Bijdrage Arissen debat over discriminatie en racisme 6-4-2017

 

Voorzitter,

Als gloednieuw Kamerlid voor de Partij voor de Dieren, dé brede emancipatiepartij bij uitstek die opkomt voor het belang van de allerzwaksten in deze samenleving tegen het recht van de sterksten, is het voor mij een eer om mijn maidenspeech te mogen uitspreken over het urgente onderwerp waar vandaag over gedebatteerd wordt, namelijk: discriminatie en racisme in Nederland.

Voorzitter, discriminatie heeft vele verschijningsvormen. Het is een veelkoppig monster. Het gaat namelijk veel verder dan de afschuwelijke incidenten waarbij iemands geaardheid aanleiding is om met een betonschaar zijn tanden uit de mond te slaan. Het is een diepgeworteld disrespect voor de leefstijl, de aard, de verschijningsvorm, de gewoonten of de levensbeschouwing van anderen.

Voorzitter, dit disrespect wordt vaak geplaatst in overzichtelijke frames, die het gemakkelijk maken politieke munt te slaan uit stereotype vooroordelen. Zo zou de discriminatie van homo’s vooral gevoed worden door mensen met een bepaalde religieuze achtergrond, waarbij gemakkelijk voorbij gegaan wordt aan het feit dat de strijd tegen het discrimineren naar geaardheid niet gewonnen kan worden via andere vormen van discriminatie. Terecht wordt het debat over discriminatie polariserend genoemd, terwijl we juist zouden moeten streven naar een samenleving vol mededogen en compassie voor elkaar.

Voor het eerst is er op landelijk niveau een jaarrapport verschenen over discriminatie incidenten en –meldingen. Uit het rapport kan volgens het kabinet niet direct geconcludeerd worden dat meer of minder mensen zich gediscrimineerd hebben gevoeld, hoewel het kabinet evenwel erkent dat slechts 1 op de 8 discriminatie-ervaringen wordt gemeld en veel discriminatie daarmee buiten beeld blijft. Dit is een schokkend gegeven.

Voorzitter, hoe is dat mogelijk? Is er sprake van enkel symptoombestrijding in de incidentensfeer, alle lokale aanpak strategieën in samenspraak met deskundigen, gemeenten en politie ten spijt? Hoe is anders te verklaren dat het aantal meldingen van discriminatie fors stijgende is en het overgrote deel daarvan niet gemeld wordt? Ziet het kabinet, net als de Partij voor de Dieren, het immense belang van een structurele aanpak van discriminatie via bijvoorbeeld, om bij het begin te beginnen, adequate onderwijsprogramma’s met kleine klassen en intensieve begeleiding? En is het kabinet het met mij eens, dat goede wettelijke naleving en strikte handhaving het minste is dat een betrouwbare overheid burgers in een beschaafde samenleving zou moeten bieden?

In dat kader verdient ook soortgrensoverschrijdende discriminatie veel meer aandacht. Om onduidelijke redenen van speciecisme menen mensen dat het leven van andere soorten aanmerkelijk minder betekenis zou hebben dan dat van een mens.

De mate van intelligentie wordt daarvoor vaak als graadmeter aangevoerd, maar dat kan onmogelijk een verklaring zijn voor het feit dat het varken dat intelligenter is dan de hond, beschouwd wordt als eetbaar, in tegenstelling tot de hond.

Voorzitter, discriminatie kan alleen kansrijk bestreden worden wanneer anderen dan wijzelf gerespecteerd worden in hun natuurlijke behoeften, opvattingen, leefstijl en overige wezenskenmerken. Het leven van een dier is voor dat dier net zo belangrijk als mijn leven voor mij is. Datzelfde is wat mij betreft van toepassing op de levensbeschouwing, gewoonten, afkomst, of wezenskenmerken van andere mensen.

Voorzitter, tot slot, discriminatie kan alleen kansrijk bestreden worden wanneer begrip voor en mededogen met de ander slechts één grens kent: de vrijheid van de één houdt op waar de vrijheid van de ander begint.

Dank u wel.