Vervolg Kamer­vragen aan de minister van LNV over verplicht aflei­dings­ma­te­riaal voor varkens


Indiendatum: aug. 2007

Vervolgvragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over verplicht afleidingsmateriaal voor varkens

(n.a.v. uw brief van 13 augustus 2007, kenmerk DL.2007/1899)

1. Kunt u aangeven wat de achtergrond en de bedoeling is van het doelvoorschrift ‘de verplichting om afleidingsmateriaal beschikbaar te stellen’ conform Richtlijn 2001/93/EG en via welke methoden u meet of het doel ook is bereikt door individuele varkenshouders?

2. Kunt u aangeven hoe vaak individuele varkenshouders worden gecontroleerd op het bereiken van dit doel en hoe en door wie deze controles plaatsvinden?

3. Kunt u aangeven of u de frequentie en wijze van deze controles voldoende en toereikend vindt om te garanderen dat het doelvoorschrift wordt gehaald? Zo ja, waar blijkt dat uit en welk onafhankelijk orgaan heeft dat vastgesteld? Zo neen, bent u bereid een andere methode van controle en sanctionering in te voeren en binnen welke termijn?

4. Kunt u aangeven of er een lijst met criteria of parameters is opgesteld om het behalen van het doelvoorschrift tijdens controles van varkenshouders te meten? Zo ja, kunt u deze lijst met ons delen? Zo neen, waarom niet en op welke wijze controleert u dan of het doelvoorschrift is behaald? Wat zijn de sancties op het niet behalen van de gestelde doelen?

5. Kunt u aangeven waarom u de ‘verrijkte ketting’ heeft geaccepteerd als minimale invulling van de ruimte die de wet op dit gebied geeft en op welke wijze de ‘verrijkte ketting’ invulling geeft aan de eis dat ‘varkens permanent moeten kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen’? Kunt u daarbij aangeven wat u onder de termen ‘voldoende’, ‘onderzoeken’ en ‘spelen’ verstaat? Kunt u ook ingaan op hoe u het mogelijk acht dat zes vleesvarkens in groepshuisvesting voldoende mogelijkheden hebben om te spelen en te onderzoeken als zij gezamenlijk 1 ‘verrijkte ketting’ moeten delen?

6. Deelt u de mening dat een ‘verrijkte ketting’ niet voldoet aan het doelvoorschrift dat ‘varkens permanent moeten kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen’? Zo ja, bent u voornemens om strengere criteria op te stellen waaraan afleidingsmateriaal moet voldoen en binnen welke termijn? Zo neen, waaruit blijkt dat een ‘verrijkte ketting’ wel voldoet als deugdelijk afleidingsmateriaal conform de eis van Richtlijn 2001/93/EG en wie heeft dat getoetst?

7. Kunt u aangeven waarom u enerzijds het van belang vindt om binnen Europa een gelijk speelveld (level playing field) te hebben wat betreft dierenwelzijnsregels, en zelfs pleit voor een beter dierenwelzijnsbeleid op Europees niveau en anderzijds toestaat dat Nederland een zeer minimale invulling geeft van de al bestaande Europese dierenwelzijnsregels en richtlijnen?

8. Kunt u aangeven waarom u ervan uit gaat dat de door u opgestelde brochure over afleidingsmateriaal welke is uitgereikt aan alle varkenshouders, varkenshouders er toe heeft aangezet dat zij ‘anders over het nut en doel van afleidingsmateriaal zijn gaan denken en dat de invulling in de praktijk navenant is’? Zo neen, waarom niet en bent u bereid onderzoek in te (doen) stellen naar de effecten van uw voorlichtingsbrochure?

9. Kunt u aangeven hoeveel varkenshouders de door u uitgereikte brochure daadwerkelijk hebben gelezen en hoeveel van hen uw adviezen daadwerkelijk hebben opgevolgd? Zo ja, kunt u ons inzicht geven in de aantallen en bereikte resultaten? Zo neen, hoe kunt u dan garanderen dat de door u verstrekte adviezen zullen leiden tot een betere invulling van het doelvoorschrift?

10. Deelt u de mening dat varkenshouders niets in de weg staat om niet verder te gaan dan de zeer minimale eisen, zoals het ophangen van een ‘verrijkte ketting’ en dat op deze wijze de leefomstandigheden van varkens niet significant worden verbeterd? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de situatie te verbeteren en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en waaruit blijkt dat de situatie vanaf 1 juli 2007 wel significant is verbeterd?

11. Is het waar dat u enerzijds stelt dat wroeten een van de belangrijkste onderzoeksgedragingen is van een varken, maar anderzijds geen ‘wroet’ eisen of criteria wil verbinden aan het afleidingsmateriaal dat tegemoet komt aan deze belangrijkste onderzoeksgedraging van het varken? Zo ja, waarom en wat is de reden dat u het varken zijn belangrijkste onderzoeksgedraging wilt ontzeggen? Zo neen, op welke wijze kunnen varkens met een ‘verrijkte ketting’ wroetgedrag uitoefenen?

12. Hoe verhoudt zich uw uitspraak dat u niet bereid bent stro als afleidingsmateriaal verplicht te stellen tot de in zichtstallen van het Stap in de Stal initiatief getoonde situaties waarbinnen met financiele steun van uw ministerie wordt gesteld dat de getoonde situatie representatief zou zijn voor de nabije toekomst?

13. U stelt dat u eigen initiatief van varkenshouders niet wil afremmen en daarom stro niet verplicht wilt stellen. Kunt u aangeven over welke aanwijzingen u beschikt om aan te nemen dat varkenshouders op grote schaal vrijwillig zullen overgaan tot het verstrekken van stro of ander wroetmateriaal aan hun varkens? Zo neen, bent u bereid alsnog een verplichting tot het verstrekken van stro of ander wroetmateriaal aan varkens in te voeren? Zo nee, waarom niet?

Indiendatum: aug. 2007
Antwoorddatum: 8 nov. 2007

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen die zijn gesteld door het lid Thieme (PvdD) over verplicht afleidingsmateriaal voor varkens.

1
Kunt u aangeven wat de achtergrond en de bedoeling zijn van het doelvoorschrift ‘de verplichting om afleidingsmateriaal beschikbaar te stellen’ conform Richtlijn 2001/93/EG
en via welke methoden u meet of het doel ook is bereikt door individuele varkenshouders?


Varkens hebben behoefte aan spelen en onderzoeken. De bedoeling van het aanbieden van afleidingsmateriaal is om in deze behoefte te voorzien. De Algemene Inspectiedienst (AID) controleert op het bedrijf op de aanwezigheid van afleidingsmateriaal in de hokken van de varkens.

2, 3 en 4
Kunt u aangeven hoe vaak individuele varkenshouders worden gecontroleerd op het bereiken van dit doel en hoe en door wie deze controles plaatsvinden?

Kunt u aangeven of u de frequentie en wijze van deze controles voldoende en toereikend vindt om te garanderen dat het doelvoorschrift wordt gehaald? Zo ja, waar blijkt dat uit en welk onafhankelijk orgaan heeft dat vastgesteld? Zo neen, bent u bereid een andere methode van controle en sanctionering in te voeren en binnen welke termijn?

Kunt u aangeven of er een lijst met criteria of parameters is opgesteld om het behalen van het doelvoorschrift tijdens controles van varkenshouders te meten? Zo ja, kunt u deze lijst met ons delen? Zo neen, waarom niet en op welke wijze controleert u dan of het doelvoorschrift is behaald? Wat zijn de sancties op het niet behalen van de gestelde doelen?

Individuele varkenshouders worden steekproefsgewijs door de AID gecontroleerd op de naleving van het Varkensbesluit. In 2006 zijn 200 stalcontroles uitgevoerd. De aanwezigheid van afleidingsmateriaal is één van de verplichtingen voortvloeiend uit het Varkensbesluit.
Sinds 1 juli geldt een striktere interpretatie van het doelvoorschrift. Daarop vindt nu controle plaats. Op basis van de handhavingrapportage over de tweede helft van 2007 zal ik me een beeld vormen over de naleving van dit voorschrift.

Voor een antwoord op de vraag inzake criteria verwijs ik naar het Kamerstuk 2006/2007, nr. 2355, vraag 6. Bij het niet naleven van de eis tot het aanbieden van permanent voldoende afleidingsmateriaal wordt waarschuwend opgetreden met de mogelijkheid tot herstel en kan indien nodig vervolgens een proces-verbaal worden aangezegd.

5, 6 en 7
Kunt u aangeven waarom u de ‘verrijkte ketting’ heeft geaccepteerd als minimale invulling van de ruimte die de wet op dit gebied geeft en op welke wijze de ‘verrijkte ketting’ invulling geeft aan de eis dat ‘varkens permanent moeten kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen’? Kunt u daarbij aangeven wat u onder de termen ‘voldoende’, ‘onderzoeken’ en ‘spelen’ verstaat? Kunt u ook ingaan op hoe u het mogelijk acht dat zes vleesvarkens in groepshuisvesting voldoende mogelijkheden hebben om te spelen en te onderzoeken als zij gezamenlijk één ‘verrijkte ketting’ moeten delen?

Deelt u de mening dat een ‘verrijkte ketting’ niet voldoet aan het doelvoorschrift dat ‘varkens permanent moeten kunnen beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen’? Zo ja, bent u voornemens om strengere criteria op te stellen waaraan afleidingsmateriaal moet voldoen? Binnen welke termijn? Zo neen, waaruit blijkt dat een ‘verrijkte ketting’ wel voldoet als deugdelijk afleidingsmateriaal conform de eis van Richtlijn 2001/93/EG? Wie heeft dat getoetst?

Kunt u aangeven waarom u enerzijds het van belang vindt om binnen Europa een gelijk speelveld (level playing field) te hebben wat betreft dierenwelzijnregels, en zelfs pleit voor een beter dierenwelzijnsbeleid op Europees niveau en anderzijds toestaat dat Nederland een zeer minimale invulling geeft van de al bestaande Europese dierenwelzijnregels en richtlijnen?

Sinds 1 juli moeten er andere vormen van afleidingsmateriaal worden aangeboden die beter zijn dan de ketting. Varkenshouders en fabrikanten van afleidingsmateriaal hebben daarom nieuwe materialen en toepassingen ontworpen, waarvan niet in alle gevallen nu te zeggen is of dit een verbetering ten opzichte van de ketting heeft opgeleverd.
Aan de hand van de handhavingrapportage van de AID zal ik daar nader naar kijken.
Met de aanpassing van afgelopen juli voldoet Nederland in mijn ogen aan de eis van de richtlijn.

8, 9 en 10
Kunt u aangeven waarom u ervan uitgaat dat de door u opgestelde brochure over aflei¬dingsmateriaal welke is uitgereikt aan alle varkenshouders, varkenshouders er toe heeft aangezet dat zij ‘anders over het nut en doel van afleidingsmateriaal zijn gaan denken en dat de invulling in de praktijk navenant is’? Zo neen, waarom niet? Bent u bereid onder¬zoek in te (doen) stellen naar de effecten van uw voorlichtingsbrochure?

Kunt u aangeven hoeveel varkenshouders de door u uitgereikte brochure daadwerkelijk hebben gelezen en hoeveel van hen uw adviezen daadwerkelijk hebben opgevolgd? Zo ja, kunt u ons inzicht geven in de aantallen en bereikte resultaten? Zo neen, hoe kunt u dan garanderen dat de door u verstrekte adviezen zullen leiden tot een betere invulling van het doelvoorschrift?

Deelt u de mening dat varkenshouders niets in de weg staat om niet verder te gaan dan de zeer minimale eisen, zoals het ophangen van een ‘verrijkte ketting’ en dat op deze wijze de leefomstandigheden van varkens niet significant worden verbeterd? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om de situatie te verbeteren en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet en waaruit blijkt dat de situatie vanaf 1 juli 2007 wel significant is verbeterd?

Ik ben voornemens om het effect van de brochure op basis van handhavingrapportage en geluiden uit de praktijk begin volgend jaar te evalueren. Afhankelijk van de uitkomst zal ik me beraden in hoeverre aanvullende communicatie nodig is.

11
Is het waar dat u enerzijds stelt dat wroeten een van de belangrijkste onderzoeksgedragingen is van een varken, maar anderzijds geen ‘wroet’ eisen of criteria wil verbinden aan het afleidingsmateriaal dat tegemoet komt aan deze belangrijkste onderzoeksgedraging van het varken? Zo ja, waarom? Wat is de reden dat u het varken zijn belangrijkste onderzoeksgedraging wilt ontzeggen? Zo neen, op welke wijze kunnen varkens met een ‘verrijkte ketting’ wroetgedrag uitoefenen?

De criteria die genoemd worden in het de Europese Varkensrichtlijn zijn “spelen” en “onderzoeken”. Het soort materiaal en de toepassingsvorm worden op basis van deze criteria getoetst. Het kunnen wroeten is geen afzonderlijk omschreven eis van de richtlijn. Bij de herziening van de Varkensrichtlijn zal ik inzetten op meer aandacht voor de natuurlijke behoeften en gedragingen van het varken, waaronder het wroeten.

12 en 13
Hoe verhoudt zich uw uitspraak dat u niet bereid bent stro als afleidingsmateriaal verplicht te stellen tot de in zichtstallen van het Stap in de Stal-initiatief getoonde situaties waarbinnen met financiële steun van uw ministerie wordt gesteld dat de getoonde situatie representatief zou zijn voor de nabije toekomst?

Is het waar dat u stelt dat u eigen initiatief van varkenshouders niet wil afremmen en daarom stro niet verplicht wilt stellen? Kunt u aangeven over welke aanwijzingen u beschikt om aan te nemen dat varkenshouders op grote schaal vrijwillig zullen overgaan tot het verstrekken van stro of ander wroetmateriaal aan hun varkens? Zo neen, bent u bereid alsnog een verplichting tot het verstrekken van stro of ander wroetmateriaal aan varkens in te voeren? Zo neen, waarom niet?

Ik verwijs u naar mijn antwoord gegeven op vraag 11 van Kamerstuk 2006/2007, nr. 2355.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer