Inbreng PvdD Wet minimum CO2 prijs elek­tri­ci­teits­pro­du­ce­rende bedrijven


2 juli 2019

1. Aanleiding

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met verbazing kennisgenomen van deze wet. Gezien het ontwerp gaat de Wet minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking op geen enkele wijze bijdragen aan de noodzakelijke reductie van de Nederlandse CO2-uitstoot. Een minimumprijs die zodanig laag is dat deze onder de marktprijs ligt, zal immers op geen enkele wijze een volume-effect hebben en geen reductie van de CO2-uitstoot teweeg brengen. De wet in deze vorm is een gemiste kans en doet geen recht aan de huidige klimaatnoodtoestand.

Het voorliggende voorstel is niet de maximale inspanning die nodig is om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 1,5°C.

2. Hoofdlijnen en doel van het voorstel

2.1 Algemeen

De leden van Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering wat het primaire doel is van deze wet is. In antwoorden van schriftelijke vragen van het lid Van Raan gaf de minister van Economische Zaken en Klimaat aan dat “de nationale minimum CO2-prijs voor elektriciteitsopwekking moet worden gezien als maatregel specifiek gericht op het bieden van zekerheid over de CO2-kosten van de emissies van elektriciteitsopwekking binnen het ETS.” In de Memorie van Toelichting is het doel echter tweeledig, namelijk naast het doel van het bieden van zekerheid ook “bedrijven die elektriciteit produceren in een grotere mate te stimuleren om in hun keuzes rekening te houden met de gevolgen van CO2-uitstoot voor het klimaat en de schadelijke consequenties daarvan voor mens en milieu.”

Het bevreemdt de leden van Partij voor de Dieren-fractie het doel van stimuleren van de reductie van CO2-uitstoot sinds de beantwoording van de hierboven vermelde schriftelijke vragen verder uit het beeld is geraakt, aangezien de regering de minimum CO2-prijs voor elekriciteitsopwekkende bedrijven in vergelijking met het regeerakkoord in het onderhavige wetsvoorstel met maar liefst ruim 25% heeft verlaagd.

De leden van de Partij voor de Dieren vragen de regering derhalve om een heldere impactstudie van het te verwachten effect van de stimulerende werking die deze wet op elektriciteitsproducerende bedrijven op de reductie van CO2-uitstoot van deze bedrijven. Het doel van een wet dient immers in overeenstemming te zijn met de te verwachten consequenties.

2.2 Belastingplichtige

2.3 De belastinggrondslag en het bepalen van de omvang van de emissie

2.3.1 De monitoring en verslaglegging

2.3.2 Het bepalen van de omvang van emissies in bijzondere situaties

2.4 Het tarief en de aangiftebelasting

De leden van de fractie van Partij voor de Dieren vinden het niet uit te leggen dat de voorgestelde minimumprijs, van € 12,30 in 2020 oplopend tot € 31,90 in 2030, ruim onder het verwachte prijspad van het EU ETS ( van € 20,50 in 2020 tot € 46,30 in 2030) ligt. Dat betekent dat er – bij deze verwachtingen – in ieder geval tot 2030 geen aanvullende nationale CO2-belasting zal worden geheven. Emissie van CO2 wordt dus naar verwachting niet extra beprijsd.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat hier derhalve geen enkele prijsprikkel van uit gaat. Zowel de Raad van State, als verscheidene organisaties en wetenschappers hebben de regering er terecht op gewezen dat een minimumprijs die onder de marktprijs ligt, in dit geval de EU ETS-prijs, geen enkel volume-effect teweeg zal brengen. Het gaat hier om een zeer eenvoudig economisch principe dat in de economische literatuur uitvoerig beschreven is. Op welke wijze heeft de regering deze literatuur tot zich genomen? Het verbaast de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dan ook geenszins dat het PBL geen CO2-reductie-effecten aan dit wetsvoorstel heeft toegekend.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzoeken de regering uitvoerig toe te lichten waarom de voorgestelde minimumprijs een stuk lager is dan de minimumprijs die aanvankelijk in het regeerakkoord is opgenomen. Deze leden vragen de regering of het correct is of de elektriciteitsproducerende bedrijven bij de onderhandelingen over het Klimaatakkoord hebben aangegeven dat de leveringszekerheid bij de in het regeerakkoord vastgestelde minimumprijs in het gevaar zou zijn gekomen. Zo nee, waarom heeft de regering de prijs zoals die in het wetsvoorstel is opgenomen dan verlaagd ten opzichte van het regeerakkoord? Zo ja, kan de regering de effectrapportages waarop deze bedrijven zich hebben gebaseerd naar de Kamer zenden, zo niet, waarom niet? Welke mogelijkheden ziet de regering om het tarief zodanig op te hogen dat de voorgestelde wet daadwerkelijk in lijn is met het 1,5°C-doel?

3. Verhouding tot nationaal en internationale regelgeving

3.1 Verhouding tot het EU ETS

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering of het in overweging heeft genomen om indien deze maatregel, tegen alle verwachtingen in, daadwerkelijk leidt tot een lagere uitstoot van CO2, de regering als flankerend beleid het opkopen van ETS rechten wil overwegen. In de verscheidene wetenschappelijke factsheets wordt aangegeven dat indien bij lagere CO2-uitstoot de ETS-rechten die hierdoor vrijkomen niet voorgoed uit het ETS-systeem worden genomen, dit leidt tot hogere CO2-uitstoot elders, het zogenoemde waterbed-effect. Dit kan eenvoudig voorkomen worden door ETS-rechten op te kopen en te vernietigen. Indien de regering dit niet overwogen heeft, kan de regering uitleggen waarom en kan de regering een toelichting geven over de problematiek van het waterbed-effect in brede zin?

De Partij voor de Dieren-fractie wijzen op het fundamentele probleem van het emissiehandelssysteem EU-ETS omdat dit systeem de indruk laat bestaan dat bedrijven er recht op zouden hebben om te vervuilen. Het tergend lage tempo waarmee de hoeveelheid beschikbare rechten jaarlijks wordt verminderd draagt bovendien bij aan het uitblijven van snelle reductie van de uitstoot van broeikasgassen.

3.2 Plaats van de regeling in de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet milieubeheer

4. Uitvoering, toezicht en handhaving

4.1 Het bestuur van de NEa en de omvang van elektriciteitsjaarvracht

4.2 De Dienst Nederlandse emissieautoriteit en het heffen en invorderen van de belasting

5. Financiële gevolgen, de regeldrukkosten en de evaluatie

5.1 Financiële gevolgen

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog enige vragen in het kader van de volgende passage uit de Heroverweging pakket vestigingsklimaat, dat in oktober 2018 naar de Kamer is gezonden:

“Dekking correctie raming CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking. De opbrengst van fiscale wetgeving wordt op het moment van indienen bij de Tweede Kamer herijkt. Dit geldt ook voor de in het Regeerakkoord aangekondigde invoering van de CO2-minimumprijs voor elektriciteitsopwekking. Herijking van deze maatregel leidt tot een lagere raming van de opbrengst, onder andere door gedragseffecten, het feit dat sluiting kolencentrales eerder niet was meegenomen en een hogere ETS-prijs. De geraamde lastenkaderrelevante derving bedraagt

€ 236 mln in 2020 en 300 mln in 2021. Die maatregel wordt nu voor 2020 en voor 2021 met € 236 mln gedekt.”

Kan de regering in detail toelichten hoe beide bedragen (236 en 300 mln) tot stand zijn gekomen? Kan de regering tot in detail toelichten van welke gedragseffecten sprake is geweest en op welke wijze deze gedragseffecten van invloed zijn geweest op de lagere raming? Kan de regering toelichten of ten tijde van de presentatie van bovenstaande heroverweging al bekend was dat de in dit wetsvoorstel voorgestelde minimumprijzen ruim 25% lager zouden liggen dan in het regeerakkoord was afgesproken? Kan de regering toelichten hoe de hogere ETS-prijs van invloed is geweest op de lagere raming van de opbrengst CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking?

5.2 Administratieve lasten en nalevingskosten voor bedrijven

5.3 Uitvoeringskosten

5.4 Evaluatie

6. Advies en consultatie