Bijdrage Van Raan aan Nota­overleg ‘Nati­onaal Programma Onderwijs: steun­pro­gramma voor herstel en perspectief.


25 februari 2021
Voorzitter,

We spreken hier vandaag over de besteding van een flink bedrag dat eenmalig beschikbaar komt voor het onderwijs.

Het doet meteen weer denken aan het begrotingsdebat van 1,5 jaar geleden, waarin we de discussie voerden over de noodzaak van structurele investeringen boven eenmalige lapmiddelen.

8,5 miljard over 2,5 jaar klinkt veel, en is veel.

Tegelijkertijd is het pakket dat nu op tafel ligt grotendeels een eenmalige investering over twee en een half jaar.

Erkent de minister dat er structurele investeringen nodig zijn om bijvoorbeeld structureel iets te doen aan het lerarentekort en de werkdruk?

Hoe gaat de minister voorkomen dat het extra personeel dat scholen al kunnen vinden dan na 2,5 jaar weer op straat staat?

Vóór corona stelde de AOB al vast dat er structureel circa 4 miljard per jaar extra nodig is.

Dat hadden we beter gisteren dan vandaag kunnen regelen.

Ik zou hier wel een oproep willen doen aan alle politieke partijen om straks bij de formatie-onderhandelingen niet te denken “och dat onderwijs, daar hebben we net 8,5 miljard aan uitgegeven”, maar echt die structurele investeringen vast te leggen.

En als we het toch over structurele oplossingen hebben.

De Gelderlander publiceerde deze week een artikel waarin stond dat het duurzamer maken van schoolgebouwen niet alleen een beter milieu oplevert, maar het ook zoveel geld bespaart, dat scholen er soms een extra leerkracht van kunnen bekostigen. In hoeverre kijkt de minister ook naar dit soort oplossingen?

Het geld dat met dit pakket nu wél structureel wordt neergelegd – 645 miljoen ter compensatie van de hogere studentenaantallen in het hoger onderwijs – komt niet in de buurt van de bedragen die volgens WO in Actie nodig zijn om de werkdruk te verlagen: 1,5 miljard alleen al voor de universiteiten.

Hoe is het kabinet dan tot die 645 miljoen gekomen?

Dank voor de uitgebreide antwoorden op de vragen.

De vraag die rest is of de minister in beeld heeft of er studenten mogelijk tussen de wal en het schip belanden, tussen de tegemoetkomingsregeling van het schooljaar 2020-2021 én het Nationaal Programma Onderwijs voor het schooljaar 2021-2022?

De inzet op bijlessen in vakanties en weekenden roept vragen op, bijvoorbeeld over de duurzame inzetbaarheid van het personeel en de mogelijke overbelasting en afnemende motivatie bij leerlingen.

De werkdruk was ook vóór corona al torenhoog.

En daar kwam dit rotjaar nog eens even overheen.

Ik kan me goed voorstellen dat veel leraren niet zitten te springen om deze zomer ook maar weer vol te gooien.

Dat in combinatie met de eenmalige zak geld maakt dat zich talloze dure bureaus aan de schoolpoort zullen melden om een graantje mee te pikken.

Hoe gaat de minister voorkomen dat er onnodig veel geld wordt uitgegeven aan dure externe inhuur in plaats van dat het geld op de juiste plaats belandt: in de klas.

Graag een reactie.

En ook voor de leerlingen is het een weinig aantrekkelijk perspectief dat ze straks met zachte dwang richting bijles in weekenden en vakanties worden gedirigeerd.

Hoe gaat de minister borgen dat we leerlingen straks niet massaal demotiveren?

Waarom probeert de minister niet wat meer los te komen van de toetscultuur, waarin er soms wel een hele smalle focus ligt op “achterstanden”, gemeten in tienden achter de komma, die dan vervolgens met bijlessen zouden moeten worden ingelopen?

Zie ook het manifest van “Leve het Onderwijs” om af te stappen van de toetscultuur.

We zouden ons de vraag moeten stellen of onderwijs niet om veel meer zou moeten gaan dan enkel en alleen maar “achterstanden” ten opzichte van een algemeen programma dat niet of nauwelijks is afgestemd op individuele ontwikkeling.

Hoe wordt ervoor gezorgd dat de zogenaamde menukaart met “bewezen effectieve interventies” ook bewezen effectief is voor leerlingen in het speciaal onderwijs?

Volgens het LBVSO gedijen VSO-leerlingen niet bij buitenschoolse en zomerscholen e.d. voor het inhalen van de opgelopen achterstanden, omdat dit vaak niet goed aansluit bij de passende programma’s die deze scholen per leerling hebben ingezet.

Graag een reactie.

Welke mogelijkheden ziet de minister om – indien gewenst – de optie neer te zetten om een jaar langer te mogen deelnemen aan het (voortgezet) speciaal onderwijs, ongeacht de leeftijd?

Welke mogelijkheden ziet de minister om extra begeleiding te organiseren in de leer-werktrajecten?

En welke extra stappen kan de minister zetten voor extra ondersteuning voor leerlingen die langdurig thuis zitten, bijvoorbeeld met een chronische ziekte of vanwege de kwetsbare gezondheid van een van de ouders?

Graag een reactie.

Middelbare scholen kunnen het geld inzetten op brede brugklassen, maar hoe groot acht de minister de kans dat meer middelbare scholen dan nu het geval is daadwerkelijk brede brugklassen gaan realiseren? Hoe maken we de stap van ‘stimuleren’ naar daadwerkelijke realisatie?

De Partij voor de Dieren roept schoolbesturen daarom op om nu ook echt werk te maken van die brede brugklassen. Om kansen te pakken om de focus te verleggen van toetsen naar individuele ontplooiing. Om werk te maken van de persoonlijke begeleiding van het individuele kind.

Het brengt me weer terug bij de oproep waar ik mee begon: hier zijn structurele investeringen voor nodig. En dat is een politieke keuze.

Dank u wel.