat een pakket aan maatregelen met een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, dat de actieve steun heeft van zoveel mogelijk partijen, waaronder verschillende maatschappelijke organisaties.

Het kabinet verwacht dat daarmee het reductiedoel van 49% in 2030 wordt gerealiseerd.

24. Bent u bereid de intimiderende en bedreigende werkwijze van inlichtingendiensten en aanverwante diensten jegens klimaatactivisten stop te zetten? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: De politie moet altijd handelen binnen de geldende wettelijke kaders. Zoals ik heb uiteengezet in de brief van 18 juni jl. ga ik niet in op individuele gevallen. De TCI’s en TOOI’s handelen onder het gezag van het openbaar ministerie respectievelijk de burgemeester. Als burgers zich onjuist bejegend voelen door de politie, kunnen zij hierover onder meer een klacht indienen bij de politie (zie ook het antwoord op vragen 4, 5 en 6).

[1] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/04/inlichtingendienst-stop-je-intimiderende-bezoekjes-a3962612

[2] https://www.nrc.nl/nieuws/2019/06/04/hoe-de-politie-informanten-werft-onder-klimaatactivisten-a3962613

[3] Beantwoording vragen over het bericht dat ruim 3.200 Belgische wetenschappers en academici de klimaatstakers groot gelijk geven (Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, Aanhangsel 1816)

[4] https://nos.nl/artikel/2270851-wetenschappers-steunen-klimaatspijbelaars-groot-gelijk.html

[5] https://www.partijvoordedieren.nl/vragen/vragen-van-raan-over-het-bericht-dat-ruim-3-200-belgische- wetenschappers-en-academici-de-klimaatstakers-groot-gelijk-geven