Inbreng verslag Wet CO2-heffing industrie


12 oktober 2020

Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet Milieubeheer voor de invoering van een CO2-heffing voor de industrie (Wet CO2-heffing industrie)

Algemeen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat een radicale omslag van het belastingstelsel nodig is, conform het principe ‘de vervuiler betaalt’. Zij zijn van mening dat het beprijzen van uitstoot een krachtige prikkel kan zijn om uitstoot te verminderen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn echter van mening dat de CO2-heffing zoals deze nu is vormgegeven, in strijd is met het principe ‘de vervuiler betaalt’ en een zwakke prikkel is die zo niet leidt tot verandering. De CO2-heffing is alleen voor de industrie en laat de andere CO2-intensieve sectoren ongemoeid. Bovendien is een deel van de uitstoot vrijgesteld doordat er ‘dispensatierechten’ worden afgegeven. De industrie gaat pas op zijn vroegst vanaf 2024 meer betalen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden dit verontrustend omdat de staat van het klimaat spoedeisend is en vragen zich af hoe dit beleid past dit binnen de acute noodzaak van het terugdringen van de verdere opwarming van de aarde?

Belastingplichtigen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de heffing alleen voor de industrie en niet voor andere sectoren wordt ingevoerd, zoals elektriciteit, mobiliteit, landbouw en de gebouwde omgeving, die voor 69% van de totale hoeveelheid broeikasgassen verantwoordelijk zijn (CBS, cijfers over 2019). We leven in een wereld waarin klimaatverandering één van de grootste bedreigingen van onze tijd vormt. Erkent de staatssecretaris dit en waarom zijn zo veel grote vervuilers uitgezonderd, terwijl fiscale prikkels een zeer krachtig middel kunnen zijn om verandering van gedrag te bewerkstelligen?

In de Memorie van Toelichting staat dat de CO2-reductiedoelen voor andere sectoren al onder een ander instrumentarium vallen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat, gezien de ernst van de klimaatcrisis, een fiscale prikkel voor alle sectoren een noodzakelijke aanvulling is op bestaand beleid (dat nu ontoereikend is). Zij pleiten dan ook voor een uniforme CO2-heffing die van toepassing is op de volledige uitstoot van alle typen broeikasgassen en alle economische sectoren.

Het voordeel van een uniforme heffing is dat het duidelijk wordt gemaakt dat elke ton uitstoot, ongeacht de bron, bijdraagt aan de klimaatcrisis. Door het schrappen van uitzonderingsposities zullen grootverbruikers veel meer gaan betalen en wordt verduurzaming gestimuleerd. De vervuiler betaalt.

Zonder een heffing op de uitstoot van alle broeikasgassen door alle economische sectoren blijft het risico bestaan op verder uitstelgedrag ten aanzien van verduurzaming van onze economie en samenleving. Op welke manier vindt de staatssecretaris het moreel te rechtvaardigen dat de werkelijke kosten van deze uitstoot onze leefomgeving te vernietigen, worden afgewenteld op de samenleving als geheel? Zo vragen de leden van de Partij voor de Dieren zich af. De rekening zal uiteindelijk elders of in de toekomst landen. Wat vindt de staatssecretaris ervan dat de rekening dan ook terecht komt bij heel veel mensen die elke dag hun best doen en hun verantwoordelijkheid nemen om hun ecologische voetafdruk te verkleinen, omwille van zichzelf en hun kinderen, machteloos staan tegenover deze grote vervuilers, die met toestemming van de staatssecretaris hun gang kunnen blijven gaan en zo de inspanningen van verantwoordelijke individuen ondermijnen? Waarom vindt de staatssecretaris dit eerlijk?

De heffingsgrondslag en het bepalen van de omvang van de emissie

De bruto-grondslag, uitgestoten massa’s broeikasgassen, wordt verminderd met dispensatierechten. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af hoe de staatssecretaris aankijkt tegen het feit dat dispensatierechten van vervuilen een recht maken, net zoals binnen het emission trading system is gebeurd? Vindt de staatssecretaris vervuilen een recht? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat via de dispensatierechten de negatieve feedback die de CO2-heffing in beginsel beoogt, wordt verminderd en zelfs kan worden geneutraliseerd. Kan de staatssecretaris dit cijfermatig bevestigen of ontkrachten?

Verder stellen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie vast dat de staatssecretaris ervoor kiest een deel van de uitstoot vrij te stellen en alleen de zogenaamde vermijdbare emissies te belasten. Zij betreuren dit. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Koning in zijn troonrede als eerste van de regering heeft erkend dat we in een klimaatcrisis verkeren en vragen zich af in welke mate de staatssecretaris de ernst van deze situatie erkent? Klopt het dat de staatssecretaris het klimaatakkoord als een plafond beschouwt en hoe verhoudt deze zienswijze zich tot de ernst van de klimaatcrisis? Kent de staatssecretaris de onderzoeken waaruit blijkt dat met het huidige klimaatbeleid van bedrijven en zelfs met het klimaatbeleid van de overheid, de doelen uit het Klimaatakkoord van Parijs niet zullen worden gehaald (bijv. het rapport van Oil Change International dat gepubliceerd is op 23 september 2020 en het onderzoek van een partnerschap tussen academici van de London School of Economics en investeerders dat genoemd werd in de Financial Times van 7 oktober 2020)? Klopt het dat deze CO2-heffing hier onderdeel van is? Zo nee, wat maakt dat deze CO2-heffing, waarbij bedrijven in de eerste jaren meer mogen uitstoten en waarin een prikkel tot verandering dus alsnog ontbreekt, anders is?

Het tarief en de aangifte

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de ‘zachte landing’ van de CO2-heffing ervoor zorgt dat de industrie de eerste jaren meer kan uitstoten.

Is het juist te concluderen dat de nationale reductiefactor die in 2021 start op 1,2 en ieder jaar met 0,057 zal dalen, ervoor zorgt dat de industrie vanaf 2025 geen gratis rechten meer krijgt en dat heffing dan effectief begint te worden? Kan de staatssecretaris aangeven tot hoeveel extra uitstoot van broeikasgassen de hogere factor gaat leiden, in de periode tot en met 2030, vergeleken met een reductiefactor die in 2021 begint op 1?

Een hogere uitstoot door de industrie betekent dat de andere sectoren minder moeten uitstoten. Erkent de staatssecretaris dit? Zo nee, hoe past dit binnen de acute noodzaak van het terugdringen van onze ecologische schuld? Zo ja, is het bestaande instrumentarium voor andere sectoren waarnaar wordt verwezen in de Memorie van Toelichting, voldoende om de uitstoot van de industrie in de komende jaren op te vangen en kan de staatssecretaris dit aantonen? Zo nee, waarom heeft hij dan geen generieke fiscale prikkels ingebouwd om ook de uitstoot door deze sectoren terug te dringen en zijn er vooralsnog zelfs prikkels om méér uit te stoten?

Herintroductie van het emissiebudget kan ook helpen. Het emissiebudget is de maximale hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt in CO₂-equivalenten, die Nederland nog mag uitstoten om aan de 1,5°C-doelstelling te voldoen. Effectief, gedetailleerd en wetenschappelijk gefundeerd. De Raad van State noemde dit instrument nuttig omdat een budgetbenadering “dwingt tot het ontwikkelen van een temporale verdelingsstrategie”. Door het emissiebudget te herintroduceren wordt het uitstootplafond leidend. Als het emissiebudget het toelaat, kan de staatssecretaris ervoor kiezen om de industrie vrij te stellen in de eerste jaren. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen het instellen van een emissiebudget en is hij bereid om dit te doen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat de enige acceptabele manier om de klimaatdoelen te bereiken is door een snel begin waardoor de laatste jaren benut kunnen worden voor het bereiken van de puntjes op de i. Vanwege de cumulatieve werking van broeikasgassen telt het tempo van elke vermeden ton broeikasgassen. Door langer te wachten met uitstootreductie zal de totale hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer hoger uitpakken. Vanuit het veiligheidsoogpunt dient er dus zo snel mogelijk, zo veel mogelijk reductie gerealiseerd te worden, ook vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid.