Kamer­vragen aan de ministers van VROM en van LNV over de veilig­heids­voor­schriften voor dier­ver­blijven


Indiendatum: sep. 2007

Vragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de veiligheidsvoorschriften voor dierverblijven

1. Kent u het bericht ‘Duizenden varkens dood door brand’ (1)?

2. Is het waar dat in 2006 de regelgeving rond brandveiligheid voor de landbouw, vastgelegd in het besluit Landbouw milieubeheer, is versoepeld? Zo ja, wat was hiervoor de achterliggende reden?

3. Deelt u de mening dat een versoepeling van deze regelgeving de levens van vele dieren op het spel zet? Zo ja, bent u bereid de regelgeving voor brandveiligheid voor de landbouw aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

4. Acht u het verantwoord om de jaarlijkse controle op mobiele brandblussers op boerderijen te schrappen, gelet op de grote aantallen dieren die bij branden in schuren om het leven komen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo neen, bent u bereid deze controle opnieuw in te voeren en op welke termijn wilt u dit gaan doen?

5. Kunt u aangeven op basis van welke afwegingen u komt tot de uitspraak dat het redden van vele dierenlevens niet opweegt tegen de investeringen die bedrijven zouden moeten doen om sprinklerinstallaties aan te leggen in stallen (2)?

6. Kunt u aangeven bij hoeveel dodelijke slachtoffers onder dieren u het wel rendabel acht om de aanwezigheid van sprinklerinstallaties verplicht te stellen?

7. Deelt u de mening dat maatregelen ter vergroting van de brandveiligheid in dierverblijven, zoals het aanleggen van sprinklerinstallaties, met het oog op de zorgplicht voor dieren vastgelegd in artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, verplicht gesteld dienen te worden? Zo ja, wat voor conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid? Zo neen, kunt u dit toelichten?

8. Bent u bereid de voorschriften met betrekking tot brandveiligheid uit het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordeningen, waaronder de voorschriften over brandcompartimentering, zodanig te herzien dat de bescherming van dieren hier in als doel worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

9. Bent u bereid het opstellen van evacuatieplannen voor dierenverblijven verplicht te stellen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn wilt u dit beleid vormgeven? Zo neen, waarom niet?

10. Deelt u de mening dat het risico op branden met vele dodelijke slachtoffers onder dieren toeneemt naarmate veehouders meer dieren houden? Zo ja, op welke wijze wilt u de brandveiligheid garanderen bij grootschalige veehouderijen? Zo neen, kunt u dit toelichten?

11. Kunt u aangeven welke voorschriften er gelden voor veehouderijen met meerdere etages en op welke hier de veiligheid van de aanwezige dieren gegarandeerd kan worden?

(1) Spits, 10 september 2007

(2) Antwoord op Kamervragen van het lid Thieme, Vergaderjaar 2006-2007, nr. 1832

Indiendatum: sep. 2007
Antwoorddatum: 5 nov. 2007

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u mede namens de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Ruimte en Milieu toekomen de antwoorden op de vragen van het lid Thieme (PvdD) van 13 september 2007 inzake de veiligheidsvoorschriften voor dierverblijven.

Hoogachtend,
De Minister voor Wonen, Wijken en Integratie,

Drs. Ella Vogelaar

Vraag 1:
Kent u het bericht ‘Duizenden varkens dood door brand’?

Antwoord:
Ja.

Vraag 2:
Is het waar dat in 2006 de regelgeving rond brandveiligheid voor de landbouw, vastgelegd in het Besluit landbouw milieubeheer, is versoepeld? Zo ja, wat was hiervoor de achterliggende reden?

Antwoord:
Dat is onjuist. Het Besluit landbouw milieubeheer is in de plaats gekomen van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer en het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Daarnaast is de werkingssfeer van het nieuwe besluit ten opzichte van de ‘oude’ besluiten uitgebreid met loonbedrijven, kleine veehouderijen en andere kleinschalige landbouwbedrijven die tot dan toe milieuvergunningsplichtig waren. Mede ter voorkoming van ontploffingen en brand is in het Besluit landbouw milieubeheer een aantal algemene gedrags- en technische voorschriften opgenomen die de veiligheid binnen de inrichting zo veel mogelijk moeten waarborgen. Daarnaast zijn eveneens mede met het oog op de brandveiligheid voor een aantal veel voorkomende activiteiten nog specifieke voorschriften opgenomen, onder andere ten aanzien van het opslaan en verwerken van kunstmeststoffen, het opslaan of overslaan, bewerken en verwerken van gevaarlijke stoffen, brandbare vloeistoffen, gewasbeschermingsmiddelen en biociden, het afleveren van motorbrandstoffen via een pompinstallatie en ten aanzien van reparatie- en onderhoudswerkzaamheden. Bovendien kan het bevoegd gezag nog nadere eisen stellen ten aanzien van onder meer de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen, de veiligheid van toestellen en installaties voor gas of elektriciteit en de veiligheid van de opslag van stoffen. De voorschriften die in het nieuwe Besluit landbouw milieubeheer zijn opgenomen (mede) met het oog op de brandveiligheid zijn daarmee zeker niet soepeler dan die in de ‘oude’ besluiten.

Vraag 3:
Deelt u de mening dat een versoepeling van deze regelgeving de levens van vele dieren op het spel zet? Zo ja, bent u bereid de regelgeving voor brandveiligheid voor de landbouw aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:
Zoals u uit het antwoord op de vorige vraag kunt opmaken, is de regelgeving niet versoepeld. Ik deel derhalve uw mening niet.

Vraag 4:
Acht u het verantwoord om de jaarlijkse controle op mobiele brandblussers op boerderijen te schrappen, gelet op de grote aantallen dieren die bij branden in schuren om het leven komen? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo neen, bent u bereid deze controle opnieuw in te voeren en op welke termijn wilt u dit gaan doen?

Antwoord:
Evenals het voormalige Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer bepaalt ook het huidige Besluit landbouw milieubeheer dat, om het begin van brand doeltreffend te kunnen bestrijden, voldoende mobiele brandblusapparaten binnen de inrichting aanwezig moeten zijn. Bovendien kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot de aanwezigheid van brandbestrijdingsmiddelen. Deze bepalingen komen in grote lijnen overeen met de regeling inzake brandbestrijding in het voormalige Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer. Anders dan in dat voormalige besluit is een periodieke controle van deze brandblusapparaten in het huidige besluit niet verplicht gesteld. Die controle is namelijk reeds verplicht op grond van de gemeentelijke bouwverordeningen, zodat onder dat voormalige besluit sprake was van dubbele regelgeving. Die verplichting is dus weliswaar niet overgenomen in het huidige Besluit landbouw milieubeheer maar bestaat op voet van de bouwverordening nog steeds.
Het voormalige Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer kende overigens geen specifieke voorschriften over brandbestrijdingsmiddelen. Als het gaat om het houden van dieren is de brandveiligheid in het Besluit landbouw milieubeheer dus beter geregeld dan in dat voormalige besluit.
Overigens moet er in dit verband op worden gewezen dat het Besluit landbouw milieubeheer alleen van toepassing is op relatief kleine veehouderijen. Er is wel een wijziging van het besluit in procedure waarbij ook een deel van de intensieve veehouderijen onder de werkingssfeer van het besluit zal worden gebracht, maar dit betreft geen bedrijven met duizenden varkens zoals waarop voornoemd artikel betrekking heeft. Dergelijke grote varkens- en pluimveebedrijven vallen onder de werkingssfeer van de Europese richtlijn 96/61/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (IPPC-richtlijn) en blijven milieuvergunningsplichtig. Voorts heeft de milieuregelgeving in eerste instantie tot doel de nadelige effecten van de inrichting op het milieu en de omgeving buiten de inrichting te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken en niet zozeer om de (brand)veiligheid binnen de inrichting te waarborgen. Daarvoor zijn met name de regels ten behoeve van de bouwtechnische brandveiligheid en het brandveilig gebruik van gebouwen uit het Bouwbesluit 2003 respectievelijk de gemeentelijke bouwverordeningen bedoeld.

Vraag 5, 6, 8 en 9:
Kunt u aangeven op basis van welke afwegingen u komt tot de uitspraak dat het redden van vele dierenlevens niet opweegt tegen de investeringen die bedrijven zouden moeten doen om sprinklerinstallaties aan te leggen in stallen? 2)
Kunt u aangeven bij hoeveel dodelijke slachtoffers onder dieren u het wel rendabel acht om de aanwezigheid van sprinklerinstallaties verplicht te stellen?
Bent u bereid de voorschriften met betrekking tot brandveiligheid uit het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordeningen, waaronder de voorschriften over brandcompartimentering, zodanig te herzien dat de bescherming van dieren hier in als doel worden opgenomen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn? Zo neen, waarom niet?
Bent u bereid het opstellen van evacuatieplannen voor dierenverblijven verplicht te stellen? Zo ja, op welke wijze en op welke termijn wilt u dit beleid vormgeven? Zo neen, waarom niet?


Antwoord:
Zoals reeds is aangegeven in het op 14 juni 2007 gegeven antwoord op de vragen van het lid Thieme van 6 april 2007 inzake brandgevaar in schuren en stallen zijn de brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2003 en de gemeentelijke bouwverordeningen, waaronder de voorschriften over brandcompartimentering, ook op stallen en schuren van toepassing. Dat die voorschriften primair tot doel hebben om personen voor de nadelige gevolgen van uitbraak van brand te behoeden, neemt niet weg dat daarvan ook effecten uitgaan op de veiligheid van dieren. Bovendien is in het Besluit landbouw milieubeheer nog een aantal specifieke voorschriften op het terrein van brandveiligheid opgenomen. Hiermee acht ik een voldoende veiligheidsniveau gewaarborgd. Ik zie dan ook geen noodzaak tot herziening of aanvulling van voorschriften in de door de vragensteller bedoelde zin.

Vraag 7:
Deelt u de mening dat maatregelen ter vergroting van de brandveiligheid in dierverblijven, zoals het aanleggen van sprinklerinstallaties, met het oog op de zorgplicht voor dieren vastgelegd in artikel 36 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor Dieren, verplicht gesteld dienen te worden? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid? Zo neen, kunt u dit toelichten?

Antwoord:
Artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren betreft dierenmishandeling. Daarvan is hier geen sprake.

Vraag 10 en 11:
Deelt u de mening dat het risico op branden met vele dodelijke slachtoffers onder dieren toeneemt naarmate veehouders meer dieren houden? Zo ja, op welke wijze wilt u de brandveiligheid garanderen bij grootschalige veehouderijen? Zo neen, kunt u dit toelichten?
Kunt u aangeven welke voorschriften er gelden voor veehouderijen met meerdere etages? Hoe kan hier de veiligheid van de aanwezige dieren gegarandeerd worden?


Antwoord:
Het brandrisico omvat de kans op het ontstaan van een brand en de mogelijke effecten van die brand. Die kans lijkt mij niet afhankelijk van het aantal dieren dat door een veehouder wordt gehouden. Het mogelijke effect van de brand op het aantal slachtoffers is daarvan uiteraard wel afhankelijk. Zoals aangegeven in de antwoorden op de voorgaande vragen dienen veehouderijen te voldoen aan de brandveiligheidsvoorschriften die zijn opgenomen in het Bouwbesluit 2003, de gemeentelijke bouwverordening en het Besluit landbouw milieubeheer of de milieuvergunning als het grote varkens- of pluimveebedrijven betreft die onder de werkingssfeer van de IPPC-richtlijn vallen. Daarbij maakt het aantal etages in beginsel geen verschil, zij het dat sommige voorschriften uitsluitend van toepassing zijn op gebouwen met meer dan één etage. Vanuit de regelgeving bezien acht ik de brandveiligheid van de betreffende bedrijven daarmee voldoende gewaarborgd. Daarnaast hebben overigens ook de veehouder en de verzekeraar nog een eigen verantwoordelijkheid.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer